De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Voetius en de joden (2)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Voetius en de joden (2)

5 minuten leestijd

Het zijn niet alleen bijbelse argumenten die Voetius tot de overtuiging gebracht hebben, dat God nog een bedoeling heeft met het joodse volk. Er zijn ook rationele overwegingen die een belangrijke rol hebben gespeeld. De rede neemt in heel Voetius' theologie een grote plaats in, zo ook hier. Hij wijst op het verbond dat God eenmaal met Israël gesloten heeft en waarvan hij meent, dat daarvan ook nu nog sporen te vinden zijn. Het moet immers opvallen dat de joden nog altijd een volk met een eigen identiteit gebleven zijn, ondanks de verstrooiing. Andere volken zouden al lang opgehouden hebben te bestaan door vérmenging en assimilatie. Uit alles blijkt dat God het joodse volk, afgescheiden van alle andere volken op een wondere wijze bewaart en ondanks zoveel vervolging en schokkende gebeurtenissen buitengewoon vermenigvuldigt. Verbazingwekkend is, meent Voetius, hun aantal in Azië en Afrika, hoewel ze daar onder een streng regiem moeten leven. Dit argument legt voor de Utrechtse hoogleraar groot gewicht in de schaal: 'Aan de waarheid van de geschiedenis moet niet getwijfeld worden'. Verwonderingwekkend is ook dat er nog altijd een aantal positieve zaken onder het jodendom overgebleven zijn. God heeft van hen de Schrift niet weggenomen ondanks hun afvalligheid. Hun geslachtsregisters zijn in goede staat overgebleven en bekend bij allen over de ganse wereld. Opmerkelijk is ook, meent Voetius, hun specifieke gelaatsuitdrukking en de, geur waardoor zij zelf onderscheiden willen worden. Hun leraren houden met grote ernst vast, hoewel zonder verstand, aan de lezing van de wet in de synagoge en waken met de grootste nauwgezetheid over de juiste weergave. Ze zijn afkerig van alle afgoden- en beeldendienst, waarmee hun vaderen zich plachten te bezoedelen. Kortom: de herinnering van de Messias hebben zij nimmer, door geen enkele ramp, onder welke wisselende omstandigheden ook, van zich afgeschud. Onafgebroken hebben zij de komst van de Messias verwacht, altijd het woord van Daniël in de mond hebbend: 'Zalig hij die verwacht'.

Tweeërlei conclusie
De conclusie die Voetius aan deze overwegingen verbindt, is tweeledig.
A) Vanwege de bijzondere beloften voor Israël moeten de christenen zorg dragen voor het heil van de joden. We mogen hen niet te gronde richten, maar hebben hen onder ons te verdragen en te koesteren boven alle heidenen, Mohammedanen, atheïsten en Libertijnen. Wat de vrijheid betreft, deze moet hen vergund worden. Op alle mogelijke manieren en met alle middelen dient voor hun heil gezorgd te worden.
B) Wanneer ergens, dan toch zeker wel in het gebeuren met Israël komt de vrije genade van God aan het licht. Israels verwerping is als een spiegel, waarin de afgrond van Gods oordelen zichtbaar wordt. Ook wordt hier duidelijk dat God niet de auteur van de zonde, nog minder een tiran is, maar de God die vrijmachtig Zijn soevereine gang gaat.

Alleen de twee stammen
Na de grote lijnen getrokken te hebben, gaat Voetius nog nader in op enkele bijzonderheden, zoals de plaats, de tijd en de wijze waarop de bekering der joden zal plaatshebben. Hij onderstreept dat we in het jodendom niet alleen met een kerkelijke, maar ook met een politieke realiteit te doen hebben. Opmerkelijk is dat hij het joodse volk dat tot bekering zal komen, wil beperken tot het tweestammenrijk, tot de joden die deels in Judea, deels in de diaspora ten tijde van de apostolische prediking het 'lichaam' van dit volk uitmaakten. Op de vraag of ook de tien stammen zullen delen in de algemene bekering der joden is Voetius' antwoord zonder meer ontkennend. Zij die na de Assyrische wegvoering waren overgebleven in het land van de tien stammen, zijn totaal vermengd met de heidense kolonisten. Van de weggevoerden weet niemand waar ze uiteindelijk terecht gekomen zijn. In de zeventiende eeuw reeds waren tal van theorieën daarover in omloop. Sommigen beweerden dat de Chinezen beschouwd moeten worden als nakomelingen van de tien stammen. Anderen dachten aan de Tartaren, terwijl nog weer anderen vermoeden dat de Amerikanen een deel van de tien stammen vormen. Breedvoerig gaat Voetius op al deze veronderstellingen in om ze vervolgens één voor één af te wijzen.

Geen judaïsme
Eén ding staat voor Voetius als een paal boven water: de bekering van de joden zal een toewending tot Christus inhouden. Het object van de bekering noemt hij uitdrukkelijk 'Christus, de Zaligmaker en de christelijke godsdienst'. En dan wel onverkort! Zonder enig bijmengsel van judaïsme. Zo hebben de apostelen hen Christus immers ook gepredikt en dat was de praktijk die zij voorgeschreven hebben. Voetius moet niets hebben van de opvatting die sommigen erop nahouden, dat de bekeerde joden nog ten dele kunnen vasthouden aan enige kenmerken van het jodendom, met name het houden van de zogenaamde Noachitische geboden. Niet dat wij hen door onze prediking van deze gebruiken moeten aftrekken. Dan zouden ze gaan denken dat wij hen afvallig willen maken en dat heeft een averechtse uitwerking. Nee, wij moeten de argumenten die aan hun opvattingen ten grondslag liggen ontzenuwen en hen zo proberen te overtuigen.

Gemeenschappelijke roeping
Wie zijn het die de bekering van de joden zullen bewerken? Voetius verwijst allereerst naar God zelf. Naar God in Christus, de Verlosser en Borg, die verwant is aan de joden naar het vlees en aan Wie alleen het recht van lossing toekomt. Maar in de tweede plaats ligt hier toch ook een gemeenschappelijke taak voor de christenen. De magistraten, als voedsterheren van de kerk, hebben het hunne te doen.

De leraren der christenen, die de voetstappen der apostelen drukken, hebben krachtens hun roeping zorg te dragen voor het heil van alle dwalenden, maar in het bijzonder van de joden. Bij elke gelegenheid moeten zij erop gespitst zijn, of God hun niet te eniger tijd verandering des harten wil geven. Over de middelen die de predikanten daarbij ter beschikking staan, heeft Voetius uitvoerig geschreven in de reeds genoemde disputatie over het jodendom.

M. van Campen, Woerden

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 augustus 1989

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Voetius en de joden (2)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 augustus 1989

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's