Jezus Christus tussen joden en christenen (II)
In de vorige bijdragen zagen we hoe dr. Vlaardingerbroek terecht de betekenis onderstreept van getuigend gesprek waarbij de Naam van Jezus Christus als Verlosser voor Israël en de volkeren niet verzwegen wordt. De vraag die daarbij altijd weer bovenkomt is: Hoe zit het na kruis en opstanding met Israël? Is er nog plaats voor Israël als volk van God? Of heeft – zoals eeuwenlang gezegd is – de kerk de plaats van Israël ingenomen? Met name sinds de veertiger en vijftiger jaren heerst er op een breed vlak een overeenstemmende visie dat deze zogenoemde 'vervangingstheorie' geen recht doet aan de Schrift en dat de relatie tussen de kerk en Israël niet op de noemer van het 'in plaats van' gesteld kan worden. Vooral Romeinen 9-11 vormen hierin een van de brandpunten waaromheen de bezinning zich afspeelt.
Geen vervanging, geen inlijving
Onder dat opschrift vat Vlaardingerbroek de conclusies van zijn betoog samen. De weg van God door de geschiedenis tot en met de komst van Jezus Christus loopt z.i. daarop uit dat er niet meer gesproken kan worden van een volk van God in etnische zin. Ook Israël is dat niet meer. Dat heeft niets te maken met verwerping van Israël als volk van God, maar veeleer met de voortgang van het werk van God. 'God vergaderde tot op de komst van Christus zijn gelovigen (zijn 'kerk') alleen uit Israël, sinds Christus vergadert Hij zijn gemeente uit Israël en de andere volken', lezen we op blz. 61. De schrijver is van mening dat we hier niet moeten spreken van een vervanging van Israël door de kerk, maar veelmeer met, als ik het met m'n eigen woorden mag zeggen een ruimtelijke, universele uitbreiding van het werk van God: de Heere vergadert zijn mensen uit alle geslacht en taal en natie, ook uit Israël. Bovendien is er een verschil inzake de verhouding tussen 'volk' en 'enkeling'. Tijdens het O.T. bepaalde de verkiezing van het volk de positie van de enkeling. In het N.T. bepaalt het geloof van de enkelingen wat het volk van God is (blz. 51). Vlaardingerbroek wijst ook de gedachte van de inlijving af als een judaïstische dwaling.
Ik heb hierbij wel de vraag of de auteur deze 'inlijving' niet te zeer benadert vanuit de problematiek van Handelingen 15. Is het hem toch niet ontgaan dat men ook op de wijze van Psalm 87 over 'inlijving' kan spreken? Moet het ons niet zeer aanspreken dat de gemeente na Pinksteren aanvankelijk een Messias-belijdende joodse gemeenschap was en dat de heidenen aan dit volk van God zijn toegevoegd? En – vooruitlopend op het vervolg – komt de schrijver met zijn ontkenning van de blijvende plaats van Israël als volk van God ongewild toch niet uit op een vervangingstheorie?
Maar laat ik de schrijver niet voortuidig in de rede vallen. De vraag is: wat zijn de argumenten voor zijn stellingname?
De aard van de profetie
Mijns inziens komen de argumenten van de auteur samen in zijn visie op de eigen aard van de profetie. De beloften aangaande het huis van David, aangaande een eeuwig verbond zijn niet onvoorwaardelijk. 'Alle beloften zijn waar en worden vervuld op voorwaarde dat mensen geloven en de Heere volgen en dienen' zegt de schrijver op blz. 52.
Hoe zit het dan met de profetieën die spreken van herstel als uiting en bewijs van Gods trouw? Vlaardingerbroek legt, als ik hem goed begrijp, sterke nadruk op de aard van het profetisch spreken dat zijn vervulling vindt in Jezus Christus zelf en niet in allerlei letterlijke, door ons na te trekken gebeurtenissen in de geschiedenis. Een profetie is meer dan een voorzegging die moet 'uitkomen'. Profetische prediking is oproep tot geloof en bekering. Bovendien kan bestudering van oudtestamentische profetieën ons leren dat ze boven directe vervullingen uitgaan en meer op het oog hebben. De beloften vinden hun vervulling in Christus en uiiteindelijk met het eind van de tijden en het herstel van alle dingen.
Vlaardingerbroek is zeer huiverig voor een duiding van de profetie waarin we a.h.w. de krant naast de Bijbel leggen en in de terugkeer van Israël naar Palestina of de oprichting van de staat Israël een stuk van die vervulling zouden zien. Dat leidt z.i. tot een zeer gevaarlijke vorm van geschiedenistheologie. Niet alleen is er sinds de komst van Christus niet meer sprake van een speciaal volk van God als etnische grootheid, maar ook niet de gedachte van een bijzonder land of bijzondere stad.
Ik meen dat we het motief van de schrijver ook hier ten volle recht moeten doen. Wie wel eens kennis genomen heeft van de wijze waarop met name allerlei 'vrije groepen' al of niet zich beroepend op Hal Lindsey de profetieën lezen, schrikt van het gemak waarmee allerlei politieke zaken geduid worden. Het lijkt me inderdaad hachelijk, om niet te zeggen gevaarlijk de huidige gang van zaken in Israël, het conflict met de Palestijnen, de implicaties van de staat Israël te 'dekken' met een aantal, vaak uit het verband gerukte profetische teksten. Dat de auteur zich tegen een dergelijk Schriftberoep verzet lijkt me volstrekt juist.
Vragen
Toch roept zijn visie een groot aantal vragen op. De schrijver rekent, als ik hem goed begrijp met een aanvankelijke vervulling van de profetie in de komst en het werk van Christus en een definitieve realisering van de profetie in het eschaton. Dat lijkt me een vruchtbaar uitgangspunt. Maar moet men dan niet veel meer dan de schrijver doet, rekenen met de plaats van Israël in Gods heilsplan? Blijven de Oudtestamentische beloften aangaande het volk, het land en Jeruzalem niet van kracht, als beloften die in het laatst der dagen tot vervulling komen? En betekent die uiteindelijke vervulling ook niet dat Israël als het door God uitverkoren volk in zijn land kan wonen? Is er op dit punt toch niet een oudtestamentisch 'tegoed' dat perspectieven ontsluit ten aanzien van de weg van God met Israël? Mag men zelfs in dit licht niet spreken over de staat Israël als teken van de trouw van God jegens zijn volk? Een teken! Niet meer, en niet minder. Is bovendien het spreken van de Schrift ten aanzien van Israël als volk Gods en ten aanzien van de betekenis van Jeruzalem niet rijker dan de m.i. ongenuanceerde conclusie van dr. Vlaardingerbroek dat er na Christus' komst van Israël als volk Gods geen sprake meer is?
Ongetwijfeld is de 'verwijding' die de auteur bepleit aanwezig (vgl. bv. 1 Petr. 2 : 9; Ba. 1 : 1; Ef. 2 : 19-22). Maar doet de schrijver bv. recht aan de lofzang van Simeon: icht tot openbaring voor de heidenen en heerlijkheid voor uw volk Israël? Waarom gaat hij nagenoeg voorbij aan Efeze 2 en 3? En wat betreft de plaats van Jeruzalem? Spreken Luc. 13 : 35 en 21 : 24 toch niet van een toekomst voor deze stad? Wat is de theologische betekenis van de centrale plaats die Jeruzalem ingenomen heeft in het bestaan van de jonge gemeente? Op al deze punten heeft het betoog van de auteur me niet overtuigd. En met name geldt dat de wijze waarop hij Romeinen 9-11 ter sprake brengt.
Romeinen 9-11
Terecht wijst de schrijver een twee-wegen leer af. Terecht wijst hij op de betekenis van het geloof in Christus, ook voor Israël! Ook ga ik met hem mee als hij het woordje 'houtoos' in Rom. 11 : 26 vertaalt met: zo, langs die weg. Maar dat juist impliceert m.i. dat de verwerping van Israël niet definitief is. Voor mijn gevoel geeft de schrijver toch wel een erg 'smalle' uitleg aan Romeinen 11 : 1 en aan de verzen 16-24 van dit hoofdstuk. Stellig is het juist dat we in deze verzen geen heilsweg voor Israël mogen lezen buiten Christus om. Maar wel licht er een perspectief op voor dit volk. We mogen grote dingen verwachten van onze God, ook al is het 'dat' van deze verwachting duidelijker dan het 'hoe'. Volgens Vlaardingerbroek gaat het in de verzen 25vv, de woorden over het ingaan van de volheid der heidenen en de gedeeltelijke verharding die over Israël gekomen is, om dingen die voor Paulus binnen afzienbare tijd zouden gebeuren. Letterlijk schrijft hij op blz. 67: 'Wat geldt van het 'geheimenis' van 1 Kor. 15 : 51 geldt evenzo voor het 'geheimenis' van Rom. 11 : 25. Het overeenkomstige spraakgebruik op beide plaatsen wijst op een overeenkomst in de sfeer van gedachten waarin we ons hier bevinden: het nabije laatste der dagen'. Met het wegvallen van deze verwachting van de wederkomst van Christus op zeer korte termijn (Paulus heeft deze verwachting later zelf gecorrigeerd, zie bijv. 2 Thess. 2) is ook de grond weggevallen aan een bijzondere toekomst van Israël te denken.'
Hier kan ik de schrijver absoluut niet volgen. Vooreerst dateren de meeste geleerden de brief aan de Romeinen omstreeks 56/57, terwijl men de tweede brief aan de Thessalonicenzen omstreeks 50/51 plaatst. Van een latere correctie – later nl. dan Rom. 11 – kan dus geen sprake zijn. En het is toch wel erg vreemd om te veronderstellen dat de apostel in Rom. 11 iets beweert wat hij 6 jaar tevoren al herroepen zou hebben. Ernstiger nog is het inhoudelijke bezwaar tegen de argumentatie van dr. Vlaardingerbroek. Ik begrijp wat hij bedoelt met zijn opmerkingen over de nabije verwachting. Het is inderdaad aannemelijk dat de apostel met een geschiedenis van eeuwen niet gerekend heeft. Maar mag men daarom zeggen dat die verwachting daarom weggevallen is? Komt de schrijver – wat hij niet zal bedoelen – niet gevaarlijk dicht in de buurt van die geleerden die ronduit zeggen: 'Paulus heeft zich vergist. De wederkomst is uitgebleven. We hebben aan zijn woorden over de wederkomst af te wachten geen boodschap meer.'
De grond voor de nabije verwachting ligt immers niet in het gegeven van op een zeer korte periode die ons scheidt van de wederkomst, neen, de apostolische prediking dat de dag nabij is en voor de deur staat rust op grondslag van het feit dat met de gebeurtenissen van kruis en opstanding de laatste dagen zijn aangebroken. Op grond van het feit dat de heilsbedeling in Christus is aangebroken kan de apostel getuigen in de vooruitgrijpende kracht van het geloof, dat Christus ' komst in werkelijkheid aanstaande is! Die verwachting valt niet weg, ook wanneer gezegd moet worden dat de tegenwoordige wereldtijd langer duurt dan in de nabijheids-uitspraken ligt opgesloten.
Ik zou collega Vlaardingerbroek willen herinneren aan de uiteenzettingen van Ridderbos in zijn grote boek over de theologie van Paulus (blz. 544 w). Op blz. 554 lees ik: 'Het gaat in het "nabij" ten diepste niet om het belang van de lengte van de tussentijd, maar om de onafscheidelijkheid van het futurum van het perfectum'. Als Paulus in dit kader getuigt van zijn verwachting voor Israël kan men m.i. niet zeggen: door de verlenging van de tegenwoordige wereldtijd is de grond voor de verwachting van een bijzondere toekomst voor Israël weggevallen.
Ik kom tot een afronding. Ik heb slechts enkele punten kunnen aanroeren. Er zou m.i. met de auteur ook indringend gesproken moeten worden over de aard van het verband tussen belofte en geloof(sgehoorzaamheid), alsmede over de aard van de verkiezing. Resumerend zou ik willen zeggen: De auteur biedt een aantal noodzakelijke correcties op de gangbare Israëltheologie, maar loopt m.i. gevaar daarin niet gehoord te worden, omdat hij voor mijn gevoel teveel stappen terug doet. Met veel badwater wordt ook het kind van de Israëltheologie overboord gegooid. Dat vind ik jammer en teleurstellend. Want in feite keert de schrijver daarmee terug tot een visie waarvan we in het befaamde artikel VIII van de kerkorde ten aanzien van Israël afscheid hadden genomen. En dat lijkt me nu niet bepaald een goede zaak voor wie ten aanzien van Israël bijtijds willen geloven.
A. Noordegraaf, Ede
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 augustus 1989
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 augustus 1989
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's