Kerk en Israël in gesprek (*)
Samenloop
Je zou het een samenloop van omstandigheden kunnen noemen. Juist op het ogenblik dat kerkeraden en classicale vergaderingen zich moeten gaan bezinnen op een voorstel tot wijziging van art. VIII van de Kerkorde (inzake het gesprek met Israël), verschijnt er in de Reformatiereeks bij uitgeverij Kok in Kampen het boekje 'Kerk en Israël in gesprek'. De auteur is drs. M. van Campen te Woerden – voorheen secretaris, sinds kort voorzitter van het Bezinningscomité Israël.
Een samenloop van omstandigheden. Want het leek erop, dat het bewuste voorstel tot wijziging van de Kerkorde voorlopig nog wel in de la van het synodebureau zou blijven liggen. Vlak na de zomer kwam het opeens weer op tafel en in het najaar dienen de classicale vergaderingen te considereren.
Ds. Van Campen heeft kennelijk aangevoeld, dat deze zaak wel enige tijd uit het oog, maar daarmee nog niet uit het hart zou verdwijnen. Voor hem was het een hartezaak zich nog eens intensief bezig te houden met een grondige bezinning. De studie die hij ons aanbiedt heeft daardoor niet het karakter van een in grote haast samengesteld verhaal. Hij heeft kunnen werken zonder de hete adem in de nek van snelle besluitvorming en kerkpolitieke verwikkelinggen. Het is een breed beraad geworden waarmee hij, rustig luisterend en reagerend op stemmen uit het verleden en het heden, een handreiking doet op grond van Schrift en belijdenis voor een plaatsbepaling in de huidige discussie.
Gesprek
Het blijft niet onduidelijk welke zaken in het geding zijn. Het gaat om niet minder dan het getuigenis, met naam en toenaam, aangaande Jezus de Christus. In het gesprek met Israël zou het verraad zijn Hem te verzwijgen of inwisselbaar te maken voor een andere weg tot het heil. Gelet op de gruweldaden die tegen het joodse volk zijn bedreven en die in onze eeuw het meest barbaarse hoogtepunt hebben bereikt, is het maar al te begrijpelijk dat sommigen uit eerbied en schaamte in de ontmoeting met Israël alleen willen luisteren.
Ook als het woord 'zending' jegens Israël vervangen is voor 'gesprek', dan nog dient men zich daar zeer terughoudend in op te stellen en iedere zweem van bekeringsdrang te vermijden.
Van Campen gaat ervan uit, dat dat niet eerlijk is. Dat het een doorslaan is naar de andere kant. Inderdaad hebben we ons zeer bescheiden en ootmoedig op te stellen in het gesprek met Israël. Maar ook met pijn in het hart, omdat er (als in de dagen van Paulus) nog altijd een conflict ligt tussen de christelijke gemeente en de synagoge aangaande Jezus de Christus, als de enige en volkomen Zaligmaker.
Hoofdlijnen
Om u iets van de inhoud van het boek te laten proeven, geven we u graag enkele hoofdlijnen door. Ze kunnen het boek niet vervangen. Laten ze voor u een aanzet zijn om het geheel te lezen!
1. In het eerste hoofdstuk geeft Van Campen iets weer van de voorgeschiedenis. Hij ziet deze gekenmerkt door vier v's: verwijdering, vervanging, verguizing en vervolging. Onthutsend zijn de uitlatingen van enkele patres uit de vroege kerk. Het mag ons verbazen dat de Schrift er met een tegenstem heelhuids uit is gekomen. Zodat de indringende vraag recht overeind is gebleven: Heeft God Israël verstoten? Volstrekt niet! (Rom. 11 : 1). Ook de rol van een tekst als 'Zijn bloed kome over ons…' (Matth. 27 : 25) wordt belicht en blijkt in de geschiedenis zo'n negatieve werking te hebben gehad, dat de invloed daarvan nog doorwerkt tot op de huidige dag (de zaak van de Goeree's).
2. Het tweede hoofdstuk biedt een historisch overzicht vanaf de tijd van de reformatie. Hoe heeft men gepoogd Israël te benaderen? De toenadering heeft zich ontwikkeld van zending tot gesprek.
Bij Luther zien we hoe Israël verschuift van subject naar object. Aanvankelijk koesterde hij de hoop dat de joden het 'nieuw ontdekte' evangelie zouden aanvaarden. Toen dat niet het geval was, schreef hij ze af als onbekeerlijk. De joden waren niet langer het voorwerp van zending, maar onderwerp van gesprek.
Bucer hanteerde als stelregel: De christenen dienen zich te bekeren, wanneer zij willen dat de joden dat doen. Toch gaf ook deze reformator een advies om joden beperkende maatregelen op te leggen.
Voor Calvijn zijn en blijven de joden ondanks alles de 'eerstgeborenen in het huis Gods'. Daarom hebben ze er ook recht op als eersten het Evangelie te horen.
In de relatie tot de vele joden die zich in Nederland gevestigd hebben, groeide onder invloed van het calvinisme een positieve houding. De waardering voor het Oude Testament, het zingen van de psalmen en de plaats die aan de wet werd toegekend, hebben deze houding bevorderd. De particuliere synode van Delft heeft in 1677 enkele opmerkelijke maatregelen aanbevolen:
1. In de eredienst en persoonlijk moet er voor de joden gebeden worden.
2. Wat hun bekering in de weg kan staan moet worden weggenomen.
3. Laten er vriendelijke samensprekingen plaatsvinden met rabbijnen.
De overheid wordt zelfs verzocht middelen te verschaffen om twee predikanten voor deze arbeid vrij te stellen!
In het kort wordt de visie gemeld van de als 'oude schrijvers' bekende J. Koelman, Th. v. d. Groe en A. Hellenbroek. Wat uitvoeriger wordt stilgestaan bij Joh. Hoornbeeck, Wilh. à Brakel, Henr. Groenewegen en de twee bekeerde joden F. Ragstat à Weille en Chr. Salomon Duytsch. Van de veelbelovende initiatieven in de 17e eeuw is niets terecht gekomen. Missionaire bewogenheid met Israël werd bijna uitsluitend gevonden bij bekeerde joden. Pas in de 19e eeuw kwam er een nieuwe impuls vanuit de in 1809 opgerichte 'London Society'. Bij ons leidde dit tot de oprichting van de Zionskapel te Amsterdam, Elim te Rotterdam en de Nederlandsche Vereeniging voor Israël. Ook het Reveil heeft bijgedragen aan een herleefde belangstelling voor de joden. J. Rottenberg (Elim) schreef: 'Wij, joden, die Jezus belijden als de Messias, kennen al de innerlijke overleggingen van ons volk, al de ook onuitgesproken vooroordelen. Al het innerlijk verzet tegen de erkenning van de Christus en het Christendom onzer dagen. En daar wij uit eigen ervaring en eigen zieleworsteling die niet alleen kennen, maar door de genade van onze Messias hebben overwonnen, is ook Zijn ontferming over deze verloren schapen in onze harten uitgestort. Hoe zouden wij, eenmaal verzocht zijnde, niet bewogen worden over hun zwakheden en ellende?'
Pas in de laatste wereldoorlog ontwaakt bij de kerken het besef van verbondenheid met Israël. En zoals blijkt bij de aanvaarding van de Hervormde Kerkorde in 1951, is in die tijd de visie op Israël als zendingsobject verschoven naar die van gesprekspartner met wie het 'getuigend gesprek' wordt aangegaan.
3. In hoofdstuk drie wordt ingegaan op achtergronden en praktijk van het gesprek. Met name door de bijdragen van A. A. van Ruler en K. H. Miskotte is er een veranderde visie op Israël gekomen. Van 'zending', die immers uitgaat naar de heidenen, kan ten aanzien van Israël geen sprake zijn.
In 1978 verschijnt onder de titel 'Getuigend Leerlingschap' een bezinningsnota waarin een voorstel is opgenomen tot bijstelling van Artikel VIII en Ordinantie 4 van de Kerkorde. Volgens Van Campen slaat de balans door als gezegd wordt dat christenen meer zouden moeten luisteren dan Spreken in de ontmoeting met joden. Dat er voor christenen meer te leren dan te getuigen valt. Men leze de pagina's 91-116 waarin Van Campen pleit voor een luisterend getuigen als de inbreng van de kerk in het joods-christelijk gesprek. Luisteren – dat betekent: Er doorheen gaan door de vragen die joden ons indringend stellen. Van Campen noemt er vier. 1. Hoe kon het antisemitisme in het beschaafde Europa zo opbloeien? 2. Hoe komt het dat de wereld er nog zo onverlost uitziet? 3. Het dogma van de drie-eenheid verdraagt zich toch niet met Israel's grondbelijdenis: 'Hoor Israël, de Heere uw God is een enig Heere…' 4. Waar blijft bij christenen het leven van de heiligmaking – of is het geloof meer een zaak van de leer dan van het leven?
Luisteren. Maar ook: spreken met Israël! Lezen we van Paulus niet dat hij steeds vanuit de Schriften met de joden 'handelde' (het Griekse werkwoord 'dialegomai' – daar zit ons woord 'dialoog' in)? Zo is er ook vandaag veel met Israël te verhandelen. Van Campen noemt drie dingen. 1. Is uw mensbeeld niet al te optimistisch? 2. Welke plaats heeft bij u de verzoening en wat is de betekenis van de offerdienst? 3. Waarom wijst u Jezus als Messias af?
Ons spreken zij bescheiden en ootmoedig. Er ligt een diepdonkere geschiedenis achter ons en die kunnen wij niet negeren.
Toch blijken er ook altijd christenen te zijn die zelfs de noodzaak van het gesprek met joden niet inzien. Het voortdurend hartzeer dat Paulus kende, is hen ten enenmale vreemd.
'Het is een vergissing te menen, dat wij in de ontmoeting met Israël te maken hebben met een fossiel, een afgestorven organisme. Er zijn nog altijd kerkmensen die zo tegen het jodendom aankijken. Zij kunnen de joodse godsdienst alleen maar bezien als een verstard en versteend gebeuren, dat zichzelf in feite allang overleefd heeft.
Wie bedenkt dat vele joden de gaskamers ingingen met de geloofsbelijdenis op hun lippen, wie ooit bij de klaagmuur naast biddende joden gestaan heeft, wie gezien heeft hoe intensief joodse leerlingen in de "sjoel" zich verdiepen in de studie van Mozes en de profeten of getuige geweest is van de vreugde op het gezicht van een joodse jongen, die met de Thorarol in zijn armen op weg is om 'zoon der wet' te worden, kan deze karikatuur niet langer volhouden.' (pag. 97)
Evenwichtig merkt Van Campen op, als hij pleit voor concrete solidariteit met het joodse volk, dat dit niet een ongenuanceerd verheerlijken inhoudt van alles wat de Israëlische regering doet. Vermenging van profetie en politiek ontaardt maar al te makkelijk in een ideologie.
Intussen gaat God Zijn eigen weg en is Hij bezig Zijn plan met Israël te volvoeren.
4. Onbekend maakt onbemind. Wie is de joodse gesprekspartner? Het joodse volk vormt ook godsdienstig gezien niet een eenheid. In het vierde hoofdstuk wordt ons een bondig overzicht geboden van verschillende groepen (Asjkenaziem, Sefardiem, Falasha's) en stromingen (het orthodoxe, liberale en conservatieve jodendom en het chassidisme).
Het is goed hiervan kennis te nemen, ook tegen de achtergrond van de huidige ontwikkelingen in de staat Israël. De beschrijving van gewoonten en voorschriften is zeer verhelderend. Wie eens een reis naar Israël maakt, moet dit hoofdstuk zeker gelezen hebben. Voor ieder die de ontmoeting met Israël zoekt is het nodig met deze gegevens op de hoogte te zijn.
5. In het laatste hoofdstuk treedt Van Campen in gesprek met Flusser en Lapide. Beide joodse geleerden zijn in onze tijd bekend geworden om hun aandeel in de sterk oplevende joods belangstelling voor het Nieuwe Testament en Jezus.
Flusser is er diep van overtuigd dat de kerk de synagoge nodig heeft om de wortels van haar geloof op het spoor te komen. Hij ziet de evangeliën als geschriften die berusten op historische feiten! Op het punt echter van de verzoening door het kruis gaan de wegen uiteen. Ook de nieuwtestamentische interpretatie van de wet heeft naar zijn mening het antisemitisme in de christelijke kerk bevorderd.
Lapide, die zichzelf ziet als bruggenbouwer naar het christendom, wil (in het spoor van Flusser) komen tot een reconstructie van de 'oorspronkelijke Jezus', ontdaan van alle Griekse verpakking en legendarische versiering. Opmerkelijk is dat Lapide, in tegenstelling tot anderen, wel gelooft in de lichamelijke opstanding van Jezus uit de dood. Maar door het uitblijven van een rijk van vrede en gerechtigheid kan Jezus nog niet de verwachte Messias zijn. Misschien als Hij wederkomt, zegt Lapide, maar dat zullen we dan pas ervaren. Intussen dienen joden en christenen te erkennen dat er geen sprake is van slechts één weg tot het heil, ook niet van twee, maar van vele heilswegen.
Na eerlijk geluisterd te hebben komt Van Campen tot de slotsom: Wat deze geleerden zeggen is verhelderend. Hun openheid is verrassend. Wie kennen het joodse leven, zoals ook Jezus dat geleefd heeft, beter dan zij? Maar wat deze geleerden zeggen is ook uitdagend. Soms voor de kerk beschamend, met hun nadruk op de historiciteit van het bijbels getuigenis. Maar ook prikkelend tot het geven van een weerwoord.
Wie meent te kunnen komen tot een reconstructie van de 'oorspronkelijke Jezus', zal bemerken dat deze weg onbegaanbaar is. Maar ook ontoelaatbaar! Zomaar willekeurig gedeelten in het Nieuwe Testament bijstellen is een ingrijpende reductie van het nieuw-testamentisch getuigenis en als gevolg daarvan, ontmanteling van het christelijk belijden.
Voor Van Campen gaan dan ook uiteindelijk de wegen uiteen.
'Goedbeschouwd is het verbazingwekkend dat zovelen staan te applaudisseren bij alles wat deze joodse wetenschappers te berde brengen. Verbazingwekkend en zorgwekkend tegelijk. Te vrezen valt dat dit enthoustasme niet los staat van ontwikkelingen binnen de kerken zelf. Sommige moderne theologen pleiten immers ook voor een andere visie op Jezus. Ook zij benadrukken eenzijdig Zijn mens-zijn, ten koste van Zijn Godheid. Men wil een "christologie van beneden" in plaats van een "christologie van boven", zodat Jezus vooral gezien wordt als voorbeeld, als bevrijder, als inspirator en partijganger van armen en ontrechten.
(…) Men komt het jodendom dan weliswaar nader, maar voor men het weet, heeft men het christendom ondertussen prijsgegeven. Zij (Flusser en Lapide, DL) halen immers een streep door vrijwel alles wat de kerk vanouds rekende tot de kern van haar geloofsgoed: de erfzonde, de drieëenheid, het messiasschap van Jezus, Zijn verzoenend lijden en sterven. Als deze joodse geleerden werkelijk gelijk hebben, als het niet waar is dat Jezus Gods Zoon is, de Messias Israëls, is het dan niet eerlijker de kerk te sluiten en onze doopbewijzen terug te geven? Alles is dan immers een fictie, een historische vergissing geweest. IJdel is dan ons geloof en ijdel onze hoop!'
Na dat gezegd te hebben, laat Van Campen er wel direkt op volgen:
'Men zal de dialoog met mensen als Flusser en Lapide niet uit de weg mogen gaan. Deze joodse handen, uitgestoken in de richting van de kerk, mogen niet worden genegeerd. Men zal indringend moeten luisteren naar wat zij ons te zeggen en te vragen hebben.' (pag. 171)
Aan het eind van zijn boek klinkt het als een appèl, als we lezen:
'Wie trouw wil zijn aan het Nieuwe Testament kan slechts betuigen: Hij is Degene, Die komen zou, de Messias door Wiens verzoenend sterven er behoud en eeuwig leven is voor jood en heiden, voor Israël en de volken. Waarom zouden wij niet eerlijk zeggen dat er wat dit betreft geen tussenweg, geen compromis mogelijk is? Toegegeven: dat maakt het gesprek er niet gemakkelijker op. Het wordt dan wel een eerlijke, echte dialoog, waarvoor we de leiding en de zegen van de Heilige Geest mogen afbidden en verwachten.'
Het is in het licht van de naderende classical en synodale beraadslagingen dat we aan dit boek zo'n uitvoerige bespreking hebben gewijd. Het is zaak daar een weloverwogen en helder standpunt bij in te nemen. Het boek van ds. Van Campen verdient gelezen te worden. In het geheel van de kerk! God zegene het.
ds. D. Ph. C. Looijen, Woudenberg
(*) n.a.v. drs. M. van Campen, 'Kerk en Israël in Gesprek', Reformatiereeks, deel 27, uitg. Kok, Kampen (1989), 174 pag., ISBN 90-242-4493-5, prijs ƒ 27,50.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 september 1989
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 september 1989
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's