Voetius en de joden (3)
Bijzonder voorzichtig is Voetius als het gaat om de precieze invulling der dingen rond de toekomst van het joodse volk. Op dit punt treedt hij herhaaldelijk in gesprek met de Engelse theoloog Brightman, wiens verklaring van het laatste bijbelboek zo'n diepgaande invloed heeft uitgeoefend in ons land. Brightman was een uitgesproken chiliast, die heel ver gaat in de concretisering en periodisering van zijn hoop voor Israël. Hij was in de veronderstelling dat de toebrenging van Israël nog in de zeventiende eeuw zou plaatsvinden. Daarbij ging hij uit van een tweevoudige bekering: één onmiddellijk na de verwoesting van Rome en de andere na de vernietiging van de paus en de Turken. Voetius noemt dit soort gissingen zwak. Wel is ook hij ervan overtuigd, dat aan de bekering van de joden eerst de reformatie van het christendom vooraf moet gaan. Dan zullen de joden zien dat het pausdom niet het enige, laat staan het echte christendom is. De afgodendienst van Rome is een grote belemmering voor hen om tot Christus te komen. Toch betwijfelt Voetius of de reformatie, zoals die in zijn tijd gestalte heeft gekregen, voldoende zal zijn om de joden te overtuigen. Er is wel veel onwetendheid weggenomen, een aantal ergernissen is weliswaar uit de weg geruimd, maar wellicht moet toch nog een rijkere doorbraak van reformatie verwacht worden.
De Utrechtse theoloog is beducht voor een al te gedetailleerde inkleuring van de dingen die komen gaan. Of de joden de Turken of zelfs de anti-christ zullen overwinnen, zoals Brightman poneerde, is onzeker. Ook Brightmans overtuiging dat de joden hun land weer zullen bewonen, staat voor Voetius allerminst vast. Dat de joden na hun bekering tot aan het einde van de wereld in een luisterrijke situatie, afgescheiden van en onvermengd met anderen, zullen verkeren, is ook niet waarschijnlijk. Wat het tijdstip en de plaats van de bekering der joden betreft kan naar zijn inzicht niets met zekerheid worden vastgesteld. Ook blijft verborgen of het einde van de wereld spoedig daarop zal volgen, of niet. Kortom, van de manier waarop de chiliasten de toekomst van het joodse volk in kaart brengen, moet Voetius niets weten. Het duizendjarig rijk is voor hem niet meer dan een inbeelding. Hij heeft er zelfs een afzonderlijke disputatie aan gewijd om zijn bezwaren tegen het chiliasme uiteen te zetten. Voetius waarschuwt ervoor op grond van de Openbaring van Johannes al te concrete voorzeggingen te doen. Het meest veilig is om altijd deze uitspraak in herinnering te houden: 'De uitleg van alle profetieën, die nog niet in vervulling zijn gegaan, is duister'.
Rabbijnen
Na de bekering der joden volgens Rom. 11 : 25-27 uiteengezet te hebben, gaat Voetius in deze verhandeling nog in op enkele problemen die met de relatie kerk en jodendom te maken hebben. Hij gaat in de rabbijnse geschriften na, of daarin ook sprake is van een te verwachten algemene bekering der joden. Zijn antwoord luidt: Stellig niet een bekering tot het geloof in Christus, maar wel een andere. Onder de joden van zijn dagen leefde de sterke gedachte dat de komst van de Messias en de bevrijding uit de eeuwenlange ballingschap werden tegengehouden door de zonden van het joodse volk. Wanneer zij zich massaal van hun overtredingen bekeren (Voetius ontkent dat zoiets in hun eigen vermogen zou liggen, zoals de rabbijnen beweren), zou er aan hun ellendige situatie een einde komen. Voetius meent dat er onder het jodendom te lichtvaardig over de zonde gedacht wordt, hetgeen blijkt uit hun opvatting aangaan de vrije wil. Met name aan hun grootste zonde zien zij voorbij, namelijk het versmaden van de Messias. Verrassend is de grote bekendheid die Voetius hier aan de dag legt wat betreft joodse geleerden en rabbijnse geschriften zoals Talmoed en Kabbala. We komen vermaarde joodse namen tegen als rabbi Kimchi, Menasse ben Israël, Sel. Jarchi (= Raschi), Abarbaneel. Uit citaten blijkt dat hij de joodse bronnen zelf gelezen heeft. Voetius meent dat de talmoedisten en rabbijnen in veel opzichten dwalen. Hun zicht op de Messias is onbijbels, omdat zij de persoon, de taak en de afkomst van de Messias teveel betrekken op zijn mens-zijn. Niettemin erkent Voetius dat joden en christenen veel gemeenschappelijks hebben. De autoriteit van de Heilige Schrift wordt door beiden hooggehouden. En als het niet om dogmatische kwesties gaat, kunnen wij ook veel van de rabbijnen leren. Hun grammaticale en filologische kennis, voorzover deze een bijdrage levert aan de zuivere uitleg van het Oude Testament, kan van waarde zijn voor ons geloofsleven. Hetzelfde geldt van sommige verklaringen die we vinden in de Targoem en de Talmoed.
Een ander probleem dat Voetius aan de orde stelt, is welke rol het Oude Testament dient te spelen in de ontmoeting tussen kerk en jodendom. In de zeventiende eeuw waren er christenen die beweerden, dat deze basis te smal was en dat wij vooral de wonderen uit het Nieuwe Testament moeten aanvoeren om de joden te overtuigen van de Godheid van Christus. Voetius houdt staande dat de beste manier toch is om met elkaar te spreken rond de Schriften van het Oude Testament. Hij verwijst daarbij naar de leer en praktijk van Christus zelf en, van de apostelen, die de joden eveneens vanuit de Schriften weerlegd hebben. De wonderen van Jezus maken op het jodendom niet veel indruk, eenvoudig vanwege het feit dat ze het gezag van het Nieuwe Testament niet erkennen. En datgene wat men wel als wonder van Christus wil aanvaarden, wordt uitgelegd als toverij.
Voetius besluit zijn verhandeling door nogmaals in gesprek te gaan met Brightman over de uitleg van het laatste bijbelboek. Allerlei duidingen van de profetieën in de Openbaring voorziet hij van een vraagteken. Tenslotte besteedt hij aandacht aan enkele eigentijdse joodse sekten en onderbouwt hij met vele argumenten nog weer eens zijn stelling dat het tienstammenrijk niet begrepen is onder de belofte dat geheel Israël eens zal zalig worden.
Samenvatting
Wanneer ik de visie van Voetius op het joodse volk probeer samen te vatten, kom ik tot de volgende conclusies:
1) Over het concrete, eigentijdse jodendom kan Voetius zich kritisch en negatief uitlaten.
2) Anders dan bijvoorbeeld Calvijn beschouwt hij het 'gans Israël' uit Rom. 11 : 25-27 niet als het geestelijke Israël uit joden en heidenen, maar als het concrete joodse volk.
3) Op grond van Rom. 11 : 25-27 rekent hij met een massale bekering van de joden, wanneer de volheid der heidenen zal zijn ingegaan.
4) Het behoud van 'gans Israël' zal niet buiten de persoon en het werk van Christus omgaan. De algemene bekering der joden zal zijn een massale toewending tot Hem en het christendom.
5) Omdat de tien stammen sedert de Assyrische wegvoering zijn opgegaan onder de volken, zijn zij uitgesloten van de belofte van een algemene bekering.
6) Omdat God nog een bedoeling met Zijn volk heeft, mogen wij hen niet verachten, maar hebben hen volop ruimte in ons midden te geven en alle mogelijke middelen tot hun behoud aan te wenden.
7) In de ontmoeting met het jodendom zullen met name de Schriften van het Oude Testament een centrale rol moeten spelen, aangezien zowel joden als christenen aan deze geschriften goddelijk gezag toekennen.
8) Hoewel de rabbijnen op een dwaalspoor zitten wat betreft de kernzaken zoals de visie op de mens en de Messias, kunnen wij toch veel leren van hun kennis van het Oude Testament, met name wat betreft de taal. Voetius is terdege op de hoogte van joodse geschriften en is herhaaldelijk met rabbijnen in discussie.
9) In Voetius' spreken over de joden bespeuren we de invloed van vele andere auteurs. Naast de kerkvaders en reformatoren komen we namen tegen van vele eigentijdse theologen, waaronder ook enkele rooms-katholieke schrijvers (Galatinus en Raymundus). Opvallend is ook het veelvuldig citeren van Engelse godgeleerden. Welke bronnen Voetius evenwel ook raadpleegt, hij gaat er heel zelfstandig mee om en weigert deze of gene slaafs te volgen. Dat geldt zowel ten aanzien van de hervormers als van de puriteinen. Met name de chiliastische denkbeelden van iemand als Brightman wijst hij nadrukkelijk van de hand.
Verrassend
Het geheel overziende kunnen we zeggen, dat we met een verrassend geschrift te doen hebben. Aandacht voor het joodse volk en de joodse godsdienst is vandaag aan de orde van de dag. Maar wij leven wel na de Holocaust en na de stichting van de staat Israël. Het is verrijkend te ontdekken dat wij niet de enigen en zeker niet de eersten zijn, die zich uitvoerig met deze problematiek bezighouden. Ruim driehonderd jaar geleden waren er al theologen, die met grote kennis van zaken hierover spraken op college. Er waren ook predikanten die aan de toekomst van het joodse volk een plaats inruimden in hun prediking en gebeden. Het is dus niet waar, dat het bezig zijn met Israël nieuwlichterij is, een liefhebberij, die vreemd is aan de gereformeerde traditie, zoals sommigen beweren. Als één ding me steeds duidelijker wordt dan dit wel: juist in de Nederlandse theologiegeschiedenis van met name de zeventiende eeuw is een brede belangstelling voor het jodendom te signaleren. Over de volle breedte was men er mee bezig: kerkelijke vergaderingen, de volgelingen van Voetius (vertegenwoordigers van de Nadere Reformatie) en evengoed de Coccejanen, in veel opzichten tegenhangers van de Voetianen. Nooit heeft men om deze reden elkaar verketterd of veroordeeld. Zelfs aan de aanhangers van het chiliasme werd toch een zekere legitieme plaats ingeruimd. Men verschilde met elkaar op dit punt van mening, vele auteurs wezen deze leer scherp af, maar nooit kwam het in Nederland, voorzover ik weet althans, tot een officële veroordeling. Kennelijk was er een klimaat van openheid, van elkaar ruimte geven, van grondige studie en van open gesprek om zo iets van het geheimenis Gods aangaande het joodse volk te doorgronden. Het zou grote winst betekenen als deze geest opnieuw de boventoon zou voeren iii de huidige bezinning op de relatie kerk en Israël vanuit de Schriften.
M. van Campen, Woerden
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 augustus 1989
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 augustus 1989
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's