De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De kerk als moeder (2)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De kerk als moeder (2)

9 minuten leestijd

Berkouwer heeft er op gewezen dat 'in deze woorden meespreekt het inzicht in de verbondenheid van Christus en zijn gemeente' (Dogm. Studiën, De Kerk dl. I, blz. 174 vv). Het heil wordt niet verkregen op een strikt individuele en eenzame weg van persoonlijke vroomheid maar op de weg van de gemeente van de Heere. Er wordt in het Nieuwe Testament dan ook steeds gesproken over de stem van God die roept tot het heil. De ek-klesia wordt gevormd door allen die 'uit-geroepen' zijn uit de wereld. Gods genadige hand brengt een kudde bijeen, een volk, een gemeenschap van mensen 'getrokken uit de macht der duisternis en overgezet in het Koninkrijk van de Zoon Zijner liefde' (Coloss. 1 : 13)! De verkondiging van het Evangelie krijgt het karakter van een nodiging tot hen 'die buiten zijn' "om het leven en de gemeenschap der ecclesia te delen en we zien dan ook, dat de Pinksterprediking uitloopt op de doop, op de toevoeging (curs. G. C. B.) van ongeveer 3000 zielen, een toevoeging die als een daad Gods wordt omschreven, een toevoeging aan "de kring van hen, die behouden werden" (G. C. Berkouwer, a.w. blz. 174).

Openbaar
Gelovig worden krijgt concrete vormgeving in het delen in de gemeenschap van de gemeente. En die gemeente treedt in de openbaarheid in gebed en volharding, in de breking des broods en in de gemeenschap. Wie in het Nieuwe Testament een geloofsband met Christus kent, heeft die nimmer buiten de gemeente om. Als Saulus van Tarsen de gemeente Gods vervolgt, dan krijgt hij te horen uit de mond van Christus: Waarom vervolgt gij Mij? Daarom staat het 'buiten de kerk geen zaligheid' inhoudelijk op één lijn met het 'buiten Christus geen zaligheid'. Kerk staat hier voor de weg waarlangs Christus Zich een gemeente vergadert.
Ik zei al: het is Cyprianus geweest die de zinspreuk voor het eerst hanteerde. Er is aangetoond hoe het voor hem steeds ging om de verbondenheid van Christus met de kerk. De kerk is voor hem het huis van God, de bruid van Christus. Ze is vol van het grote licht, van de stroom des levens, die zich zegenend uitstort in de wereld. Ze is de moeder in steeds nieuwe vruchtbaarheid. 'Zo zeer zijn Christus en Zijn gemeente met elkaar verbonden, dat men niet Christus en Zijn heil kan deelachtig worden, wanneer men niet met ecclesia, Zijn ecclesia verbonden is. Wie zich van haar afsluit, sluit zichzelf buiten de belofte der kerk als een vreemde, vijand en goddeloze en hier – aan de grenzen der kerk – vallen dan ook de beslissingen: 'wie de kerk niet tot moeder heeft, kan God niet tot Vader hebben' (Berkouwer a.w. blz. 175).

Ark
Cyprianus hanteert in dit verband ook het beeld van de ark. In Noachs dagen viel de beslissing tussen het binnen of buiten de ark zijn. Buiten de ark van Noach was geen boom of berg hoog genoeg om aan het oordeel Gods te ontkomen. Zo is de kerk plaats des behouds. Het heil is te vinden in de concrete kerk op aarde in haar zichtbare gestalte, door haar verkondiging, daar waar Christus woont en werkt door Zijn Woord, in Zijn Geest.
De hier besproken woorden van Cyprianus zijn ook in onze confessie terecht gekomen. We gaven dat reeds aan. Artikel 28 van de NGB begint aldus: 'Wij geloven, aangezien deze heilige vergadering is een verzameling van hen die zalig worden en dat buiten haar geen zaligheid is…' Guido de Brès deed dit niet op eigen houtje. Er zijn voorbeelden in andere confessies uit die tijd waar men dergelijke uitspraken tegenkomt. Ik noem er twee. In een Zwitserse belijdenis (de Confessio Helvetica posterior, 1562) komt de regel voor 'dat men niet voor het aangezicht van God kan leven, als men met de ware kerk van God geen gemeenschap onderhoudt en zich van haar afscheidt'. En ook dan weer het beeld van de ark des behouds voor de kerk. Ook in de Catechismus van Geneve komen we in vraag en antwoord 105 deze gedachte tegen: 'Is er dan buiten de Kerk niet anders dan veroordeling en dood? Antwoord: Inderdaad, niets anders en allen die zich afscheiden van de gemeenschap van de gelovigen om een eigen sekte te vormen, behoeven op geen heil te hopen omdat zij in scheuring verkeren.'

Misverstand
Ik geef toe, zulke uitspraken kunnen tot misverstand aanleiding worden. We zeiden er al het een en ander van. Daarom dienen we vast te houden aan de oorspronkelijke intentie van deze geloofsuitspraken. En er ook in onze tijd onverkort voor op te komen. Niet uit behoudzucht of onbijbels groepsdenken als zouden wij alleen zoiets als de waarheid in pacht hebben. Maar omdat het naar onze diepste overtuiging nog altijd zo is dat er buiten Christus geen heil is. En omdat Christus Zijn heü in de middellijke weg schenkt. Er is geen mens ter wereld gekomen buiten de moederschoot om. Dat is zelfs nog waar in de tijd dat we spreken van reageerbuisbaby's. Ik sluit dit gedeelte af met een citaat van prof. Van Ruler. 'In die stelregel "buiten de kerk geen zaligheid" liggen twee elementen in elkaar verstrengeld. Enerzijds het element, dat ik de ambtelijke verkondiging van het evangelie nodig heb, om het heil bemiddeld en geschonken te krijgen. Anderzijds het element, dat ik mijnerzijds geheel vrijwillig, wetens en wülens, aan dit heil moet gaan deelnemen. Ik moet om beide redenen lidmaat van de kerk zijn, zal ik het heil deelachtig zijn. Spreek ik hier alleen over de onzichtbare kerk? Hoe zou dat kunnen? De ambtelijke verkondiging is toch een volstrekt zichtbare werkelijkheid? En ik zelf ben toch ook niet bepaald onzichtbaar? Neen, ik spreek hier volstrektelijk over de kerk in haar volle zichtbaarheid en lichamelijkheid. Buiten haar is geen zaligheid! Ik moet bereid zijn, alle consequenties van dit inzicht te aanvaarden. Er zijn verschrikkelijke consequenties bij. Denk aan de verscheurdheid van de zichtbare kerk! Denk aan al de ontzettingen, die met alle organisatie van elke gemeenschap verbonden zijn! Het is geen pleziertje, om lid van een kerk te zijn. Zelfs niet om lid van dè kerk te zijn. Maar: buiten haar is geen zaligheid. (…) Men vindt er het hele, omvangrijke kerkelijke bedrijf en – niet te vergeten – de doodgewone en bizarre kerkmensen. Wie daarvoor z'n neus ophaalt, die is er nog niet. 'De kerk is de plaats, waar Christus met zondaren wil samenwonen' (J. Koopmans). Daar moet een mens z'n blijvende intrek nemen, anders blijft hij ronddolen in de woenstijn van de verlorenheid.
Men kan zich dat niet nuchter en eenvoudig genoeg voorstellen. Het is echt niet puur voor je genoegen datje lidmaat – en dan uiteraard actief lidmaat – van de kerk bent. Er zit ook veel verdriet en ergernis in. Maar het hoort er nu eenmaal wezenlijk bij. Buiten de kerk is geen zaligheid en zonder de kerk kan een mens niet geloven, althans niet in christelijke zin' (in: Waarom zou ik naar de kerk gaan? blz. 73 en 88v).

Zichtbare en onzichtbare kerk
Wie over de kerk als moeder spreekt, bedoelt daarmee de zichtbare gestalte van de kerk aan te geven. In navolging van Calvijn kennen wij het spreken over de zichbare en onzichtbare kerk. Als Calvijn in de Institutie ingaat op 'De uiterlijke hulpmiddelen waardoor God ons tot de gemeenschap met Christus nodigt en in haar houdt', zoals het opschrift boven Boek IV luidt, dan zet hij in bij de kerk en noemt haar de moeder van alle vromen. God gebruikt hulpmiddelen om in ons het geloof voort te brengen en vervolgens te vermeerderen. De prediking van het Evangelie heeft God als een schat aan de kerk in bewaring gegeven. Calvijn bedoelt dan de kerk in haar zichtbare gestalte. Wel geeft hij in dat verband aan dat de Heilige Schrift over de kerk op tweevoudige wijze spreekt. 'Soms bedoelt zij, wanneer zij haar noemt, die kerk, die inderdaad voor Gods aangezicht is. Daarin worden slechts zij opgenomen, die door de genade van de aanneming kinderen van God zijn en door de heiligmaking van de Geest werkelijke leden van Christus. En dan omvat de kerk niet alleen de heiligen die op de aarde wonen, maar alle uitverkorenen, die er sedert het begin van de wereld zijn geweest.' Maar, zo vervolgt hij dan direct: 'Dikwijls echter duidt zij onder de naam van kerk de gehele menigte der mensen aan, die belijden dat zij één God en Christus dienen. Door de doop wordt men ingewijd in het geloof in Hem. Door de gemeenschap van het avondmaal legt men getuigenis af van de eenheid in de ware leer en de liefde. Zij heeft overeenstemming in het Woord van de Heere en zij onderhoudt de dienst, die Christus heeft ingesteld tot de prediking van dit Woord' (Inst., Boek IV, hoofdstuk 7 naar de vert. van prof. Van 't Spijker, 1987).
Calvijn onderkent dat er in haar veel zijn die huichelaars zijn, die van Christus niet veel meer dan de naam hebben en de schijn. Maar dat is voor hem beslist geen reden om de zichtbare kerk vervolgens te minachten. Integendeel, we zijn geroepen haar hoog te houden en de gemeenschap met haar te onderhouden. Hij zegt ergens: Kinderen van God zijn ook kinderen van de kerk.
Prof. Graafland heeft er in een onlangs verschenen studie op gewezen hoe opmerkelijk het is dat in Calvijns Institutie de kerk niet tot de eigenlijke inhoud van de geloofsleer wordt gerekend. De kerk wordt geteld onder de 'uiterlijke hulpmiddelen' en niet als behorend tot het heil zelf (in: Kinderen van één moeder, 1989, Kampen blz. 13). In de Ned. Geloofsbelijdenis en in de Heidelberger is dat anders. Daar staat de kerk met de ambten en de sacramenten wel binnen het raam van de heilsleer. Ook in bijv. de Redelijke Godsdienst van Wilhelmus à Brakel vinden we de kerk op een andere plaats dan bij Calvijn in de Institutie. Brakel schenkt aandacht aan de kerk na de leer van Christus en Zijn werk en vóór het werk van de Geest. Prof. Graafland interpreteert dit opmerkelijke verschil vanuit een verschillende invalshoek door genoemde theologen gekozen. Brakel denkt veel meer vanuit het verbond en Calvijn meer vanuit de verkiezing. Vandaar dat bij Calvijn de kerk haar plaats pas krijgt helemaal aan het eind als het gaat om de uiterlijke hulpmiddelen waardoor men tot het heil komt. 'Enerzijds valt bij hem het hoofdaccent op de persoonlijke toepassing van het heil, waarbij de verkiezing Gods op de achtergrond staat. Maar anderzijds heeft dit bij hem nooit geleid tot individualisme. Want juist om tot dit heil te komen en eruit te leven en naar de volkomen openbaring ervan toe te leven, heeft God de kerk gegeven als een onmisbare hulp' (prof. Graafland, a.w. blz. 17).

J. Maasland, Capelle aan den IJssel

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 september 1989

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

De kerk als moeder (2)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 september 1989

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's