Twee wereldzendingsconferenties (2)
Lausanne II – Manila
Wij bespraken de vorige keer de in mei j.l. in San Antonio gehouden zendingsconferentie van de Wereldraad van Kerken. Nu volgt een beschouwing over Lausanne II, de zendingsconferentie, die uitging van de evangelicale wereldbeweging, en die een maand later in Manila werd gehouden. We gaven al aandacht aan de belangrijke rol, die de evangelicalen ook reeds in San Antonio hebben gespeeld.
Nu ligt natuurlijk wel de vraag voor de hand, of deze in San Antonio aanwezige evangelicalen representatief zijn voor de hele evangelicale beweging zoals deze in Lausanne II in Manila aanwezig was. Het feit ligt er immers, dat deze Lausannebeweging voor een groot deel haar ontstaan te danken heeft aan het feit, dat de zendingsconferenties van de Wereldraad steeds meer gingen in de richting van een religieus universalisme en relativisme. De eerste Lausanne-conferentie in 1974 was dan ook bedoeld als een evangelicaal antwoord op Bangkok 1972. In de toen opgestelde beginselverklaring werd tegenover Bangkok met grote nadruk de uniciteit van Jezus en de door Hem verworven verzoening en verlossing alsmede de heilsnoodzakelijkheid van het geloof in Christus beleden, terwijl met niet minder klem de erkenning vàn de onfeilbaarheid van de Heilige Schrift als bron en grondslag van het christelijk geloof op de voorgrond werd gesteld.
Toch is er na die tijd ook binnen deze evangelicale wereldbeweging een duidelijke ontwikkeling waar te nemen. In de eerste plaats is nu rondom Lausanne II duidelijk geworden, dat ze niet meer alleen kan worden beschouwd als een reactiebeweging tegenover de oecumene van de Wereldraad. Het evangelicale christendom is uitgegroeid tot een zelfstandige stroming binnen het wereldchristendom. Op de conferentie in Manila is dat in tweeërlei opzicht voor de dag getreden. In de eerste plaats bleek dit uit de groots opgezette organisatie van deze conferentie. Er zijn in Manila niet minder dan 4000 deelnemers bijeen geweest, afkomstig uit 190 landen. Als we dit vergelijken met San Antonio, valt, wat omvang betreft, de laatste met haar 750 deelnemers uit 113 landen erbij in het niet. Natuurlijk moet daarbij worden bedacht, dat verreweg de meeste deelnemers van Lausanne II op persoonlijke titel aanwezig waren en niet als officiële afgevaardigden van kerken. Maar dat heeft meer met de aard van het evangelicalisme te maken dan met de grootte van het relatieveld dat het bestrijkt. We mogen veeleer uit dit groots opgezette gebeuren opmaken, dat de evangelicale stroming in de wereldkerk sterk toeneemt en bezig is niet alleen het 'oecumenische' christendom, met zijn concentratie in de Wereldraad van Kerken, maar ook het traditioneel-orthodoxe christendom met zijn andere oecumenische organisaties voorbij te streven en te overvleugelen.
Daarmee verbonden doet zich nog een ander merkwaardig feit voor. Het bleek ook in Manila, dat vele evangelicalen afkomstig zijn uit de traditionele kerken. De deelnemers bestonden voor 25% uit Baptisten, 20% Anglicanen, 15% Presbyterianen, 10% Lutheranen en 5% Methodisten, terwijl (slechts) 10% van de deelnemers uit de Pinksterkerken afkomstig was. Dat wijst er dus op, dat verreweg het grootste deel lid is van de traditionele kerken. Maar binnen deze kerken vormen zij een eigen stroming en laten zij een eigen geluid horen, dat kennelijk door steeds meerderen, ook en juist binnen deze kerken, wordt herkend als een stimulans tot vernieuwing en verdieping van hun geloof.
Maar er is nog een tweede aspect, dat ons laat zien, dat de evangelicale stroming binnen het christendom bezig is uit te groeien tot zelfstandigheid en volwassenheid. Het is namelijk in Manila ook gebleken, dat er binnen de evangelische beweging zelf weer diverse substromingen zijn ontstaan, die binnen hun gemeenschappelijke evangelicale opstelling toch ook weer een eigen positie innemen. Er zijn vooral drie substromingen naar voren gekomen, die wij kunnen omschrijven als a. de behoudend-orthodoxe, b. de oecumenische en c. de charismatische stroming. Deze onderlinge verschillen hebben de conferentiegangers en de conferentieleiding genoeg werk verschaft om zozeer bezig te zijn met eigen vragen, dat zij aan vragen met betrekking tot een eventuele toenadering tot de Wereldraad niet eens echt zijn toegekomen.
Het bleek trouwens, dat het enthousiasme van de evangelicale deelnemers aan San Antonio en Manila bepaald niet door allen werden gedeeld. In San Antonio waren het er 500 van de 750 deelnemers die de toenadering tot Lausanne voorstonden, maar in Manila bleken de verhoudingen anders te liggen. Duidelijk werd, dat alleen de 'oecumenische' stroming onder hen ervoor voelde, maar de orthodoxe evangelicalen waren er sterk op tegen. Het is dan ook zelfs niet eens tot een gezamenlijke beslissing hieromtrent gekomen.
Uit de hoek van deze laatste stroming, die van de behoudende orthodox-evangelicalen, hebben wij vele stemmen in Manila gehoord, die bij ons als orthodox-gereformeerden een hartelijke instemming ontvingen. Wij denken o.a. aan de Schotse evangelicaal prof. Packer, die in zijn voordracht grote nadruk legde op het werk van de Heilige Geest en de noodzakelijkheid van wedergeboorte en bekering en ook erop wees, dat in deze tijd vooral de geesten binnen de christelijke kerk dienden te worden onderscheiden. Ook anderen stelden de vergeving der zonden in en door het geloof in Christus als het hart van het christelijk geloof centraal. Diepe indruk hebben ook de woorden van de Joegoslavische evangelicaal Peter Kuzmic gemaakt, die niet alleen het verwaterde 'oecumenische' christendom aan de kaak stelde, maar ook de hand in eigen boezem stak. Hij verweet het evangelicale christendom van het westen dat het vaak te oppervlakkig en te ik-gericht was. Het legt teveel nadruk op succes, persoonlijk geluk, op innerlijke vrede en materiële welvaart, terwijl het ook eenzijdig was in het beklemtonen van bepaalde morele waarden voor het volksleven. 'Wie spreekt daar nog over berouw, over levensheiliging, over de bereidheid voor Christus te sterven?'. 'Jezus Christus is niet alleen onze Heiland, maar ook de Heer die moet worden gehoorzaamd.'
Maar er waren ook heel andere stemmen te horen, waardoor ons duidelijk werd, dat op sommige punten de meningen toch wel ver uiteengingen. Vooral de Amerikaanse, charismatische pinksterdominee J. W. Hayford heeft voor de nodige opschudding gezorgd. Niet alleen bracht hij zijn verhaal in de typische Amerikaanse tv-showsfeer, met voor sommigen meeslepende maar voor anderen juist weerzinwekkende muziek, die de oproep om met opgeheven handen te bidden om de vernieuwing en vervulling van de Geest begeleidde. Maar tegelijk kwam met zijn optreden levensgroot het probleem naar voren, in hoeverre het evangelicale christendom openstaat voor een charismatische invulling van het geloof.
Met name op dit punt gingen de geesten uiteen, en bleek de traditionele stroming beslist afwijzend te reageren, zozeer zelfs, dat sommigen onder hen de conferentie om deze reden verlieten. Het had iets van een crisis, die juist rondom de vraag ontstond of het charismatisch christendom positief dan wel negatief moet worden beoordeeld. Het is echter duidelijk, dat deze maar niet toevallig in Manila ontstond. Ze is veeleer een gevolg en weerspiegeling van de crisis, die momenteel door de hele evangelicale wereld heentrekt en op deze wijze velen, ook traditionele kerken, in haar greep krijgt.
Persoonlijk heb ik dit ervaren tijdens mijn bezoek in de afgelopen zomer aan de presbyteriaanse kerk(en) in Zuid-Korea. De belijdenis van deze kerken is voluit gereformeerd, aansluitend bij de Westminster Confessie. Maar de werkelijke vragen, die in deze kerken spelen, en die ook daar voor de nodige verdeeldheid zorgen, richten zich op de betekenis van de Heilige Geest, met name zijn charismatische werkingen in persoonlijk geloof en in de eredienst van de gemeente. En overal vinden wij dit terug in de wereldkerk. Daarom is genoemde crisis ook een teken, dat Manila representante is van de, ook gereformeerde, wereldkerk, wanneer zij zich zo intens met het charismatische heeft beziggehouden. Ook daarin blijken de evangelicale christenen meer de wereldkerk te vertegenwoordigen dan de 'oecumenischen' van de Wereldraad, die in San Antonio zich hiermee niet hebben beziggehouden.
De overwegende tendens in Manila ging overigens twee tegenovergestelde kanten uit. Onder de deelnemers bleek de afwijzing van het charismatische christendom, in ieder geval zoals het door ds. J. W. Hayford werd gepresenteerd, de boventoon te voeren. Anderzijds werd niet minder duidelijk, dat de leidinggevenden op deze conferentie er juist op uit zijn om de charismatische stroming binnen het evangelicalisme te integreren.
Persoonlijk ben ik ervan overtuigd, dat wij niet klaar zijn met zonder meer afwijzend te blijven staan tegen deze sterk opkomende stroming. In de afgelopen weken zijn wij in Nederland ermee geconfronteerd, toen in juli j.l. het wereldcongres van zigeuners in Amsterdam is gehouden. Het bleek, dat er in de afgelopen jaren onder deze zigeuners een enorme bekering tot het christelijk geloof heeft plaatsgevonden. Maar niet minder opvallend was, dat het begin van deze opwekking is gekomen na een wonderbaarlijke genezing op gebed. Het is de charismatische geloofstrant, waardoor deze zigeuners zijn aangesproken en door middel waarvan zij de onmisbaarheid van Christus en het .geloven in Hem zijn gaan ontdekken. Wie zou de vrijmoedigheid hebben om hier alleen maar 'nee' tegen te zeggen? Heeft dit congres in ons land niet velen, zowel binnen als buiten de kerk, aangesproken?
Niet het charismatische als zodanig moet worden afgewezen. Integendeel. Het zou wel eens kunnen zijn, dat juist hier één van de blinde vlekken van het traditionele christendom ligt, waaruit haar armoede en gebrek aan zeggingskracht te verklaren is. Maar wel is juist dan, wanneer er openheid voor het charismatische werk van de Geest ontstaat, een bijbelse onderscheiding der geesten nodig. Want van beslissende betekenis is, hoe dit charismatische werk van de Geest verbonden is met en opgenomen is in, wat wij altijd genoemd hebben, het zaligmakende werk van de Geest in waarachtige wedergeboorte en bekering en het geloven in Jezus Christus tot vergeving en vernieuwing. In die verbondenheid vraagt het charismatische aspect van het christelijke geloof onze positieve bezinning. Het is waardevol, dat Manila ook in die richting een stimulans heeft gegeven.
Overigens heeft Manila in de eerste plaats een zendingsconferentie willen zijn. Het centrale thema was: Verkondig Christus totdat Hij komt. Alleen al door het hoofdthema zo te formuleren, blijkt, dat de discussie in Manila een andere is geweest dan in San Antonio. Ging het bij de laatste om de toch ingrijpende tegenstelling òf de kerk de opdracht heeft om Christus te verkondigen als de enige weg tot behoud, òf dat men mag en moet uitgaan van een door alle godsdiensten gedeelde waarheid, waarin voor een oproep tot bekering en geloof in Christus in wezen geen plaats meer is, in Manila ging de discussie vooral over de vraag, hoe verkondiging en dienst van het evangelie in een juiste verhouding moeten worden gebracht. Er waren er, die heel duidelijk de verkondiging centraal stelden; er waren er ook, die de nadruk erop legden, dat ook de praktische dienst aan de mensheid vanuit het evangelie een onmisbaar element binnen het zendingswerk is. In dit kader kreeg ook Manila de bezinning op de dialoog als gestalte van de verkondiging ruime aandacht.
In het hoofdthema komt ook duidelijk een eschatologisch element naar voren: '… totdat Hij komt'. In de uitwerking daarvan kreeg dit vooral zijn concrete toespitsing in het ideaal, dat als een opdracht werd aangereikt, namelijk om ervoor te zorgen, dat in het jaar 2000 alle bevolkingsgroepen in de wereld door het evangelie zouden zijn bereikt. Velen vonden, dat dit toch wel een te pragmatische vertaling was van het 'totdat Hij komt'. Zou het soms zijn, dat de verwachting van Christus' wederkomst rondom het jaar 2000 ergens op de achtergrond heeft meegespeeld? Gezien de traditie (Augustinus) zou dit nog niet eens zo misplaatst zijn. Maar we bedenken tegelijkertijd, dat Jezus zelf heeft gezegd: van die dag en die ure weet niemand, zelfs de Zoon niet, dan alleen de Vader. De Vader heeft dit aan zichzelf voorbehouden. Maar dat een vurige verwachting van Christus' komst de kerk aanzet tot een ijverige zendingsarbied, dat is onweerspreekbaar. En daarom blijft het wel gelden: Verkondig Christus, totdat Hij komt.
C. Graafland
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 september 1989
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 september 1989
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's