Beweging van leven
Wie de bewegingen van het leven in zich bespeurt, kan wel niet twijfelen of hij leeft. Dit geldt van het geestelijk leven evengoed als van het natuurlijk leven. Wanneer de wind over het land waait, hoort u het ritselen van de bladeren, u ziet de takken zich buigen, de golven worden opgezweept op de vlagen van de storm. Zou het dan in het leven der genade helemaal niet te merken zijn, wanneer dat leven ons deel is? Geen echt geestelijk goed komt in een zondig mens tot stand, zonder de kracht der genade van God, die in ons het willen en het volbrengen werkt naar Zijn welbehagen. Het is bepaald de Heilige Geest, die naar het verenigde getuigenis van Schrift en ervaring beide, de oorzaak en werkmeester is van alle geestelijk leven.
Intussen: hoe verschijnt die godsvrucht, hoe openbaart zich dat leven der genade? Dat is de vraag, waar velen mee worstelen in de stilte. Het is goed ten aanzien van deze vraag naar de leerschool te gaan van de Heilige Schrift. Zij tekent ons het portret van de rechtvaardige en markeert ons een zo scherpe, duidelijke lijn tussen hem en de goddeloze, dat geen vergissing mogelijk is. Het beeld van de rechtvaardige mag ons een spiegel zijn, waarin de gelovige zijn beeld herkent.
In een paar stippellijnen tekent de Schrift ons de man, wiens ziel naar God dorst. In Hem heeft hij een welbehagen. Het is hem goed nabij God te zijn. In Hem heeft hij het volste vertrouwen. Daarom gelooft hij alle Woord, dat hij als van God gesproken erkent, en vertrouwt hij dat al wat God gebiedt rekening houdt met zijn belang. Wij vrezen tegen Hem te zondigen, want wij hebben eerbied en ontzag voor Hem, ons bewust zijnde van het feit, dat Hij geen schepsel maar God is. Er is ook een begeerte de Heere gehoorzaam te zijn, gehoorzaam in alles, in doen en laten, ook al moeten wij er machtigen door ongehoorzaam zijn en hun toom verdragen. Er is zelfs in financiële zaken een tederheid om onze inkomsten zo te beheren, dat de Heere niet aan bod zou komen. Er leeft begeerte om te offeren, van wat wij ontvingen. In de levensleiding vrezen wij een levensbeslissing te nemen buiten de Heere om en vragen dus in keuze van beroep en ambt steeds of de Heere ons een klare visie geven wil overeenkomstig Zijn belofte. En komen er zorgelijke tijden, wij zijn zeer bevreesd tegen de Heere op te staan, maar willen Hem volgen in alle stilheid, ook in de donkere dalen van het leven. Wij hebben de Heere lief, maar ook Zijn gemeente en willen liever met die gemeente kwalijk behandeld worden, dan voor een tijd de genieting der zonde te hebben. De bede van het Onze Vader, dat Gods wil geschiede, ligt ons in het hart verklaard. Wij stellen onze roem in God alleen.
Willen wij het karakter van de echt godsdienstige mens zo sterk mogelijk laten uitkomen, dan moeten wij hem vergelijken met de man, die zijn deel in dit leven zocht. Men kan nooit voller licht op iets laten vallen, dan door datgene, wat er het tegendeel van is, tegenover het zelve te plaatsen. Bij de onvernieuwde mens missen wij alles wat wij bij het kind van God wel vinden. Geen waarde hechten aan God, geen verlangen naar Hem, geen gehoorzaamheid aan Hem, geen offer voor Hem. Wat de apostel Paulus aan de Efeziërs schrijft, dat zij alvorens tot het geloof in Christus te komen, zonder God in de wereld waren – dat is het kenmerk van de godloze. Hij rekent niet met het Woord, waarin Hij de vaste ordeningen voor het menselijk leven heeft neergelegd. En op die manier zien wij zondaars ons een wetenschap zonder God; een kunst zonder God; een literatuur zonder God; een maatschappij zonder God; een opvoeding zonder God; een huiselijk leven zonder God; een politiek zonder God en zelfs een vroomheid zonder God – men vraagt op geen van die levensterreinen naar de beginselen, die God daarvoor in de Schrift geopenbaard heeft. Het is bij tijd en wijle nuttig zulk een tweedelig portret van de gemeente voor ogen te houden – bij de godvruchtigen wordt dan het besef opgescherpt, dat zij van een andere geest zijn dan degenen, die hun deel in deze wereld stellen.
Intussen moeten wij niet eenzijdig worden en de gelovige enkel op zijn best voor gaan stellen, alsof hij niets van de andere mens meer aan zich had, ja, haast volmaakt was. Dat is de fout van vele schrijvers van levensgeschiedenissen of wel het gevaar van het lezen van bekeringsgeschiedenissen. Het leidt er onwillekeurig toe om de zwakke moedeloos te maken, als gold het hier: alles of niets. Het mag dus niet verzwegen worden dat de gelovige integendeel vaak met Paulus zeggen moet: niet, dat ik airede volmaakt ben. Ja, wij moeten met dezelfde apostel vaak klagen: als ik het goede wil doen, ligt het kwade mij bij. Wij hebben maar een klein beginsel van gehoorzaamheid in ons. Dagelijks hebben wij daarbij reden om te vragen, dat God ons onze zonden vergeven mag. Dat houdt ons klein voor God; het doet ons leed dat wij God niet dienen kunnen, zoals deze waardig is gediend te worden; daarom vernederen wij ons voor de Heere. Wij behoren op die manier onder de armen van geest, die dorsten naar de gerechtigheid, zodat wij ons troosten mogen met de belofte van verzadigd te zullen worden.
Op één zaak moet wèl de nadruk worden gelegd. Let op de nieuwtestamentische bedeling. Alle elementen van de vreze des Heeren hierboven opgenoemd zijn in onze bedeling met Christus in samenhang geplaatst. Christus heeft in het bewuste leven der gelovigen de plaats gekregen, die God voor hem weggelegd heeft. Uit Christus' leven ontvangen wij het leven. Daarom heten wij christenen. Hierin, dat Christus ons de Middelaar is, die alle oudtestamentisch middel van gemeenschap met God vervangt, tonen wij de Geest Gods deelachtig te zijn. Dit is van levensbelang. Wij doen goed daarin de aanwijzing van Paulus te volgen, die zich ertoe bepaalde om aan de Corinthiërs te vragen: Of weet gij niet, dat Christus in u is? De Corinthiërs waren veel en lang bezig met te onderzoeken, of Paulus wel een echt en betrouwbaar apostel was. Paulus keert nu de rollen ineens om: Onderzoekt uzelf. Op uzelf valt in het Grieks de nadruk. Dat staat voorop. In plaats van Paulus op de echtheid van zijn apostolaat te onderzoeken, onderzoeke de gemeente de echtheid van haar geloof en zij bewijze die echtheid. Er zijn twee mogelijkheden, een gunstige en een ongunstige. Vragend lokt de apostel eerst de gunstige mogelijkheid uit, dat Corinthe uitroept: Wij weten, dat Jezus Christus in ons is. Dit wil Paulus gaarne. Maar dat kan alleen gezegd worden, als zij tenminste niet af te keuren zijn. Als Christus in ons is, als het voorwerp van ons geloof, als de grondslag van onze hoop, als de sleutel van onze godskennis, als de beminde van ons hart, als het beginsel van onze kracht, als het doelwit van ons leven, dan behoeft men niets meer dan Hem in zichzelf te zien. Hier houdt het zoeken naar kentekenen op.
Het zijn van Christus in ons is het grote merkteken van de oprechtheid van ons geloof. Evenwel ook hier dreigt weer een gevaar, dat men in de kerkgeschiedenis niet geheel ontkomen is. Men bega niet de fout om te eisen dat de christen in alles Christus tot voorbeeld neemt en wel in die mate, dat eigen persoon en historie in zeker opzicht schijnen samen te smelten met de persoon en de historie van de goddelijke Meester. Men blijve onderscheiden tussen God en Christus. Het gevaar van een zoete Jezusmystiek is anders niet denkbeeldig. In dit opzicht kunnen wij de gereformeerde opvatting der dingen met zijn nuchterheid niet genoeg bewonderen en aanbevelen. Volgens deze toch is niet het leven van Jezus de regel van ons leven, maar de Wet van God. Ongetwijfeld wordt Jezus ons ook tot navolging voorgesteld. Maar om te weten in welke dingen wij Hem navolgen mogen, behoren wij de voorlichting van de Wet. Die zegt ons alleen wat God van alle geheiligden wil. Die Wet trekt een grenslijn tussen ons en Hem. Christus ontving van God een last, die niemand met Hem dragen zou. Op deze wijze blijft er tussen Christus en de gemeente een eerbiedige afstand bestaan. Een afstand die niet de gemeenschap uitsluit, maar de heilige omgang bevordert.
A. van Brummelen, Huizen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 oktober 1989
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 oktober 1989
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's