Geloven in wonderen
Geloven in wonderen? Dat kan de moderne mens niet meer. Hij kan alleen uit de voeten met wat zichtbaar, tastbaar, meetbaar, bewijsbaar is. In de vorige eeuw heeft het toenmalige modernisme ook al afgerekend met het geloof in wonderen. En thans horen we opnieuw dit geluid, in hoge mate versterkt door geruchtmakende uitspraken van theologen vandaag. Ook zij zeggen niet in wonderen te kunnen geloven. Men kan zich afvragen wat dan nog overblijft van het bijbels getuigenis. Wie niet meer in wonderen gelooft moet afrekenen met élke vorm van geloof in een hiernamaals en in een plaats, waar God woont met Zijn engelen en met de gezaligden, buiten onze aardse werkelijkheid.
Waarom zou er nog wel geloof overblijven in het bestaan van hemel en hel als al datgene wat ik niet rationeel, verstandelijk kan verklaren, niet bestaat?
Enkele maanden voor zijn heengaan heeft prof. dr. G. C. van Niftrik in een blad voor onderwijzend personeel een indrukwekkend artikel geschreven naar aanleiding van het feit dat een rector van een middelbare school hem toevertrouwde, dat men vandaag, bij kerstwijdingen voor jongeren, niet meer kon aankomen met een maagdelijke geboorte en bij paaswijdingen niet met een lichamelijke Opstanding. Men ging er het zwijgen maar toe doen en ging trachten een louter horizontale interpretatie te geven van datgene wat in de Bijbel bovenwereldlijk en boventijdelijk is. Van Niftrik verbond er de conclusie aan, dat het de waan is van deze moderne tijd, dat alleen datgene werkelijkheid is, wáár is, wat de moderne wetenschap constateert.
Verklaarbaar
De wetenschap echter kan slechts verklaren tot op zekere hoogte. Vanuit wetmatigheden in de natuur concludeert en verklaart de wetenschap het ene uit het andere. Maar niemand is er, die de wetmatigheden in de natuur verklaren kan. Het zijn niets minder dan scheppingswonderen. Het hele bestaan is één ondoorgrondelijk wonder.
In mijn studententijd begon een predikant zijn preek met te zeggen: 'Gemeente, de wetenschap aanvaardt het wonder niet'. Het was voor mij op dat moment een direct antwoord in de geloofsdoordenking van wat als wetenschappelijk vaststaand werd aangediend.
Feit is intussen dat de wetenschap in haar methode het wonder inderdáád niet aanvaardt en methodisch ook niet aanvaarden kàn. In haar werkmethode moet gerekend worden met het bestaan van vaststaande wetmatigheden. Binnen die grenzen van haar werkmethode heeft de wetenschap gezag. Daarbuiten heeft de (natuur)wetenschap geen enkel gezag, heeft ze niets over het leven te zeggen.
De beroemde Blaise Pascal, natuurwetenschapper èn denker, zei, dat het geloof zijn redenen kent, die voor de rede, voor het verstand niet toegankelijk zijn.
De bekende diepzeeduiker Vening Meinesz zei in gevaarvolle momenten van zijn leven: 'Ons leven is in Gods hand'. Zo'n uitspraak gaat uit boven natuurwetenschappelijk kennen en kunnen. Hij had ook kunnen zeggen: de natuur moet haar loop hebben.
Per uiterste consequentie moeten we zeggen, dat de (natuur)wetenschap niets verklaart, omdat men altijd weer uit zal komen bij het niet verklaarbare begin, bij datgene wat onze goede God in Zijn schepping heeft gelegd: niet na te meten en niet voor te rekenen.
Prof. dr. J. H. van den Berg geeft in zijn Metabletica het volgende voorbeeld.
Hier heb ik een gele tulp. Waarom is die tulp geel?
Wel, zegt de bioloog, omdat er die en die kleurstof in zit en die is geel.
Jazeker, maar waarom is die kleurstof geel?
Wel, zegt de natuurkundige, alle kleuren van het witte licht worden door die kleurstof vastgehouden, behalve de kleur geel, die komt er weer uit.
Ja, maar waarom wordt nu die kleur geel weer uitgestraald?
Wel, zegt de chemicus, samen met de fysicus, de atomen van die gele kleurstof zijn zodanig samengesteld, dat de trillingen van het gele licht corresponderen met de atoomsamenstelling van die kleurstof.
Maar waarom…
Wel, zegt Van den Berg dan, zo is die tulp mooi.
Met dit antwoord doorbreekt Van den Berg elke absolute pretentie van de natuurwetenschap. Verder dan tot een bepaald punt kunnen we niet verklaren. We kunnen uiteindelijk alleen zeggen dat het móói is. Zo heeft de Schepper het gewild. Begrippen als mooi, harmonieus, fijn, lief, aardig etc. etc. passen niet in natuurwetenschappelijke schema's. Maar die begrippen bepalen wel degelijk mede de volheid van het geschapen leven. Zulke begrippen en aanduidingen zijn niet te beredeneren, slechts te bewonderen. In verwondering over de Schepper, die dit alles in Zijn ongekende en niet te doorgronden goedheid en grootheid gaf! Hier redeneren we niet meer. Hier aanbidden we. Het geloof heeft zijn redenen…
Dienstbaar
Verder is het zo dat de Heere, Schepper van de zienlijke en onzienlijke dingen, ter volvoering van Zijn plannen, met de wereld en de afzonderlijke mens, de wetmatigheden in de natuur gebruikt tot welzijn van Zijn Schepping, òf ten oordeel.
Middelen kunnen zo wonderen doen. Ooit zei prof. dr. P. Smits dat, gezien de kennis van zaken binnen de natuurwetenschappen, alles zo zijn eigen loop heeft. Bidden om regen en vruchtbaarheid (bijvoorbeeld op bidstonden voor gewas en arbeid) was zinloos, omdat de natuur toch haar eigen gang gaat. Inderdaad, wanneer de wetmatigheden in de natuur als autonoom worden gezien, is er geen ruimte meer voor gebed om regen en vruchtbaarheid. Dan moet het gebed om regen door kunstmest worden vervangen. En gebed om genezing door medicamenten. Maar wie belijdt dat God de middelen, waarin Hij Zijn scheppingsheerschappij toont. Zèlf zegenen moet, komt uit bij het wonder. Het is een wonder als een mens nog weer genezen mag van een hopeloos lijkende kwaal. Heeft dan alleen het middel het wonder bewerkt of is het de Zegenaar achter de middelen?
Het wonder is zo ook grootschaliger dan die enkele genezing. Het wonder strekt zich uit over alle genezingen, waartoe God ons de middelen deed ontdekken.
Gevangene
Zó nu is God ook nooit de Gevangene van Zijn eigen Schepping. Hij doorbreekt ook soeverein de wetmatigheden, àls en zóals het Hem goeddunkt. Zulke wonderen vallen buiten elke natuurwetenschappelijke constatering. Maar ze zijn juist dáárom wonderen.
De wijze van de geboorte van Christus – uit de maagd Maria –, de lichamelijke Opstanding, de Hemelvaart, ze vallen buiten onze natuurwetenschappelijke orde. Hier heeft de natuurwetenschap geen toegang. Hier heeft ook het menselijk verstand – de rede – geen toegang. Hier blijven alleen de aanbidding en de lofprijzing over. Alles wat we hier gaan beredeneren maakt het geheimenis kapot.
Ook wij kunnen niet beredeneren, dat Christus Jezus door gesloten deuren, als de Opgestane, bij de wachtende discipelen binnen kwam. Maar dat het zo was mocht Thomas (bij uitzondering) zelfs ervaren langs tastelijke weg. Waarop bij Hem alleen de lofzegging overbleef in verwondering: 'Mijn Heere en mijn God'.
We moeten ons hier niet afvragen wat we ervan begrijpen en dus aanváárden kunnen, maar wat ons wordt geopenbaard.
Hoe zal het zijn?
We kunnen ons zo ook niet voorstellen hoe het in de 'dag van de Opstanding' zal zijn. De Schrift belooft, dat diegenen die bij Christus horen ook bij Hem zijn zullen, in en dóór de Opstanding der doden. Eén ding heeft God ons intussen wel geopenbaard: er zàl opstanding der doden zijn vanwege de Opgestane (1 Cor. 13). Maar: 'in de Opstanding nemen zij niet ten huwelijk, noch worden ten huwelijk uitgegeven; maar zij zijn als engelen Gods in de hemel.' Dit leert de Schrift ons naar aanleiding van de vraag, hoe het nu eigenlijk zit wanneer een vrouw meer keren getrouwd is. Van wie zal ze zijn in de dag van de Opstanding? (Mt. 23). Lucas zegt het zo: 'Maar die waardig zullen geacht zijn die eeuw te verwerven en de opstanding uit de doden, zullen noch trouwen, noch ten huwelijk uitgegeven worden, want zij kunnen niet meer sterven…'
Hier wordt ons een geheimenis geopenbaard, dat we niet mogen ontkennen en anderzijds niet verstandelijk mogen stuk redeneren. Want uiteindelijk beërven vlees en bloed het Koninkrijk Gods niet. Het leert ons intussen wèl het aardse leven en de aardse bindingen te relativeren.
Goddank geeft Lucas boven onze vragen uit wel een bijzonder geloofsgetuigenis, namelijk dàt de doden opgewekt worden. Jezus betuigde het tegenover de Sadduceeën, die in de Opstanding der doden niet geloven konden. Mozes had dat al bij de brandende braamstruik vernomen, toen Hij God noemde 'de God van Abraham, Izak en Jacob', maar toen hij ook zei dat God niet een God der doden maar der levenden was. De patriarchen zochten op doorreis door dit aardse leven naar een béter vaderland, het hemelse (Hebr. 11 : 16). We mogen dit geloven zonder bewijs. Wie zou het kùnnen geloven, dat de miljarden, die in de Heere gestorven zijn, eenmaal leven zullen?
Is er ruimte voor?, vraagt de scepticus, de criticus.
En hoe is het dan met al die miljarden, die buiten de kennis van Christus gestorven zijn?, vraagt de existentiële twijfelaar? We hebben geen antwoord op die vragen. Gelóóf alléén, dat blijft over.
We moeten het mysterie, dat ons in de Openbaring zelf gegeven is, niet kapot redeneren. Van Gennep c.s. hebben dat gedaan door te vervallen in de oude dwaling van: 'Wat niet kàn, bestaat niet'. Ze laten de rede heersen over de Schrift. In reactie daartegen moeten we oppassen, dat we ook niet al te verstandelijk gaan redeneren. Alsof het voor ons zo aanvaardbaar is dat doden zullen opstaan en dat ooit Jezus uit het graf verrees. Thomas moest er, als gezegd, zijn hand voor leggen in het teken van de nagelen.
De schoenen van onze voeten, want de plaats waarop we dan staan is heilige grond, evenals bij Mozes bij de brandende braambos. Hiskia vroeg zich af of iemand in het graf God kon leven. Hij had moeite niet het mysterie van leven en dood. Maar hij kwam wel tot de geloofsconclusie, dat de levende Hem loven zou.
Geloof en lofzegging.
Gelooft u in wonderen? Geloof het maar, zeggen moderne louter verstandelijk ingestelde mensen, theologen of geen theologen.
Gelooft ú in wonderen? Ten diepste geloven we niet in wonderen maar in een God van wonderen.
In die God, die de wereld en al wat daarin en daarop leeft en beweegt door Zijn goedheid en grootheid heeft voortgebracht.
Ik geloof in die God, die alle dingen doet medewerken ten goede, zelfs het kwade, dat me in dit Mesech – dal der ellende – overkomt.
Ik geloof in die God, die datgene wat Hij Zelf geschapen heeft, te buiten trad en dwars tegen de zintuigelijke waarneming en de wetenschappelijke bewijsvoering in. God blijkt te zijn. Zo heeft Hij Zich majesteitelijk God betoond in het wonder van de heilsfeiten, de heilsdaden van Christus.
Ontkenning daarvan doet niet meer overblijven dan ongeloofsstandpunten, méér niet.
We hebben echter te maken met een wonderdoend God. God lof!
v. d. G.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 augustus 1989
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 augustus 1989
De Waarheidsvriend | 12 Pagina's