Uit de pers
Ouderen en samenleving
Het blad Wapenveld wijdde een themanummer (mei/juni '89) aan de problematiek van de vergrijzing. Een vraagstuk dat ons nu en in de toekomst voor grote sociale en financiële vragen stelt. Dr. J. P. Verhoogt gaat in zijn bijdrage in op het gegeven, dat vanwege de inkrimpende verzorgingsstaat de groeiende categorie van de ouderen onder druk komt te staan. Moeten ouderen zich daartegen politiek wapenen door middel van acties en pressure groups? Verhoogt acht een botsing van elkaar bestrijdende belangengroepen, die zich ieder laten bepalen door hun eigen verlangens niet heilzaam voor een gezond functionerende democratie. Regering en volksvertegenwoordiging dragen een eigen politieke verantwoordelijkheid. Sanering van voorzieningen mag niet ten koste gaan van hen die ze nodig hebben.
'Tegelijk met het terugtreden der verzorgingsstaat wordt van overheidswege thans veelvuldig een appèl gedaan op de zgn. zorgzame samenleving. Daarbij ten slotte een kritische kanttekening. Voorop zij gesteld dat zorgzaamheid voor de kwetsbare medemens de kern vormt van de Christelijke naastenliefde en in velerlei Christelijke instituties van barmhartigheid vaste vorm heeft gekregen. Te waarderen valt daarbij dat de overheid steeds meer die zorgtaken is gaan vervullen die door de burgers en hun vrijwillige organisaties niet meer op te brengen waren. Geconstateerd moet echter worden dat deze ontwikkeling de afgelopen decennia is doorgeschoten toen de overheid zich de garantie van het welzijn van alle burgers ten doel ging stellen. Deze scheefgroei in de opvatting der overheidstaak komt in de term "verzorgingsstaat" zelf reeds treffend tot uitdrukking. Op het moment dan dat de overheid vanwege een gebrek aan middelen deze overtrokken verzorgingspretentie niet meer waar kan maken gaat zij ertoe over de samenleving op moraliserende wijze op haar zelfzorgzaamheid aan te spreken. Zulk een moreel appèl op zelfzorgzaamheid riekt naar opportunisme en komt dan ook niet overtuigend over. Een appèl van de overheid op de zelfzorgzaamheid der samenleving overtuigt pas wanneer de overheid eerst zelf weer zorgvuldig met haar eigen primaire verantwoordelijkheid omgaat. Dat betreft handhaving der rechtsorde en der openbare veiligheid. Dat de overheid, druk doende met vaak oneigenlijke zorgpretenties, deze primaire verantwoordelijkheid verwaarloosde is veel burgers, met name de ouderen onder hen, een dagelijkse zorg. Pas via de omweg van zorgzaamheid voor haar eigen verantwoordelijkheid kan de overheid een overtuigend beroep op de zelfzorgzaamheid der samenleving doen.'
Naast de politieke vraag is er uiteraard ook de vraag naar de waardering van het oud-zijn. Een cultuur die tot in de reclame toe alle nadruk legt op jeugd, vitaliteit, fitheid, etc. loopt gevaar de betekenis van de ouder wordende mens voor leven en samenleven te miskennen. Dr. O. Jager schrijft in hetzelfde nummer: 'Bejaarden zijn mensen die aangekeken worden door ogen, die vragen: wanneer? Men bestempelt hen voortdurend met het woordje 'nog'. Zij loopt nog best, hij denkt nog helder'. Onze indeling van mensen in jong en oud is aldus Jager pas aan het eind van de 19e eeuw ontstaan. Bijbels bezien zal men moeten zeggen dat ook al weet de Schrift van de zwakheid van de oude dag, het oud-zijn in positief licht staat. Juist de gemeente van Christus zou daarom een oefenplaats moeten zijn om de wijsheid van de oude dag in haar leven en werk te integreren.
Kerstening
Artikel VIII van de Kerkorde spreekt over de arbeid van de kerstening waartoe de kerk geroepen is en waartoe zij zich tot overheid en volk wendt, om het leven naar Gods geboden en beloften in te richten. Op de achtergrond staat het denken van Hoedemaker, wiens honderdvijftigste geboortedag dit jaar herdacht wordt. Is deze notie van de kerstening achterhaald door de secularisatie? Moeten we artikel VIII schrappen, herformuleren of herinterpreteren? Het blad Kontekstueel (aug. 1989) gaat op deze vragen in. Dr. K. Blei is van oordeel, dat we de kritiek natuurlijk serieus moeten nemen – wij leven niet meer in 1951 – maar dat we niettemin ons twee keer moeten bedenken alvorens we de kersteningsgedachte zouden schrappen. Blei spreekt over een waarachtige, in Gods Woord gefundeerde democratie en vrijheid. De Kerk mag daarom niet zwijgen en zal ook nu de samenleving hebben op te roepen tot de bijbelse gerechtigheid. Men kan zich afvragen of de kersteningsnotie daarin opgaat en bovendien of de binnenkerkelijke problematiek het getuigenis naar buiten niet verlamt. Moeten we niet eerst aandacht geven aan de vernieuwing van de gemeente en aan de persoonlijke levensvernieuwing? In een boeiend en geladen artikel schrijft mr. A. W. Kist over de jaren 1951, de geloofskrisis van de tachtiger jaren en de noodzaak tot omkeer. We zijn er niet met beleidsmaatregelen, hoe nodig ook.
'Alleen weet ieder van hen ook, dat het ditmaal in de kerk om een zware geloofscrisis gaat en dat de meeste maatregelen het uiteindelijke doel niet bewerkstelligen, als niet – anders dan in vroegere kerstenings- en herkersteningssituaties! – heel gewone, moderne mensen van nu toch zoals de stokbewaarder te Filippi (dus niet allereerst de prominenten in onze civilisatie) weer de levensvraag stellen, hoe ze behouden kunnen worden, en, na het Woord Gods van de hedendaagse apostelen te hebben gehoord, zich verheugen gaan dat zij "tot het geloof in God gekomen" zijn (Hand. 16 : 34)!
Voor deze ommekeer in onze tijd is het essentieel en onmisbaar om deze hoogst persoonlijke ervaring van Gods ontferming en herschepping tot een nieuw leven onder Christus' Koningsschap in de westerse samenleving beleefd te hebben! Pas zo en daar zal de overwinning van de totalitaire geloofscrisis beginnen, zich breed maken en weer de samenlevingspatronen vernieuwend binnendringen.
a. Dit alles betekent dat deze allen aanvretende geloofscrisis niet bedwongen zal kunnen worden dan door een radicaal proces enerzijds van persoonlijke geloofsvernieuwing bij velen, anderzijds van een fundamentele vernieuwing van het kerkelijk/gemeentelijk leven, welke beide processen tesamen vloeien in een gelijktijdig ontsteken van een voortgaand vernieuwingsproces van onze westerse en mondiale samenleving. Om minder gaat het niet.
b. Het zou nu van wonderbaarlijke betekenis kunnen zijn dat in de zomer van 1987 min of meer toevallig door de Wereldraad van Kerken het driejarig plan van een Conciliair Proces in alle landen werd gelanceerd uitlopend op een Wereldconvocatie in 1990, waarin de kerken, parochies, gemeentes en gemeenteleden, waar ook, geconfronteerd zouden worden met Gods grote beloften van Christus' Rijk: Gerechtigheid, Vrede en Heelmaking van Zijn Schepping! In die opzet – mits goed uitgewerkt – schuilen nl. alle ontstekingsmechanismen die God de Heilige Geest – naar de mens gesproken – gebruiken kan om de vonken te verwekken die het vuur voor de genoemde vernieuwingsprocessen aan de gang kunnen brengen en gaande kunnen houden!
c. Alles hangt dan af van de aanpak van dit universeel conciliair proces; worden het weer de zoveelste thematische beschouwingen van de Oekumene of (zoals de Assemblee van de Wereldraad in 1983 in Vancouver het zelf uitdrukkelijk geformuleerd heeft) een actuele veranderings-beweging nl.: "zich in te zetten in een conciliair proces van wederzijdse toewijding (verbond) aan gerechtigheid, vrede en heelmaking van de schepping"! Dan gaat het niet meer om drie "interessante onderwerpen", maar om samen zelf dagelijks anders te gaan leven! Verbonden, afspraken!
Daarom is het thans in ons land van het grootste belang of onze gemeentes volstaan met beschouwingen over de drievoudige thematiek of dat zij zich existentieel begeven in de daadwerkelijke dagelijkse worsteling om gerechtigheid, vrede en heelmaking van de schepping volgens concrete verbonden en gemeenschappelijk gemaakte afspraken over hun dagelijks levensgedrag, privé en in de samenleving!
Als die daadwerkelijke ommekeer als daden van gehoorzaamheid aan Christus' Koningschap zou plaats grijpen, zouden de boven omschreven vernieuwingsprocessen van geloof, kerk en maatschappij toch nog bewaarheid kunnen worden!
Wie weet is het al in Bazel geschied! En zal het op 16 september a.s. in Utrecht geschieden! Op de Kerkendag!
Geen kerstening, of herkerstening dus door menselijke manipulaties, maar door het vreemde grote werk van God de Heilige Geest – bij verrassing.'
Het is de moeite waard naar deze stem te luisteren. Hier wordt de thematiek van het conciliaire proces niet losgemaakt van de persoonlijke levensvernieuwing door de verzoening met God in het geloof Wie herkent dit verlangen niet waarvan Kist getuigt? Voor de christelijke gemeente betekent dit primair concentratie op eredienst, pastoraat, toerusting, opdat de gemeente iets mag uitstralen van het 'gij geheel anders, ge hebt Christus leren kennen'. Zo – in de onderkenning van de machten die onszelf bedreigen, in de strijd tegen de zonde in ons eigen midden – zullen we getuigend kunnen spreken, niet als betweters maar als mensen die gegrepen zijn door het Woord van Christus. Ik geef Blei toe: In het licht van Mattheüs 28 : 18 is de notie van de kerstening onopgeefbaar. Niet als triomfalistisch program, maar veel meer op de wijze waarop de eerste gemeente in de navolging van Christus daaraan uiting gaf. Deze concentratie betekent geen reductie tot de binnenkamer. Terecht wijst Kist op de betekenis van de thema's van het conciliaire proces. Maar dan zal dit proces wel een duidelijke bijbelse onderbouwing moeten hebben en niet voorbij mogen gaan aan het hart van het evangelie: verzoening en bekering.
Messiasbelijdende joden
In Kerknieuws van 25 augustus spreken twee redacteuren met dr. J. Haitsma en drs. M. van Campen over de betekenis van de Messiasbelijdende joden voor de ontmoeting tussen Kerk en Israël. Uit dit gesprek het volgende fragment:
'Veel Messiasbelijdende joden weigeren zichzelf christen te noemen. Wat is daar de reden van?
Van Campen: "Dat heeft zijn oorzaken in de geschiedenis. In het verleden waren er theologen die het joodse volk als afgedaan beschouwden. Joden die de Messias beleden werden volgens hen losgesneden van hun joodse wortels en dus jood-af. De Messiasbelijdende joden zeiden echter: ik word geen jood-af. Juist door het belijden van de Messias komt mijn jood-zijn tot volle ontplooiing. Hij is immers aan het joodse volk beloofd. Ik denk dat ze daar gelijk in hebben."
Haitsma: "Ik wil helemaal niet negatief over deze Messiasbelijdende joden spreken, maar van deze aarzelingen om zich christen te noemen en om de kinderen te laten dopen, vind ik niets terug bij Da Costa en Rottenberg. Bij deze mensen voel ik mij toch beter thuis."
Van Campen: "Het is wel opvallend dat na de Tweede Wereldoorlog er bij de Messiasbelijdende joden veel meer een zoeken is geweest naar een eigen identiteit, bijna een eigen beleving van het gemeente zijn. Met name in de kring van Hadderech zie je dat."
Wat is voor u de reden om u zo bezig te houden met deze groep mensen en om er zelfs een serie boeken over samen te stellen?
Van Campen: "Ten eerste omdat ze in de Schrift een belangrijke rol spelen. Ten tweede omdat wij aan deze joden toch wel op een bijzondere wijze zijn verbonden. Maar ook moet je vandaag de dag constateren dat deze joden tussen wal en schip zijn gevallen. Voor het jodendom zijn ze overlopers naar het andere kamp en binnen de christelijke kerk blijven ze vaak in de kou staan. Ik vond het ook heel schrijnend om te horen dat binnen Nes Amim geen Messiasbelijdende joden worden toegelaten. Hetzelfde geldt voor het Ojec."
Hoe staat men binnen de Hervormde Kerk en de Gereformeerde Kerken tegenover de Messiasbelijdende joden?
Van Campen: "Ik denk dat er een kentering gaande is. Tot voor een jaar of vijf was er bijna geen contact met Messiasbelijdende joden. Maar mede door een aantal mensen als mevrouw Rebecca de Graaf en mevrouw Eberlee, die contact gezocht hebben met kerkmensen, zie je dat er bij voorbeeld binnen de Hervormde Raad voor Kerk en Israël een toenemende aandacht is voor Messiasbelijdende joden. Maar het is vrij minimaal. Er zijn wel veel contacten met joden via het Ojec. Maar met de Messiasbelijdende joden is dat minder het geval."
Het is verheugend dat juist op dit punt er sprake is van hernieuwde aandacht en bezinning.
A. Noordegraaf, Ede
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 september 1989
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 september 1989
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's