De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Dankbaarheid en gebed

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Dankbaarheid en gebed

6 minuten leestijd

'Wat zal ik de Heere vergelden voor al Zijn weldaden, aan mij bewezen'Ps. 116 : 12

Er zijn van die dingen, die een mens niet licht vergeet. Altijd is me bijgebleven dat ik, inmiddels al weer jaren geleden, in een overigens niet hervormde kerkbode de opmerking van een predikant tegenkwam, die schreef: 'waarom de Heid. Catechismus zegt dat het voornaamste stuk van de dankbaarheid het gebed is, heb ik nooit begrepen'.
Is dit werkelijk zo onbegrijpelijk? Wie een groot geschenk ontvangt, die vraagt toch: 'Hoe zal ik het kunnen vergelden?' Of men spreekt woorden van gelijke strekking, woorden van verwondering.
Zó heeft ook de dichter van Psalm 116 gesproken. Wie het geweest is? Het staat er niet boven. Men heeft wel gedacht aan Hiskia na zijn wonderlijke genezing. Maar we weten het niet. Evenmin wordt uit de woorden van de psalm duidelijk uit welke nood de dichter verlost werd. De ene verklaarder denkt aan ernstige ziekte, maar een ander aan verdrukking door vijanden. Het is in ieder geval een doodsnood geweest. Hij lag gekneld in banden van de dood. Een eeuwige afgrond grijnsde hem tegen. Angsten der hel!
Maar de Heere was genadig. 'Hij heeft mij verlost!', zo jubelt de dichter het nu uit. De dienst des Heeren is hem nu tot een liefdedienst geworden.
Dan is zijn dankbaarheid verwondering. Verwondering, dat de Heere in Zijn genade wilde omzien naar een verloren mens. Die verwondering uit zich in de vraag: Wat zal ik de Heere vergelden? Echt danken is ook denken: denken aan Gods bewezen weldaden. Dat kan nooit zonder oprecht belijden van schuld. Het wordt in deze psalm niet breed uitgesproken, maar het ligt door alles heengeweven. Echte dankbaarheid is verwondering over iets Waar we geen recht op hebben. Het was onverdiend. Het is enkel Gods weldadigheid en trouw. Daarom wordt God in deze tekst ook Heere genoemd. Het is God in Zijn verbondstrouw. Het komt alles alleen van Gods kant, Die daartoe redenen vond in Zichzelf.
De Heere heeft Zich zo op het heerlijkst geopenbaard in de Heere Jezus Christus in Zijn omzien naar het verlorene. Psalm 116 had een plaats in de joodse paasviering. Bij het paasfeest zong men het zogenaamde Hallel. Dat bestond uit de psalm 113 t/m 118. De Heere Jezus heeft in de nacht waarin Hij verraden werd ook deze psalm gezongen (Matth. 26 : 30). Christus is de bittere weg van Zijn lijden gegaan. De angsten der hel hebben Hem getroffen. Hij van God verlaten, opdat wij nimmermeer van God verlaten zouden worden. Hij gebonden met de banden des doods opdat wij zouden worden ontbonden uit de macht van zonde, dood en hel. Niets van dit alles behoefde Hij te ondergaan omdat Hij Zelf gezondigd had. Hij werd om onzentwille tot zonde gemaakt.
Dat mag nu alom verkondigd worden opdat we leren zouden al onze hoop en verwachting op Hem te stellen. Hoevele ook onze zonden zijn, hoe zwaar onze schuld, hoe diep gezonken ons leven ook is, de roepstem van het Evangelie klinkt ons tegen vanaf het kruis: Komt allen tot Mij, die vermoeid en belast zijt en Ik zal u rust geven voor uwe zielen.
Wanneer door de kracht van de Heilige Geest we dan bewogen worden tot Christus te gaan om het allergrootste geschenk te ontvangen, dat er te ontvangen is uit de onverdiende goedheid Gods, zouden we dan niet vragen: Hoe zal ik de Heere vergelden?
Waarachtige dankbaarheid gaat niet op een eigenwillige manier aan de gang om te zeggen: nu zal ik eens… Wie zichzelf echt als een zondaar leert kennen, die wordt bang van zichzelf. Ons willen staat immers tegenover Gods willen. Wij zijn van nature dwars en verkeerd, want we zijn kinderen van Adam. Ook door de genade Gods raken we die natuur niet zomaar kwijt. De zonde houdt dan wel op in ons te heersen, maar ze houdt niet op in ons te wonen (Calvijn).
Dat maakt voorzichtig. Dan zeggen we niet meer zo vlot: ik wil en ik zal. Dan leren we vragen: Heere zegt U het maar, leert U het me maar, hoe U gediend wilt worden. Heel terecht zegt daarom onze Catechismus ook, dat goede werken een wortel hebben in het geloof.
Maar geeft de Heere dan antwoord op die vraag hoe we Hem dan dienen zullen? Ja dat doet de Heere. Hij heeft ons Zijn wil bekend gemaakt in Zijn heilige Wet. Dat is de regel der dankbaarheid. Goede werken uit een waar geloof richten zich naar de Wet Gods. Dat bewaart ons voor eigenwillige godsdienst!
Wie is tot deze dingen bekwaam? Niemand in eigen kracht. Daarom is het gebed meer dan alleen het begin van de dankbaarheid. Het blijft het voornaamste stuk! Er is zoveel schuld te belijden omdat we, zolang we in dit aardse leven zijn, onder de maat van Gods heüigheid blijven. Het gebrek aan en het gebrekkige van onze ondankbaarheid zijn geen gemakkelijk te verontschuldigen zaken. We mogen ons daar niet van afmaken met uitdrukkingen als 'een mens blijft toch maar een mens'. We moeten het niet zoeken in verontschuldigingen, maar steeds weer leren buigen onder onze schuld. Dat bewaart ons bij een ootmoedig en afhankelijk leven, wars van alle triomfalisme. Het heeft diepe zin dat onze catechismus het stuk van de dankbaarheid en daarmee de hele Catechismus beëindigt met de behandeling van het gebed. Zo wordt de Heere verheerlijkt! Uit Hem, door Hem en tot Hem zijn alle dingen!

Geschapen naar het beeld van God om Hem te eren brengt de genade ons terug bij een leven, waarin in beginsel hier op aarde het scheppingsdoel wordt hersteld. Het beeld Gods wordt weer opgericht in het kennen van God en in het eren van Hem. Ware dankbaarheid in dit gebroken leven is daarom ook het uitzien naar de volkomenheid na dit leven om met al Gods kinderen Hem eeuwig lof en eer te brengen. Iets van dat verlangen klinkt ook door in deze psalm, wanneer de dichter niet blijft staan bij zichzelf alleen. Hij begeert zijn dankbaarheid tot uiting te brengen 'in de tegenwoordigheid van al Gods volk'. Hij gaat tot de voorhoven van het Huis des Heeren. Dat mogen we in onze zelfzuchtige en individualistische tijd wel dubbel onderstrepen. Wie de Heere leert liefkrijgen, krijgt ook Zijn volk lief, Zijn gemeente. Een gemeente, die net als we zelf zijn, een gebroken gemeente is. De volmaaktheid is nog verre. De gemeente Gods is op deze aarde geen vergadering van volmaakten. Het zijn zij, die al hun zaligheid van Christus verwachten. Hij alleen is volmaakt. Onze volmaaktheid ligt in Hem. Wanneer we daar meer bij leefden, we zouden ook elkaar meer kunnen verdragen. We zouden elkaar meer aansporen: komt maakt God met mij groot! Daar heeft de Heere recht op. Hij Zelf ver­ gadert Zich door Woord en Geest een gemeente die leert zeggen:

Dit het recht van Jakobs God, dat wij billijk eren!
Wat zal ik met Gods gunsten overlaân,
Dien trouwen Heer' voor Zijn genâ vergelden?

Ik zal Uw naam met dankerkentenis
Verheffen, U al mijn geloften brengen;
'k Zal liefd' en lof voor U ten offer mengen,
In 't heiligdom, waar 't volk vergaderd is.

P. Kolijn, Krimpen aan den IJssel

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 september 1989

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Dankbaarheid en gebed

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 september 1989

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's