De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De vrucht van de hoop

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De vrucht van de hoop

8 minuten leestijd

In het geweldige hoofdstuk over de liefde in 1 Corinthe 13 staat aan het einde een geweldige tekst. En nu blijft geloof, hoop en liefde, deze drie: doch de meeste van deze is de liefde. 'Nu' geeft in het totaalverband geen tijd, maar een gevolgtrekking aan. Ook geloof en hoop blijven in de voleinding. Het eerste, namelijk het geloof, heeft in de zin van vertrouwen en als bewijs der dingen, die men niet ziet, ook in de hemel een taak. Evenzo de hoop als de zekere verwachting, dat de zaligheid blijvend is. Maar de liefde is de meeste, omdat zij alle verhoudingen doortrekt en heel de levensrichting bepaalt.

Hoop
Wij letten nu eens heel bepaald op de hoop. De apostel zet deze vrucht der genade heel nadrukkelijk in het midden van het edele drietal. Hij duidt er mee aan, dat hij de hoop als een wezenlijk deel van de godsdienst van het hart beschouwt. Dat is voor de predikanten een stille wenk om het leerstuk van de hoop niet, zoals soms gebeurt, op de achtergrond, maar op de voorgrond te plaatsen. Wij mogen daarom aan de gemeente zeggen, dat de Schrift een sterkere zin aan het woord 'hoop' verbindt, dan wij dit in het gewone leven plegen te doen. Hoop in de schriftuurlijke zin, is geen onzekere, maar een zekere verwachting van toekomstig heil. Zij is inwachting der zaligheid.
Op heel tere manier ondervonden wij dat onlangs bij een ziekbed. De zieke zei, dat hij toch zulk een oude dag niet had verwacht. Een langdurig ziekbed, een minder worden van de lichaamskrachten, een trager functioneren van de geestvermogens. Neen, dat viel bitter tegen. Hij had vaak gebeden, dat de Heere hem maar wegnam. Wat moest hij nog alleen in de wereld doen? Hij had zo'n verlangen naar het hemels vaderland. En opeens kwam er een glans in de ogen en de stem. Een verrukking kwam er over geheel zijn lichaam. Een siddering beving hem met hemelse blijdschap. O, dat vaderland, dat vaderland – dat is nu mijn enige hoop. En, klonk tot afscheid de overtuigende boodschap: als u mij nu straks niet meer thuistreft, dan weet u, waar ik zit! Er viel een diepe ontroering over ons, toen wij heengingen. U weet dan, waar ik zit…! Al het levensleed werd gedragen in de verwachting van de hemelse toekomst.
U begrijpt al, dat een opwekking naar deze hoop te staan, ons niet ongelegen komt. Er zijn zo weinig mensen zeker van hun zaligheid. Ja, er zijn velen in ons midden, die het maar uiterst verdacht vinden, wanneer iemand zich verzekerd houdt van zijn zaligheid. En goed – de lichtvaardigheid, waarmee vele belijders zich van hun zaligheid verzekeren mag dan tot dit wantrouwen aanleiding geven. Toch mag het niemand er toe brengen om de verwachting van de zaligheid als een zaak te beschouwen, die vele gelovigen nooit, maar anderen eerst op hun sterfbed en enkelen slechts in dit leven te beurt valt.

Abnormaal
Bekommering mag niet als de normale staat van het christelijke leven worden aangemerkt. Een leven tussen vrees en hoop in mag nooit het maatgevende heten. Gemis aan zekerheid berooft ons van de blijdschap, dooft de heldenmoed, stompt de prikkel van de dankbaarheid af. Het kan toch niet bestaan aldoor onzeker te zijn van ons behoud, van het vaderschap Gods over mijn leven en over Gods levensleiding. Daarom mag door de prediking de ster der hoop flonkeren.
Laat er intussen wel klaarheid bestaan over de weg tot deze zekerheid. Velen leven daaromtrent met uiterst schimmige gedachten. Zij denken, dat de verzekering van Gods heil tot stand komt door een bijzondere openbaring. Dat zij ons gegeven wordt in de vorm van een gezicht of van een stem of van een met kracht op het gemoed vallend Schriftwoord. Inhoud van deze openbaring is dan de verzekering, dat God ons verkoren, liefgehad heeft, de zonde vergeven, tot zich bekeerd heeft. Op die manier zou dan ons behoud voor immer vaststaan.

Klaarheid
Maar onze belijdenis leert heel wat anders. Zij ontkent in de Dordtse Leerregels, V, 10 dat de bewuste verzekering ontstaat uit een bijzondere openbaring, zonder of buiten het Woord gedaan. Zij komt daarentegen alléén voort uit het geloof aan de belofte Gods, die Hij in Zijn Woord overvloedig tot onze troost heeft geopenbaard.
Dat is een gewichtig punt. Het is de moeite waard, daarbij wat langer stil te staan. De belofte, aan welke het geloof stof tot hoop ontleent, is die, welke aan het Evangelie verbonden is. Zij komt hierop neer, dat een ieder, die in de gekruiste Christus gelooft, niet verderft, maar het eeuwige leven heeft. Geloven wij nu in Christus, zo mogen, ja, zijn wij schuldig ons verzekerd te houden, dat het eeuwige leven ons gegeven is. Op die manier heeft de gelovige van het moment dat hij gelooft af, reden om te roemen in de hoop.
Natuurlijk moeten wij hier wel een kanttekening bij maken. Deze zekerheid uit de belofte van het Evangelie is nooit vanzelfsprekend en absoluut. Om zo te zeggen autonoom en onaantastbaar. Daar is reden voor. De belofte der zaligheid is immers alleen aan het oprecht geloof verbonden. Dat geloof waarvan de vrucht en de duurzaamheid bewijzen, dat het wortelt in een vernieuwd gemoed. Er blijft op die manier dus enige ruimte over voor de vraag: is mijn geloof echt? De verzekerdheid hiervan kan aan schommelingen onderhevig zijn. Het wordt eerst in gelijke mate voor deze ontvankelijk, als het geloof in de beproeving zijn echtheid bewijst. Daarmee is evenwel alleen gezegd, dat de zekerheid, die uit de belofte is geput, op zichzelf aangemerkt, nog niet de vastheid bezit, die de mogelijkheid van twijfel uitsluit. Meer niet. Er is helemaal niet mee beweerd, dat deze mogelijkheid werkelijkheid behoeft te worden. Integendeel – wanneer wij in gemeenschap van geloof met Christus blijven, door de werking van de Geest, dan kan de twijfel aan de echtheid van ons geloof niet bij ons opkomen. Die ziet en hoort, twijfelt niet of hij ziet en hoort. Die de bewegingen van het leven in zich gevoelt, kan niet twijfelen of hij wel leeft. Daarom zegt Johannes: hierin weten wij dat wij in Hem blijven en Hij in ons, omdat Hij ons van Zijn Geest gegeven heeft.

Stoornis
Nu gebeurt het evenwel heel gemakkelijk, dat er een stoornis in de gemeenschap met God ontstaat, die een donkere wolk van twijfelachtigheid over de ziel brengt en haar de vrijmoedigheid ontneemt om de belofte van het Evangelie op zichzelf toe te passen. Het komt er in dat geval op aan, te onderzoeken wat het was, dat de zekerheid van de hoop verstoorde. Allerhande oorzaken kunnen daarvoor zijn. Soms komen wij in aanraking met vromen tegen wie men hoog opziet en wij bemerken, dat zij zelf twijfelen. Hoeveel te meer moeten wij dan twijfelen. In een ander geval kan het gebeuren dat gedegen belijders kritiek hebben op onze blijdschap. Misschien wel omdat zij zelf deze missen en ons laten gevoelen, dat wij niet te haastig over onze geestelijke staat verheugd moeten zijn.
Hoe dan ook, alles heeft zijn bestemde tijd. De jonge christen moet onafgebroken op de gekruisigde Christus zien. Wenden wij ons van Hem af en gaan wij op onszelf zien, dan berokkenen wij ons grote schade. De door de slang gewonde Israëliet zou leven, wanneer hij op de koperen slang zag, door Mozes opgericht. Hoe lang moet hij daar op zien? Totdat hij genezen was. Zou het nu verstandig zijn, als hij, na een enkele blik op de slang, het oog op zijn wond gevestigd had om te onderzoeken of deze al genezen was? Neen allerminst. Juist het zien op de slang was het middel om de ondervinding van genezen te zijn op te doen. Hoe langer hij op de slang staarde, des te levendiger werd het gevoel van te herstellen. Zo zien nu ook de pasbekeerde onafgebroken op Christus. Dan zal hij uit de kracht, die van Christus in hem uitgaat, de ondervinding opdoen, dat zijn geloof niet ijdel is.
Pas intussen wel op voor alle minachting van de belofte van het Evangelie. Sommigen zeggen: aan het Woord heb ik niet genoeg. Dat zeggen zij al maar door. Verstonden zij nu daardoor, dat de Geest nodig is om ons met het Woord gelovig werkzaam te maken, dan was tegen dit gezegde geen enkel bezwaar uit te brengen. Maar dat is vaak niet het geval. Meestentijds wil men zich niet uit het geloof van de belofte verzekeren, maar alleen uit een bijzondere openbaring. En dat is ten enenmale verkeerd. God verzekert de zijnen nog uit meer dan uit het geloof aan de belofte van het Evangelie. Maar wie het meerdere wil ontvangen, beginne eenvoudig met het mindere hoog te schatten. God wil in Zijn Woord geëerd zijn. Daarom moeten wij maar eenvoudig steeds op het Woord aangaan. Daar hebben wij genoeg mee te doen en de Heere zal ons dan wel verder leiden.

A. v. Brummelen, Huizen

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 september 1989

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

De vrucht van de hoop

Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 september 1989

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's