De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

13 minuten leestijd

Kerk en Koninkrijk in Hoedemakers levensarbeid
Over dit onderwerp refereerde dr. G. Bos op de herdenkingsbijeenkomst van 23 juni in de Noorderkerk in Amsterdam. Eerder schreef v. d. Graaf al over deze bijeenkomst. Nu het Hervormd Weekblad in het nummer van 13 juli dit referaat heeft gepubliceerd leek het me goed een en ander uit deze rede over en zo belangrijk onderwerp aan u door te geven. De verhouding tussen kerk en koninkrijk is immers niet alleen iets wat de theologie van Hoedemaker raakt en dus van theologie-historische betekenis is, maar in tal van aktuele discussies (verhouding kerk-staat, de taak van de kerk, de samenlevingsvragen, de kerk en de politiek) stuit men op dit onderwerp. Dr. Bos wijst er op dat Hoedemaker zowel de vereenzelviging van kerk en koninkrijk als de gedachte dat de kerk voorportaal tot het Koninkrijk Gods is heeft afgewezen. Een gevolg zou dan immers zijn dat dit rijk in Israël niet bestaan heeft. Voor Hoedemaker is de inzet van zondag 21 belangrijk:

'Hoedemaker meent, dat de Schrift anders spreekt. Laten we beginnen met de kerk. Dat is het lichaam van Christus, de gemeente, die de Zoon van God van het begin der wereld tot aan het einde Zich uit de gehele mensheid door Zijn Geest en Woord vergadert, beschermt en in stand houdt (vgl. Heid. Cat. zondag 21).
Dat betekent onder andere, dat niet gezegd mag worden volgens onze belijdenis, dat de kerk eenmaal gesticht is – bijvoorbeeld op de Pinksterdag. Het gevolg van deze mening is, dat de kerk niet meer katholiek genoemd mag worden, want dan zou zij zich niet meer openbaren onder alle geslachten, talen en volken. Het kan dan soms zelfs zover gaan, dat men een regel, waardoor bijvoorbeeld zwarten van lidmaatschap worden uitgesloten, niet ziet als principieel in strijd met het kerk-zijn.
Een ander gevolg van deze afwijking van onze belijdenis is, dat het bestaan van de kerk onder het oudste verbond ontkend wordt. Met name Kuyper heeft deze mening verdedigd door te stellen, dat onder Israël het kerkelijk teveel vermengd was met het volkse, het nationale om te mogen spreken van een kerk. Hoedemaker wijst er op, dat enerzijds de gemeente onder Israël smaller was dan het volk als zodanig, hetgeen tot uitdrukking kwam, wanneer verklaard werd, dat personen, ja zelfs hele families geen recht hadden om tot de gemeente geteld te worden vanwege bepaalde overtredingen van Gods wet. Welke ingrijpende gevolgen dat kon hebben weten we bijvoorbeeld ten aanzien van Achan en de zijnen bij Jericho. Anderzijds werden herhaaldelijk anderen aanvaard met alle rechten van dien, hoewel zij niet binnen het verbond geboren waren. Dat neemt natuurlijk niet weg, dat onder het oude verbond de biezondere positie van het volk Israël veel duidelijker zichtbaar was dan onder het nieuwe. Maar er is Hoedemaker veel aan gelegen om te onderstrepen, dat de Schrift duidelijk leert, "dat Abraham door hetzelfde geloof gerechtvaardigd is dat ons behoudt, alsmede dat de Kerk onder het Oude Verbond onder hetzelfde Hoofd stond als de Kerk onder het Nieuwe Verbond, maar ook in het wezen der zaak hetzelfde heil kende, denzelfden weg der zaligheid bewandelde en dezelfde teekenen en zegelen van hetzelfde genadeverbond bezat." (61)
In haar eigenlijke wezen is en blijft de kerk onzichtbaar. "Alle verdere onderscheidingen raken haar wezen niet, maar duiden alleen een gezichtspunt aan, waaruit men haar kan bezien." (111)
Maar telkens treedt zij in de openbaarheid – namelijk bij iedere gemeenschappelijke openbaring van het geloof, of dat nu een vaste en periodieke vorm gekregen heeft of dat er sprake is van een min of meer "toevallig" gebeuren. Het geloof vraagt immers een belijdenis èn een leven, dat niet in strijd is met dit belijden. Daarbij mag overigens niet vergeten worden, dat het geloof niet in de eerste plaats een handeling is, maar veeleer leven. Het is zich ook niet altijd evenzeer bewust. Anders zouden de kleine kinderen er niet bij gerekend mogen horen. En laten we ook de zwaar verstandelijk gehandicapten niet vergeten.
Dat geloof kan niet bestaan zonder de relatie met het Hoofd zèlf van dat lichaam, dat de kerk is. Dat persoonlijke en voortdurende aanwezig-zijn van Christus krijgt gestalte in de ambtsdrager, aan wie Hij niet zijn macht en werk heeft overgedragen.
"Het gaat dus in het ambt om de levende tegenwoordigheid van den levenden Christus in Zijne gemeente." (127)
Dat heeft natuurlijk gevolgen voor de biezondere positie van de ambtsdrager in de gemeente, maar tegelijk geldt dat deze verantwoordelijkheid, die met één woord gekarakteriseerd kan worden: dienen, de ambtsdragers heel afhankelijk en klein zal houden. Kerkelijke macht is bediendende macht, "omdat Christus het Hoofd is van vwen zij niet alleen bij de aanstelling, maar voortdurend afdaalt, omdat zij in den naam des Heeren wordt bediend aan Zijn woord gebonden, en om heerschappij te voorkomen niet aan één ambtsdrager maar aan vele ambtsdragers gebonden is, en bovendien krachtens de eenheid der Kerk onder de controle van de meerdere vergaderingen staat."

Maar, zegt dr. Bos, bij dit alles gaat het over de kerk en niet over het rijk Gods. Er is stellig een verband, maar dan een verschillende relatie tot Christus. Hij is Hoofd van zijn lichaam en Hij is Koning over alle dingen. Wie de gemeente tot het Rijk Gods maakt, berooft Christus van zijn koninklijke heerschappij, zegt Hoedemaker. Het gaat in een dergelijke toegespitste uitspraak er natuurlijk niet om, dat Hoedemaker de regering van Christus over de gemeente zou ontkennen, maar wat hij wil beklemtonen is het schriftuurlijke gegeven dat alles Hem moet eren. Daarom mag men Rijk en gemeente niet laten samenvallen. Om nogmaals Hoedemaker zelf aan het woord te laten:

'Is de Kerk niet het "Koninkrijk Gods" dat vanuit den Hemel wordt bestuurd, maar het lichaam van Christus, dat in de wereld openbaar wordt, dan heeft Christus, als het Hoofd van Zijne Gemeente, om van een stedehouder te zwijgen, niet alleen bevelen gegeven hoe de kerk moest worden gericht, maar ook zelf de leiding en het bestuur van de Gemeente op zich genomen, terwijl Hij zich hierbij "door eene zonderlinge genade" zooals reeds gezegd is van menschen bedient, die hij tot uitdeelers van de verborgenheden Gods maakt, wien Hij eene bepaalde plaats aanwijst, een eigen werk te doen geeft, en die Hij hiertoe met het ambt bekleedt, tot organen maakt. Alleen hierdoor is de Gemeente geen aggregaat van individuele geloovigen, maar een lichaam d.i. een saamgesteld en welgeordend geheel." (92)

Christus het Hoofd van Zijn kerk. Maar Zijn koningschap reikt veel verder. Vanuit de hemel roept Hij situaties op in de samenleving van mensen en volkeren, waarmee zijn plan volvoerd wordt. We moeten die koninklijke macht niet opsluiten in de kerk. Laat juist de kerk die met Christus lijdt en strijdt bedenken dat heel de wereld zijn gebied is. Dr. Bos wijst er in de afsluiting van zijn rede op dat er stellig kritiek te leveren is op Hoedemakers beoordeling van allerlei ontwikkelingen. Maar zijn inzichten zijn nog altijd betekenisvol als het erom gaat ook in onze geseculariseerde wereld na te denken over bijvoorbeeld het spreken van de kerk in de samenleving. De theocratische prediking aangaande het Rijk is een geloofsbelijdenis en niet iets wat we uit de ervaring aflezen.

Scheers over Hoedemaker
In 1939 promoveerde dr. G. Ph. Scheers over Hoedemaker. Het boek dat dus zo'n 50 jaar geleden verscheen, wordt binnen afzienbare tijd opnieuw uitgegeven. Het is en blijft nog altijd een werk van betekenis. Scheers heeft vele bijdragen geleverd voor het orgaan van de vrienden van Kohlbrugge, het Kerkblaadje, thans Ecclesia genoemd. In het nummer van 28 juli heeft de redactie een van die bijdragen van Scheers overgenomen. Het leek me goed om naast het recente verhaal van dr. Bos deze stem uit het verleden aan het woord te laten:

'Schrijvende over Hoedemaker, dringt zich eerste de vraag aan mij op: wat voor aanraking is er tussen Hoedemaker en Utrecht geweest?
liet veel. Hij is er geboren. In 1839. In de "Vinkenburgsteeg", waar zijn vader een "godsdienstige" boekhandel had. Hij werd er gedoopt. In de "Afgescheiden Kerk" door ds. H. P. Scholte. Vage kinderherinneringen had hij aan conventikel-samenkomsten in het ouderlijk huis en aan een kerkgang in de Dom bij ds. J. H. Bösken.
Als jongen van twaalf jaar met zijn ouders naar Amerika vertrokken, kwam hij er twaalf jaar later terug om de colleges te volgen van de phaenomenale Van Oosterzee. De heer W. Horst, ouderling der "Afgescheiden Kerk", had hem dit aangeraden. Hoedemaker volgde die raad op, begon van voren af aan theologie te studeren (in Amerika was hij al "afgestudeerd", maar dat was er dan ook naar!) en verloofde zich met een van de dochters van de heer Horst.
Meer valt er over Hoedemaker in Utrecht niet te vertellen. In latere jaren preekte hij er nog wel eens een enkele maal en "op een podium te Utrecht" zag dr. Noordmans hem "met zijn armen de expansie van een kerkelijk symbool naar alle kanten uitmeten".
Dat zal omstreeks 1900 geweest zijn tijdens de toenmalige reorganisatie-beweging op een van de "vergadering van ambtsdragers".
Neen, de stad die bij Hoedemaker hoort is niet Utrecht, maar Amsterdam. Daar heeft hij, kersvers uit Amerika aangekomen, zijn beroemde preek gehouden over "de dierbaarheid van Christus", die op een ontzaglijke manier bij velen insloeg. Daar is hij tweemaal predikant geweest. Onder totaal verschillende omstandigheden. Vóór de Doleantie als een gevierd "Gereformeerd" predikant (en dat betekende in die jaren: een gunstgenoot van Kuyper). Na de Doleantie als een eenzaam en grotendeels onbegrepen denker en prediker met een kleine, maar zeer aan zijn persoon en zijn idealen verbonden groep om zich heen.
Daartussenin is hij in Amsterdam ook nog professor geweest. Aan de Vrije Universiteit. In de begintijd, toen deze instelling zich nog niet vereenzelvigd had met de "Gereformeerde Kerken". Dat zijn zijn bitterste jaren geweest. Dagelijks werd het hem duidelijker dat hij onmogelijk aan Kuyper kon blijven vasthouden, hoezeer hij zich naar de geest met hen die onder Kuyper optrokken, verbonden voelde. "Dat volk is mijn volk en hun God is mijn God". Maar Kuyper liet de Hervormde Kerk als Volkskerk los. "Wij moeten verbouwen of verhuizen", had hij (Kuyper) bij zijn intree als predikant in Amsterdam in 1870 gezegd. Het liep op verhuizen uit. Voor Hoedemaker stond het echter vast, dat men het oude huis tot geen prijs verlaten mocht. Dat was bij hem zeker in de eerste plaats een kwestie van gehechtheid aan het oude (we zagen, dat hijzelf uit gescheiden kring afkomstig was), maar de muurvaste overtuiging als volkskerk met al haar zonde en gebrek niet een puur menselijk bouwsel was, maar zeer beslist een huis-des-Heeren, een kuriakè, een kerk die wij niet mogen verlaten of opsplitsen.'

Ook Scheers gaat in op de kerkvisie van Hoedemaker. Niet alleen in de vorige eeuw speelde deze een rol in de kerkelijke problematiek maar de kerkorde van 1951 is niet te begrijpen zonder enig besef van deze Hoedemakeriaanse visie op de kerk:

'Hiermee zijn we vanzelf bij Hoedemakers kerkideaal gekomen. De kerk is het lichaam, waarvan Christus het Hoofd is en waarin Zijn Woord uitsluitend gezag moet hebben. Aan dat primaire gezag van het Woord is de secundaire autoriteit van de belijdenis ondergeschikt. Geen belijdeniskerk met de confessie als een voor altijd vaststaande, onveranderlijke "leer". Dat is Mohammedaans. En evenmin als van het Woord mag de belijdenis losgemaakt en geïsoleerd worden van de kerk-orde. In een kerk zonder bijbelse kerkorde kan de belijdenis, als is ze nog zo zuiver, niet functioneren. In dit verband gebruikt Hoedemaker het bekende beeld van het "hart-op-sterk-water": "In het kabinet van den geneesheer staat een hart op sterk water. Het is niet nagemaakt, niet geboetseerd. Integendeel, zóó ziet mijn hart er uit en het uwe… Wat ontbreekt er aan? Dat hart behoorde in een lichaam. Dáár klopte het. Dáár is het geworden wat het is. Neem het weg en gij hebt alleen den vorm van het hart over". Zo kan de belijdenis alleen op de juiste wijze fungeren, wanneer zij het kloppend hart is in het levend lichaam der kerk. "Uit die Kerk is zij geboren, in die Kerk wordt zij gedragen en gevoed.. In een kranke Kerk leeft men niet uit en in de belijdenis. Het baat niet of men haar opnieuw oplegt, onderteekent, aanvaardt. Dat kan huichelaars maken, dienaars van den vorm, zelfbedrog voeden, maar het geneest niet".
Dus – om het afgesleten woord nog eens te gebruiken – reorganisatie, herordening, der kerk! Niet verhuizen, maar verbouwen! Grondig. Van de grond af! En de grond, het fundament, der kerk is Christus.
Maar nu hebben we nog niet de hele Hoedemaker. De volgende stap is geen kerkelijke, maar een "politieke". Deze levende, belijdende volkskerk zal op haar beurt het hart hebben te zijn van een volksleven, dat – om een uitdrukking van Van Ruler te gebruiken – een "christelijk gelaat" vertoont. Het "groot gezicht", dat Hoedemaker heeft gezien en waarvan hij telkens weer met profetische kleur heeft getuigd, is: het Nederlandse volksleven als een ellips met twee brandpunten: de nationale kerk en de christelijke overheid. Christelijk dan niet in deze zin (het grote verschil met Kuyper!) dat er zoveel mogelijk vertenwoordigers van het christelijk volksdeel aan de regering deelnemen, maar met dien verstande dat de overheid-als-zodanig gebonden is aan het Woord, waarbij de nationale kerk als uitlegster van het Woord optreedt. Zo wordt het "christelijk, protestantsch, gereformeerd karakter der natie" gehandhaafd. Met deze dingen, waarvan heel veel in het "kerkelijk denken" van onze generatie is opgenomen, heeft Hoedemaker vrijwel alleen gestaan. Bij tijden is deze eenzaamheid hem zeer bitter gevallen. Hij heeft het de anderen, evenmin als ons, ook niet gemakkelijk gemaakt hem te volgen. Want in zijn beschouwingen zit voor mijn besef een teveel aan idealisme. Het is alles te harmonisch, zowel de kerkelijke als de staatkundige zijde van zijn gedachtenwereld.
Voor Hoedemaker zelf is dit alles schriftuurlijk en dus een zaak van geloof. "Het is echter mogelijk", schreef ik aan het eind van mijn dissertatie in 1939 en daar blijf ik vooralsnog bij, "in God en Zijn leiding van Kerk en Staat in ons land ooit weer zó zal worden, als Hoedemaker hoopte en mogelijk achtte".
Met deze kritische reserve eindigen we echter niet. Want we vergeten niet dat Hoedemakers idealisme niet ontstaan is als een soort behagelijke wensdroom, maar dat deze man als weinig anderen in zijn tijd door de nood van kerk en volk is benauwd en hartstochtelijk heeft gesproken over de enige uitweg. Hoedemakers geschriften, in hun onregelmatige, grillige, lapidaire vorm, zijn noodkreten, gewetenskreten, van iemand die ziet hoe het donker als overspoelt en roept om het licht.'

Ik weet niet precies van wanneer dit artikel dateert. Maar als Scheers – naar ik vermoed uit de jaren na de 2e Wereldoorlog – toen al schreef over 'een teveel aan idealisme', hoeveel te meer staan wij dan in een tijd van kerkverlating van bepaalde gedachtengangen vreemd te kijken. Woorden als een nationale kerk en een christelijke overheid behoren voor ons gevoel tot een verleden tijd. Zo kan men het Nederlandse volksleven niet meer typeren. Betekent deze kritische reserve dat we aan Hoedemaker geen boodschap meer hebben? Ik meen dat dat van grote kortzichtigheid zou getuigen. De belijdenis dat het Woord Gods zeggenschap wil hebben over heel het leven en dat Christus een groot Koning is, aan Wie gegeven is alle macht in hemel en op aarde, staat en valt niet met een bepaalde cultuursituatie. Zij vormde het getuigenis van de kleine minderheidsgroepen in het Romeins imperium – groepen die er lijdend en strijdend van getuigd hebben – zij is ook in onze situatie het enige Woord dat waarlijk perspectief en uitzicht biedt.

A. N., Ede

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 augustus 1989

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 augustus 1989

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's