De ellendige aangezien!
'Ik ben wel ellendig-en nooddruftig, maar de Heere denkt aan mij; Gij zijt mijn Hulp en mijn Bevrijder; o mijn God vertoef niet'.Psalm 40 : 18
Psalm 40 is een bijzondere psalm. De apostel trekt de lijnen van deze psalm van David regelrecht door naar Christus! Hij heeft de woorden van deze psalm ten volle tot de Zijne gemaakt (lees Hebr. 10 : 5-1). De oudtestamentische offers waren in zichzelf niet genoeg om verzoening te doen over zonde. Christus zei: 'Ik kom om Uw wil te doen, o Heere!' Zo heeft Hij in de weg van Zijn volkomen offer genade aangebracht voor ellendigen.
Maar ook in een ander opzicht is deze psalm bijzonder. Deze psalm begint als een danklied. De Heere heeft een nieuw lied in Davids mond gegeven (vs. 4). David jubelt het uit: 'Gij hebt Uw wonderen en Uw gedachten vele gemaakt!' (vs. 6). Ligt nu alles vlak en zijn er geen moeiten meer? Bepaald niet! Hoogte en diepte liggen heel dicht bij elkaar. Nu mogen we het leven des geloofs nooit een vast patroon maken. De Heere levert in de weg, die Hij met de Zijnen gaat geen confectiewerk af! De Schrift en in het bijzonder de psalmen zijn er echter vol van hoe de Heere Zijn kinderen leidt als door een weg van bergen en van dalen, hoogten en diepten, lofprijzing en smeekbede liggen dicht bijeen. Ook in deze psalm, die begint als een danklied en eindigt in een smeekgebed! Wat ligt daar alleen al een bemoediging in voor allen die – heen en weer geworpen tussen hoop en vrees – vragen: Zou dat nu bij anderen ook zo zijn? Kan het antwoord niet heel eenvoudig zijn? Lees er de Bijbel maar op na! Niet alleen David, maar ook een Asaf of een Petrus om er niet meer te noemen.
De Heere geeft een nieuw lied. En dan toch ook: deze ellendige riep! De psalm geeft geen duidelijk aanknopingspunt om met zekerheid te zeggen uit welke periode van Davids leven hij komt. Blijft het niet eigen aan het leven van Gods kerk zolang zij op aarde vertoeft?
De werkelijkheid van het leven buiten het paradijs wordt ervaren. Dat gaat voor David niet buiten zijn zonde om. Hij zegt immers: 'Mijn ongerechtigheden hebben mij aangegrepen' (vs. 13). Zijn ellende is meer dan alleen de kommervolle levensomstandigheden waarin hij verkeert. De 'ellendige' was in Israël iemand die geen eigen grondbezit (meer) had. Na verdeling van het land onder Jozua had iedere stam en ieder geslacht een erfdeel ontvangen in het land der belofte. Dat was niet zomaar een willekeurig stuk grond. Dat erfdeel was een onderpand aan de komende Messias. Die eenmaal in dat land Zijn voetstappen zou zetten. Daarom kon Naboth zijn wijngaard niet aan Achab verkopen (I Kon 21), zelfs niet voor de beste prijs, want het zou de verloochening van Christus betekenen! Toch kwam het wel voor dat men zijn bezit kwijtraakte. Soms door onrechtmatig geweld, zoals Naboth. Ook wel door verarming, zoals Elimelech en Naomi. Allerlei voorschriften over het sabbatsjaar, het jubeljaar en het losserschap moesten ertoe bijdragen, dat men zijn onderpand aan de komende Zaligmaker niet zou verliezen. Gebeurde dat toch dan was men met recht 'ellendig'. Men stond dan ook menigmaal bloot aan verdrukking en verachting.
Nieuwtestamentisch vertaald is dan de ellendige de mens die het gezicht op Christus is kwijtgeraakt. We kunnen met alle genade die de Heere ons bewees en alle onderpand, dat we ervan ontvingen, toch nog weer in de duisternis terechtkomen. We kenden in ons leven de tijd van het danklied. De Heere gaf ons een nieuw lied! En dan toch weer: Ik ben ellendig en nooddruftig! Leest u eens goed: ellendig èn nooddruftig. Het drijft David uit in het gebed! Wat zijn er velen voor wie de ellende niet tot nood werd! Ze weten misschien breed uit te meten de diepe val van de mens, de ellende van ons verzondigd bestaan. En toch werd het niet tot een nood, die naar de Heere deed vragen. Hoe is dat met u?
Viel het u op, dat ik bij het neerschrijven van onze tekst een paar regels hierboven, iets wegliet? Het woordje 'wel'. Er staat 'ik ben wel' – 'maar de Heere'. Daar ligt als het ware het nochtans van het geloof tussen. 'De Heere denkt aan mij!' Hoe weet David dat? De Naam Gods in onze tekst is Zijn verbondsnaam: HEERE, dat is 'Ik zal zijn, Die Ik zijn zal'. De God, Die in Israël Zijn dienst had ingesteld van slachtoffer en spijsoffer. Een dienst, die in zichzelf onvolkomen was, maar die heenwees naar de komende Verlosser. David kon het dus weten, dat de HEERE aan hem dacht niet uit bijzondere openbaringen, maar in de middellijke weg. Wat moeten wij ons voorstellen bij dat denken van de Heere aan de ellendige?
Dat is geen onbewogen denken. Het is een bewogen denken, bewogen door innerlijke barmhartigheid. Wilt u daar een prachtig bijbels voorbeeld van? Denkt u dan eens aan Stefanus. Wat is die 'ellendig en nooddruftig'! Hij wordt gestenigd. Men ontzegt hem zijn plaats in Israël! Dan ziet hij de hemel geopend en daar een staande Jezus aan de rechterhand Gods. Gewoonlijk spreken we over het 'zitten' van Christus aan de rechterhand Zijns Vaders. Dat zitten is vol van de rust van Zijn overwinning. Maar die rust komt niet in mindering op Zijn priesterlijke barmhartigheid met Zijn kerk op aarde. Eenmaal zei de Heere tegen Mozes: 'Ik heb zeer wel gezien de verdrukking van Mijn volk, hetwelk in Egypte is' (Ex. 3 : 7).
Had dat volk het dan verdiend? Toen niet en daarna evenmin! Maar de Heere gedacht aan hen naar Zijn belofte aan Abraham, Izaäk en Jakob.
De Heere ziet het aan. Hij gedenkt! Dan ziet Hij het hart dat schreiend tot Hem vlucht, dat ook in het midden van de ellende als een nooddruftige tot Hem roept! Dan is er wat te verwachten! Als is het een roepen uit een ruisende kuil, uit modderig slijk. Dan is er alleen maar te pleiten op de ontfermingen Gods om het volkomen offer van Christus. Hij getuigde: 'Ik kom, o God, om Uwen wil te doen!' Hij heeft het gedaan. Al wat de Vader van Hem eiste heeft Hij volbracht tot een volkomen verzoening! Voor wie? Voor een ieder die belijden leert nu juist niet anders te zijn, dan een tegenstrever van de wil Gods en dat na ontvangen genade nog in zo menig opzicht te blijven ook! Dan zijn er bij de Heere uitkomsten. 'Gij zijt mijn Hulp en mijn Bevrijder'. Wat hebben we veel hulp nodig in alle wegen, die wij gaan moeten, vaak door veel moeite en zorg, strijd en aanvechting heen. Het is er bij de Heere! Wentel uw weg op Hem! Bevrijding: dat spreekt van volkomen verlossing. Dan vallen alle kluisters af. Alle banden des doods moeten wijken! Is dat altijd zo overvloedig in de beleving? Deze psalm is vol van die slingering, die het geloof op aarde (helaas!, want er ligt zoveel schuld in!) nog kenmerkt. 'O, mijn God, vertoef niet!' Hoort u het verlangen naar de volkomenheid van Gods genade. Wat is dat anders dan het diepst verlangen van een ieder die op deze aarde een pelgrim werd op weg naar de volkomen verlossing. De zekerheid ligt in de beloften Gods. Hij is de HEERE, die trouwe en trouwhoudende God dwars door alle wederwaardigheden heen. De aanvechting ligt in alles wat we nog tegenkomen op de weg des levens en niet in het minst in onze eigen zwakheid en onvolkomenheid. Om dan te mogen leven uit het nochtans van het geloof: 'ik wel… maar de HEERE!'.
Schoon 'k arm ben en ellendig.
Denkt God aan mij bestendig;
Gij zijt mijn hulp, mijn kracht.
Mijn Redder, o mijn God,
Bestierder van mijn lot.
Vertoef niet, hoor mijn klacht!
P. Kolijn, Krimpen a/d IJssel
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 september 1989
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 september 1989
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's