De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Voetius en de joden (1)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Voetius en de joden (1)

6 minuten leestijd

De vierhonderste geboortedag van Gisbertus Voetius (3 maart 1589-1 november 1676) is niet onopgemerkt voorbij gegaan. Op allerlei manieren is in de afgelopen maanden aandacht besteed aan deze veelzijdige theoloog. In het vestingstadje Heusden, waar de wieg van Voetius gestaan heeft, is een tentoonstelling aan zijn leven gewijd. De Utrechtse universiteit, door Voetius in 1634 opgericht, organiseerde een wetenschappelijk symposium onder het thema 'De onbekende Voetius'. Ook in tal van kerkelijke bladen werden aspecten uit zijn leven en werken belicht. Eén facet van Voetius' theologie is, voorzover ik weet, tot nu toe vrijwel buiten beschouwing gebleven: zijn visie op de joden. Terwijl deze godgeleerde zich toch uitvoerig met dit onderwerp heeft beziggehouden. In een drietal artikelen wil ik enkele hoofdlijnen van Voetius' opvattingen ten aanzien van het jodendom weergeven.

Biografische gegevens
Wellicht ten overvloede eerst enkele biografische gegevens. Gijsbert Voet, zoals zijn oorspronkelijke naam luidde, kwam ter wereld als telg uit een verarmde patricische familie. Op jonge leeftijd overleed zijn vader. Hij ging studeren in Leiden, waar de bekende Franciscus Gomarus zijn leermeester was. Zijn eerste gemeente was het Brabantse Vlijmen en Engelen. In 1617 verwisselde hij deze standplaats voor zijn geboortestad Heusden. Op 29-jarige leeftijd werd hij, als jongste deelnemer, afgevaardigd naar de Nationale Synode van Dordrecht (1618-1619). De Acta van deze vergadering geven niet de indruk dat Voetius daar een belangrijke inbreng gehad heeft. Meer roem zou hij verwerven toen hij later de strijd aanbond tegen de Armianen (Remonstranten). Ook in andere theologische kwesties deed hij van zich spreken. In 1634 volgde een benoeming tot professor in de theologie aan de universiteit van Utrecht, aanvankelijk nog 'Illustere school' geheten. Heel bekend is nog altijd de rede, waarmee hij aldaar zijn ambt aanvaardde. Hij pleitte ervoor dat vroomheid en wetenschap hecht met elkaar verbonden zouden zijn. Voetius was een groot voorstander van de zogeheten Nadere Reformatie en sloot zich aan bij de opvattingen van Willem Teellinck. De invloed van de Engelse puriteinen is ook bij hem duidelijk merkbaar. Met kracht bepleitte hij de beleving en de uitleving van de praktijk der godzaligheid. Een fel bestrijder was Voetius van de opvattingen van Descartes, die aan de menselijke rede zo'n belangrijke plaats wilde toekennen. Toch heeft de 'kampioen van de gereformeerde orthodoxie' (C. Graafland). niet kunnen verhinderen dat volgelingen van Descartes aan de Utrechtse universiteit werden benoemd.

Gesprekscollege
Als professor was Voetius gewoon om op zaterdag een dispuutcollege te houden. Een scala van problemen kwam daarbij aan de orde. Later zijn deze disputaties in bewerkte vorm gepubliceerd onder de titel 'Selectarum disputationum theologicarum' (1648-1669). In het najaar van 1636 stelt hij de problematiek rond het jodendom aan de orde. Voetius laat zich daarbij niet altijd even vleiend over de joden uit. Hij noemt hen hebzuchtig, hypocriet. Hun rechtschapenheid is niets dan vleselijke ijver, al hun zogenaamde goede werken zijn blinkende zonden. Toch betekent dat geenszins dat Voetius het joodse volk afschrijft, zoals zovele anderen in de geschiedenis dat wel gedaan hebben. In een afzonderlijke verhandeling van ruim dertig pagina's gaat hij in op de uitleg van Romeinen 11 : 25-27, waar gesproken wordt over de bekering van gans Israël, wanneer de volheid der heidenen zal zijn ingegaan. Ds. J. van den Heuvel was zo vriendelijk dit stuk voor mij uit het Latijn te vertalen. (Geweldig, dat deze emerituspredikant zijn jongere collega's geheel belangeloos zoveel tijdrovend vertaalwerk uit handen wil nemen.)

Israël is Israël
De vraag die Voetius zich bij de exegese van dit kerngedeelte onder meer stelt, is: Wat wordt hier nu eigenlijk bedoelt met 'geheel Israël'? Moet gedacht worden aan het concrete joodse volk of gaat het hier om het geestelijke Israël, d.w.z. de kerk bestaande uit heidenen en joden die in de loop der eeuwen tot bekering zijn gekomen? Als aanhangers van de laatste opvatting noemt Voetius bekende theologen als Augustinus, Hiëronymus, Melanchton en Calvijn. Onder degenen die een bekering van het joodse volk verwachten, noemt hij Beza, Junius, Paraeus en Engelse theologen als Brightman en Perkins. Ook Voetius zelf gelooft op grond van deze tekst, dat er nog een herleving onder de joden zal komen. De mening van sommigen, dat Paulus hier zou spreken over een gebeuren dat reeds heeft plaatsgevonden, wijst hij met kracht af Iets dergelijks is in de geschiedenis immers nog niet voorgekomen. Er kwamen wel enkele joden tot geloof in Christus, maar Paulus spreekt hier niet over weinigen, over slechts een afzonderlijk deel, maar over de totaliteit van de joden ofwel de gemeenschap en het lichaam van het volk, dat tot bekering zal komen (universitas ludaeorum, seu communitas et corpus nationis, p. 129). De bekering ten tijde van de apostelen en daarna was daarvan slechts een voorspel (praeludium, p. 132). Bovendien spreekt de apostel toch duidelijk van een toekomstige bekering. Eerst moest de verwerping van Israël plaats vinden, vervolgens de roeping en het binnenkomen der heidenen en pas daarna zal geheel Israël behouden worden. Trouwens, waarom zou Paulus over een geheimenis, een 'mysterium' (vs. 25) spreken, als hij slechts wilde wijzen op het feit dat er in het verleden al enige joden tot geloof waren gekomen? Zoiets was immers al lang bekend. Voetius benadrukt dat het woord 'mysterium' duidt op iets toekomstigs, iets dat tot nu toe verborgen geweest is. Op grond van dit alles blijft deze theoloog eraan vasthouden dat Paulus in Romeinen 11 spreekt over een algemene bekering van de joden, die nog in het verschiet ligt. 'Daarover verheugt hij zich, daarover gaat het, Gode zij dank. Onder hun afval, hun ongehoorzaamheid en hun verharding lijdt hij, naar hun behoud verlangt hij, dat verwacht, belooft en predikt hij' (p. 130).

Schrift met Schrift
Behalve in Romeinen 11 ziet Voetius deze verwachting ook uitgesproken in andere gedeelten van de Schrift. In deze pericopen ziet hij een bevestiging van zijn exegese van Romeinen 11. De profeten hebben de heilvolle toekomst van Israël reeds luisterrijk voorspeld. Ook in het Nieuwe Testament kan men meerdere bewijsplaatsen vinden. Voetius verwijst naar 2 Cor. 3 : 15, 16, 'waar de wenk gegeven wordt dat inderdaad de bekering en het wegnemen van het deksel zou zijn na de verwerping van de joden'. Te denken valt ook aan Matth. 23 : 39, 40, vergeleken met Lukas 21 : 24, waar op een niet duistere manier gezegd wordt dat na het verlaten-zijn van de joden er een heilzame verschijning van Christus en een bekering zal zijn. Ook Openbaring 7 : 4, 5 en 6 kan hier genoemd worden. De mening van de puritein Brightman, dat in Openbaring 20 met 'opstanding der doden' de bekering van joden bedoeld is, wijst Voetius af. Hij wil niet de schijn op zich laden een duistere plaats te bewijzen met een nog veel duisterder bijbelgedeelte. Ook het gebed van Christus aan het kruis voor de joden acht hij weinig geschikt om hen die een heilvolle verwachting voor het joodse volk ontkennen, te overtuigen.

M. van Campen, Woerden

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 augustus 1989

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's

Voetius en de joden (1)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 augustus 1989

De Waarheidsvriend | 12 Pagina's