Het voorstel tot wijziging van Artikel VIII
Overwegingen van het Bezinningscomité
Vorig jaar behandelde de Generale Synode der Ned. Herv. Kerk een voorstel tot wijziging van Artikel VIII van de kerkorde. Het gaat in dit artikel over het apostolaat der kerk en het wijzigingsvoorstel betreft met name de passages, die gaan over de roeping van de kerk ten aanzien van het Joodse volk. In eerste lezing werd dit voorstel aanvaard, zodat nu de beurt is aan kerkeraden en classicale vergaderingen om zich over deze problematiek uit te spreken. Om twee redenen hebben we te doen met een zaak van groot belang. In de eerste plaats betreft het hier een wijziging van een zogeheten 'Romeins' artikel.Vervolgens is ook de inhoudelijke kant van de kwestie dermate belangrijk, dat het Bezinningscomité alle kerkeraden wil oproepen zich diepgaand met deze zaak bezig te houden, alvorens hun afgevaardigden op de classicale vergaderingen hun stem zullen uitbrengen. Om de ambtsdragers behulpzaam te zijn bij de bezinning treft men hierbij een verantwoording van het standpunt van het Bezinningscomité Israël aan. Voor verdere oriëntatie verwijzen wij naar:a. de recente publikatie van de voorzitter van het Bezinningscomité, Kerk en Israël in gesprek, Reformatiereeks 26, Kampen 1989. Met name hoofdstuk 3 van dit boek gaat uitvoerig in op de tot standkoming van het bewuste Artikel VIII en op de latere ontwikkelingen.b. het extranummer van het blad Kerk en Israël, uitgave van de hervormde raad voor de verhouding van Kerk en Israël. In deze brochure treft men naast het wijzigingsvoorstel ook de opvatting van de raad aan, evenals de visie van het Bezinningscomité. Extra exemplaren kunnen vanaf eind augustus worden aangevraagd.Het Bezinningscomité Israël:drs. M. van Campen, Woerden (voorz.)drs. E. Balk, Ede (secr.)ds. mr. J. Haeck, Hoevelaken (penn.)ir. J. v. d. Graaf, Huizends. D. Heuvelman, Klaaswaaldrs. H. de Leede, Amersfoortds. D. Ph. C. Looijen, Woudenbergdrs. J. A. v. d. Velden, IJsselmuiden
Voor de meeste lezers van dit blad zal het niet nodig zijn om het Bezinningscomité Israël te introduceren. Sedert 1974 is een aantal theologen en niet-theologen van hervormd-gereformeerde huize intensief bezig met de problematiek rond de verhouding van kerk en Israël. De doelstelling van het comité is de aandacht en de liefde voor het joodse volk te bevorderen, met name binnen de gereformeerde gezindte. Diverse seminars voor theologen werden belegd in Israël. Ook werden reizen voor gemeenteleden georganiseerd, waarbij bezinning en ontmoeting met het jodendom een duidelijke plaats hadden. Sedert een vijftal jaren verzorgt het Bezinningscomité wekelijks radiouitzendingen onder de titel Zicht op Israël. De lezingen die in deze rubriek werden uitgesproken, zijn gepubliceerd in de bundels Zicht op Israël (drie delen), Israël vraag en teken en Israël tussen gedenken en verwachten.
Vlak voor de besprekingen rond Artikel VIII in de synodevergadering van november 1988 liet het Bezinningscomité een appèl uitgaan, waarin haar visie op een eventuele kerkordewijziging werd verwoord. Uiteraard is het bestek van zo'n 'brandbrief' te kort om aan alle facetten recht te doen. In dit artikel willen wij daarom het destijds ingenomen standpunt toelichten, in de hoop daarmee een bijdrage aan de huidige bezinning in kerkeraden en classicale vergaderingen te leveren.
Waar gaat het om?
Voor een goed verstaan van de problematiek is het dienstig eerst nog even de tekst van de huidige kerkorde in herinnering te roepen, evenals het wijzigingsvoorstel dat door de Generale Synode in eerste lezing Werd aanvaard. Omdat de meningsverschillen zich met name voordoen rond lid 2 van Artikel VIII en ten aanzien van art. 2 van Ordinantie 4 beperken wij ons tot een weergave van deze gedeelten.
Artikel VIII lid 2 luidt in de versie van 1951:
'De Kerk richt zich in het gesprek met Israël tot de synagoge en tot allen, die bij het uitverkoren volk behoren, om hun uit de Heilige Schrift te betuigen dat Jezus de Christus is'
In het wijzigingsvoorstel lezen wij:
'De Kerk zoekt het gesprek met Israël inzake het verstaan der Heilige Schrift, in het bijzonder betreffende het Koninkrijk Gods en het getuigenis dat Jezus de Christus is'
Art. 2 van Ordinantie 4 wijst als taken van de raad voor de verhouding van Kerk en Israël o.m. aan:
– met onderzoek van de Heilige Schrift ten aanzien van de vragen met betrekking tot het volk Israël;
– de verdieping en verbreding van het inzicht der Kerk in de weg Gods met dit volk;
– het gesprek met Israël;
– het brengen van het Evangelie in Nederland en daarbuiten, aan hen die tot het volk Israël behoren
In het wijzingingsvoorstel is dit geworden:
– het onderzoek van de Heilige Schrift ten aanzien van de vragen met betrekking tot Israël;
– de verdieping en verbreding van het inzicht der Kerk in de weg Gods met Israël;
– de toerusting van de gemeenten tot de ontmoeting met Israël;
– het bevorderen van inzicht in wezen en vormen van het antisemitisme en het bestrijden daarvan;
– het bevorderen van inzicht in het wezen van de dienst aan Israël.
Geen zending
Het Bezinningscomité deelt de keuze, die bij de invoering van de nieuwe kerkorde in 1951 werd gemaakt, om de relatie tussen kerk en Israël te omschrijven met de term gesprek. De uitdrukking jodenzending is niet alleen historisch belast – hoe vaak ging zending onder joden niet gepaard met dwang en geweld? – maar miskent ook de unieke relatie tussen kerk en het joodse volk als zonen van hetzelfde huis. Bij zending gaat het om de proclamatie van de Naam van de enig ware God, de God van Abraham, Izak en Jakob, aan de volkeren die, levend in het duister van de afgodendienst, nog niet eerder van deze God gehoord hebben.
Christenen behoeven aan Israël niet te vertellen wie deze God is, dat zou een omkering van zaken betekenen. Immers, via Israël zijn wij met deze Naam bekend gemaakt en alles wat wij van Godswege hebben ontvangen, is middels het joodse volk tot ons gekomen: de Schriften, het verbond, de Messias. Wij zijn bij Israël ingeënt en mogen delen in de rechten en voorrechten van dit volk (Rom. 11 : 17; Efeze 2). Deze stand van zaken maakt het onmogelijk te spreken van zending als het gaat om de joods-christelijke ontmoeting. De term gesprek doet meer recht aan het volstrekt eigensoortige karakter van de relatie tussen kerk en Israël.
Wel getuigenis
Niet alleen de motieven, die in 1951 geleid hebben tot de formulering van Artikel VIII, worden door het Bezinningscomité onderschreven; zij deelt ook de opvatting ten aanzien van de aard en de doelstelling van het joods-christelijke gesprek, zoals deze thans in de kerkorde verwoord is. De keuze voor de term gesprek impliceerde in geen geval een pleidooi voor een vrijblijvende ontmoeting, waarin de fundamentele zaken, die kerk en synagoge van elkaar scheiden, niet meer ter sprake (mogen) komen. Prof. Van Ruler, één van de stuwende krachten achter de nieuwe kerkorde, wees op het nadrukkelijke belang van het woord 'betuigen' in de huidige omschrijving van Artikel VIII. Hij pleitte voor een ontmoeting rond de Schriften (m.n. van het Oude Testament), in navolging van de apostel Paulus. Altijd ging deze allereerst naar de synagoge om hun vanuit Mozes en de profeten te betuigen, dat Jezus de Christus is. Het Bezinningscomité is er diep van overtuigd, dat dit getuigende element onopgeefbaar is voor de relatie tussen kerk en Israël.
Bescheiden
Ondertussen realiseren wij ons, dat dit getuigenis onzerzijds alleen op heel bescheiden en ootmoedige wijze zal kunnen plaatsvinden. Het bittere lijden, dat het joodse volk – mede in de naam van Christus – is aangedaan, heeft de verhouding tussen kerk en jodendom grondig verstoord. Daarmee zullen christenen terdege rekening dienen te houden. De bereidheid van joodse zijde tot het aangaan van een gesprek is allerminst vanzelfsprekend. Wij mogen het voorzichtig zoeken. Er is tijd voor nodig om opnieuw vertrouwen te winnen, geduld om wederzijds respect te laten groeien, bereidheid om vooroordelen en misverstanden uit de weg te ruimen. Maar dat alles mag er niet toe leiden, dat christenen gaan verzwijgen wat het hart van hun geloof uitmaakt. Wie trouw wil blijven aan het getuigenis van Jezus en de apostelen kan en mag niet verhullen, dat de God van Israël Zich in de persoon van Jezus Christus ten volle en beslissend heeft geopenbaard voor Israël en de volken. Deze Messias te kennen is de ene weg tot het heil voor jood en heidenen.
Zorgwekkende trend
Met bezorgdheid constateert het Bezinningscomité dat in de huidige ontwikkelingen deze belijdenis al meer naar de achtergrond dreigt te geraken. Met verontrusting stellen wij vast, dat niet alleen van joodse, maar juist ook van christelijke zijde erop aangedrongen wordt om niet langer aan joden te vragen Jezus te erkennen als de beloofde Messias. Christenen die nen niet alleen respect op te brengen voor hun joodse gesprekspartner maar ook de joodse godsdienst te beschouwen als een eigen, legitieme weg naar het Koninkrijk Gods. Joden zouden Jezus niet nodig hebben, omdat zij reeds lang bij de Vader horen vanwege hun trouw aan de Thora. In meerdere publikaties van recente datum zijn deze geluiden te horen. Het Bezinningscomité vraagt zich in alle ernst af of de drang tot wijziging van Artikel VIII met deze tendens soms verband houdt. In ieder geval achten wij de voorgestelde formulering een verzwakking ten opzichte van de huidige omschrijving, waarin het getuigende karakter van het gesprek, dat de kerk met Israël Yoert, meer wordt onderstreept. Een gesprek over het getuigenis, zoals nu wordt voorgesteld, is toch wat anders dan een getuigenis door middel van het gesprek?
Nevenschikking
Bezwaar heeft het Comité met name tegen de nevenschikking van het Koninkrijk Gods en het getuigenis dat Jezus de Christus is. Een dergelijke formulering kan de indruk wekken, dat er sprake is van twee verschillende thema's. Deze kritiek geldt des te sterker ten aanzien van de suggestie van de raad voor de verhouding van kerk en Israël, die wil dat in Artikel VIII lid 2 de naam van Jezus Christus wordt weggelaten en dat het gesprek zal gaan over het 'Koninkrijk Gods en de Messias'. Er is voor christenen toch geen gesprek mogelijk over het Koninkrijk Gods los van Jezus Christus? In Hem is het Koninkrijk, zij het in voorlopigheid, doorgebroken in deze wereld. Het rijk en de koning, déze Koning, zijn onlosmakelijk aan elkaar verbonden. Waarom zouden we dat toedekken of als verondersteld beschouwen? ledere onduidelijkheid op dit punt bevordert de verwarring en zet de deur open voor uiteenlopende interpretaties, ook voor opvattingen die het unieke en exclusieve van de persoon en het werk van Jezus Christus ter discussie willen stellen. Een dergelijke vaagheid kan de kerk zich, zeker in haar kerkorde, niet permitteren. Het Bezinningscomité is dan ook van mening, dat handhaving van de huidige formulering van Artikel VIII valt te prefereren boven wijziging in de nu voorgestelde zin.
Wederkerigheid
Het Bezinningscomité erkent uitdrukkelijk dat er in de ontmoeting van kerk en synagoge geen sprake is van eenrichtingsverkeer. De agenda van de joods-christelijke ontmoeting wordt niet eenzijdig door de kerk samengesteld. Vanuit de schriften van Mozes en de profeten houdt de synagoge ons o.m. voor: wat betekent de christelijke verwachting van het Koninkrijk Gods? Hebt u wel voldoende oog voor de concrete, aardse dimensie van de profetische beloften? Wat houdt het spreken van de kerk over verlossing in, zolang de schepping nog altijd zucht? Hoe zit het bij u met het betrachten van recht en gerechtigheid, waartoe het Oude Testament steeds weer oproept? Maakt u wel voldoende ernst met de heiliging van het leven? Omgekeerd zijn er ook zaken, waarover de kerk niet kan en mag zwijgen tegenover de synagoge: de joodse visie op de mens (miskent het jodendom de ernst van de zondeval niet en denkt men daarom niet te optimistisch over het menselijk willen en kunnen?); de betekenis van de offerdienst en het ritueel de zondebok in het Oude Testament; de uitleg van Jesaja 53; de weigering om Jezus als Messias te erkennen, etc. In een werkelijk gesprek zullen kerk en synagoge de klemmende vragen, die men elkaar stelt, niet naast zich neer kunnen leggen. Wat de christenen betreft is het luisteren in de joods-christelijke ontmoeting niet minder wezenlijk dan het 'betuigen'. Meer dan in de huidige formulering geschiedt, zou naast het getuigenis de notie van de wederkerigheid benadrukt kunnen worden. Daarvoor is, naar het inzicht van het Bezinningscomité, evenwel geen wijziging in Artikel VIII nodig – een ingrijpend gebeuren, waarvoor een verdubbelde zitting van de synode nodig is – maar kan volstaan worden met wijziging van Ordinantie 4.
Aanvullingen
Hetzelfde geldt voor enkele andere aspecten, die in de omschrijving van 1951 ontbreken of onderbelicht gebleven zijn. Te denken valt aan de toerusting van de gemeente met het oog op de ontmoeting met joden, het bevorderen van een waarachtige solidariteit met en liefdevolle dienst aan het joodse volk, het bestrijden van alle vormen van (latent) antisemitisme. Het Bezinningscomité pleit ervoor deze noties op te nemen in een wijzigingsvoorstel betreffende Ordinantie 4.
Bovenstaande overwegende komt het Bezinningscomité tot de volgende slotsom:
1. Wijziging van Artikel VIII is o.i. op dit moment noch wenselijk noch noodzakelijk. Het voorstel, dat thans ter tafel ligt, draagt te zeer de sporen van een compromis tussen tegengestelde opvattingen. De joods-christelijke relatie is echter meer gediend met duidelijkheid en eerlijkheid dan met vage formuleringen, die voor meer dan één uitleg vatbaar zijn. Opmerkelijk genoeg is van (orthodox) joodse zijde meer dan eens uitgesproken, dat men meer prijs stelt op christenen, die staan voor hun principes, dan op een verwaterd christendom, dat de kern van haar eigen belijdenis heeft prijsgegeven. Nog zeer onlangs schreef de orthodoxe rabbijn L. B. van der Kamp, dat het joods-christelijk gesprek naar zijn mening alleen gevoerd kon worden door hen, die 'stevig in zowel hun christelijke als joodse tradities geworteld zijn.'
2. Nieuwe inzichten, voor zover bijbels verantwoord, die sedert 1951 gegroeid zijn, kunnen zonder bezwaar worden verwerkt door wijziging resp. aanvulling van Ordinantie 4. Uit het bovenstaande moge duidelijk zijn aan welke zaken daarbij gedacht kan worden. Ook in de gewijzigde versie dient echter door te klinken, dat de kerk niet wil afzien van haar roeping tegenover het joodse volk getuigenis af te leggen van haar geloof, dat Jezus de Messias is. In de oude omschrijving is dat aspect verwoord door aan de raad voor de verhouding van Kerk en Israël op te dragen het gesprek met Israël en het 'brengen van het Evangelie'. Een mogelijke variant zou zijn: het luisterende en getuigende gesprek met Israël.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 augustus 1989
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 augustus 1989
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's