De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De zekerheid van het geloof

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De zekerheid van het geloof

13 minuten leestijd

(N.a.v. een historisch onderzoek in deze materie.)

In 1988 verscheen in de Verenigde Staten een dissertatie van de hand van Rev. J. R. Beeke, predikant van de Gereformeerde Gemeente in Grand Rapids, Michigan. Deze dissertatie werd verdedigd aan het Westminster Theological Seminary ter verkrijging van de graad van Doctor in de Filosofie, zoals dat dan heet. De titel van het proefschrift luidt (vertaald in het Nederlands): 'Persoonlijke zekerheid van het geloof: Engels puritanisme en de Nederlandse Nadere Reformatie: van Westminster tot Alexander Comrie (1640-1760)'.
Het onderwerp 'de zekerheid van het geloof' blijft in de belangstelling van de christelijke gemeente staan. De inhoud van dit boek biedt veel om tot een beter inzicht te komen hoe in het verleden gedacht en geschreven is over dit thema. En wanneer we het verleden kennen, kunnen we daar in het heden onze winst mee doen.
De studie van Beeke is m.i. van hoog niveau. Hij heeft zich grondig ingelezen in de betreffende schrijvers, en daarnaast heeft hij zich verdiept in een breed terrein van secundaire literatuur. Het boek biedt ook meer dan beloofd wordt. Beeke beperkt zich niet tot de periode 1640-1760. In het kort wordt ingegaan op de opvatting van de Vroege Kerk en de Kerk in de Middeleeuwen. Maar tamelijk uitvoerig wordt stilgestaan bij de Reformatie, waarbij vooral Calvijns inzichten helder en evenwichtig getekend worden. Vervolgens komt William Perkins aan bod als voorloper van het Engelse Puritanisme, en Willem Teellinck als voorloper van de Nadere Reformatie.
Het eigenlijke onderzoek beslaat drie hoofdstukken. Eén over de Westminster Confessie hoofdstuk 18, dan een hoofdstuk over John Owen, en vervolgens over Alexander Comrie. In deel drie van het boek volgt een vergelijking van het Engelse Puritanisme en de Nederlandse Nadere Reformatie. Deze twee parallel lopende stromingen vloeien samen in de persoon van Thomas Goodwin, aldus de conclusie van Beeke.
Het is niet mijn bedoeling dit boek uitvoerig te bespreken. Slechts enkele zaken wil ik aan de orde stellen, die mij persoonlijk troffen.

Calvijn en de Calvinisten
De verhouding tussen Calvijn en zij die na hem kwamen is een bekend discussiepunt. In de Engelstalige wereld gaat het dan met name om de verhouding tussen Calvijn en de Westminster Confessie van 1646. Velen constateren een verschil in het spreken over en definiëren van geloof bij Calvijn en in de Westminster Confessie. Calvijn spreekt over geloof als over iets wat zekerheid in zichzelf heeft, terwijl Westminster en latere theologen (en Engeland en Holland) zekerheid zouden zien als iets wat aan het geloof toegevoegd moet worden.
Beeke signaleert twee partijen, die er beide van uitgaan, dat er een verschil in benadering bestaat tussen Calvijn en Westminster. Daar is allereerst de opvatting van Cunningham e.a. dat Calvijn op een wat overdreven manier gesproken heeft over de zekerheid van het geloof 1) omdat hij zelf zo'n verzekerd geloof bezat, 2) omdat in die tijd Gods genade met zoveel kracht over de mensen uitgestort werd, 3) omdat hij sprak tegen Rome, dat elke vorm van persoonlijke geloofszekerheid ontkent. Volgens deze opvatting had Calvijn soms wel eens wat voorzichtiger kunnen spreken over de zekerheid van het geloof.
Een tegengestelde opvatting wordt verdedigd door Robert T. Kendall. Deze gaat er van uit, dat Calvijn het bij het rechte eind had, maar dat latere theologen de zekerheid van het geloof hebben verlegd van de vastheid van Gods beloften naar de inwendige gestalten van de mens.
Beeke stelt dan, dat beide opvattingen onbevredigend zijn. Met name Calvijns positie wordt noch door Cunningham, noch door Kendall juist weergegeven. Hierop geeft Beeke een aantal uitspraken van Calvijn waaruit blijkt, dat geloof voor Calvijn zekerheid betekent. Misschien wel de meest krasse uitspraak is die uit zijn commentaar op 2 Cor. 13 : 5 – 'Paulus betuigt dat die verworpen zijn, die twijfelen, of zij Christus bezitten, en van Zijn lichaam zijn. Daarom zal dit ons alleen een recht geloof zijn, dat ons gerust maakt, en niet met twijfelachtige mening, maar met vaste en gestadige zekerheid in de genade Gods rusten'. Wie twijfelt is verworpen! Kan het scherper?
Maar dan maakt Beeke duidelijk, dat Calvijn zelf deze uitspraak op andere plaatsen afzwakt of schijnbaar tegenspreekt. Het geloof is altijd vermengd met ongeloof. Ook zegt Calvijn: 'Wanneer wij leren dat het geloof zeker en gerust moet zijn, zo hebben wij niet in de zin te spreken van zulke verzekerdheid, door geen twijfeling geraakt wordt, noch van zodanige gerustheid, welke door geen bekommering wordt overvallen'. (Inst. 3, 2, 17).
Deze schijnbare tegenstrijdigheid in de gedachtengang van Calvijn kan alleen worden verstaan, aldus Beeke, wanneer aangenomen wordt, dat Calvijn denkt vanuit een aantal 'dynamische principes' (dynamics). Nu moeten we, denk ik, voorzichtig zijn met het begrip 'dynamisch'. Voor sommige mensen betekent dit, dat je iets zegt, maar het tegenovergestelde bedoelt. Maar m.i. zijn de 'dynamics' die Beeke bij Calvijn signaleert wel wezenlijk. Het komt hier op neer: wanneer we Calvijn lezen, dan moeten we onderscheid maken tussen de keren dat hij spreekt over de definitie van waar geloof en andere keren wanneer hij spreekt over de praktijk van het geloof. Het wezen van het geloof is zekerheid, maar in de praktijk van het geloofsleven staat het geloof midden in de strijd tussen vlees en geest. Wanneer Calvijn het geloof beschrijft, dan doet hij dit in zijn volmaakte vorm. Maar in dit leven zal het geloof nooit tot die volmaaktheid komen.
Me dunkt dat dit dynamisch verstaan van Calvijn van grote praktische betekenis is. In de prediking mogen we ons niet laten leiden door een afgezwakt beeld van wat geloof is. Het geloof moet gepredikt en voorgesteld worden in al zijn rijkdom. Tegelijkertijd moet er de pastorale aandacht zijn voor de strijd en bestrijding waar dit geloof mee te maken heeft. Als de bestrijding ontkent wordt, dan wordt een geloof gepredikt waarin niemand zich herkent. Maar ik ben bang dat ook wel eens de bestrijding zo zeer benadrukt wordt, dat als een gevolg daarvan een soort tweederangs geloof gepredikt wordt, omdat de zekerheid toch eigenlijk niet meer gevonden wordt. Dan zijn we slechte leerlingen van Calvijn. N.a.v. de theologie van de Westminster Confessie schrijft Beeke (p. 165): 'Het is Gods bevel om te staan naar zekerheid… Al zijn er nog zo velen, die de zekerheid missen, het mag nooit beschouwd worden als een voorrecht van bijzondere godzaligheid (exceptional sainthood), maar als normatief voor allen, die geroepen zijn door Jezus Christus'.

De vierschaar der conscientie
De uitdrukking 'rechtvaardigmaking in de vierschaar van de conscientie' is niet onbekend. Het staat voor een zeer indringende ervaring in het leven van sommigen van Gods kinderen, waardoor zij volkomen verzekerd werden van hun deel aan Christus en het kindschap Gods. Deze ervaring wordt beschreven als een rechtszaak, waarbij de zondaar in de beklaagdenbank zit, tegenover God als Rechter. Het geweten, de wet en de duivel worden genoemd als aanklagers. De ziel kan niets dan dan het hoofd buigen en instemmen met het rechtvaardige vonnis. Dan treedt de Advocaat, Christus, tussenbeide, die vrijspraak bepleit voor de zondaar, welke vrijspraak door God genadig verleend wordt.
Vaak wordt deze 'vierschaar-beleving' gezien als de hoogste vorm van zekerheid waartoe een mens in dit leven kan komen. Beeke in zijn dissertatie beschrijft ook een vierschaar-beleving, maar nu zoals die te vinden is in de werken van John Owen. Owen spreekt hier over n.a.v. Rom. 8 : 16 – 'De Geest getuigt met onze geest, dat wij kinderen God zijn'. Gods kinderen hebben nog steeds de overblijfsels van hun oude natuur in zich. Daarom twijfelen zij er soms aan of ze nu werkelijk een kind van God zijn.
Owen beschrijft de vierschaar-beleving als volgt. De ziel wordt in Gods rechtzaal gebracht. Daar voert de ziel haar pleidooi, nl. dat zij een kind van God is. De ziel voert alles aan wat er aan blijken van genade in haar gevonden wordt, alles waardoor het geloof haar verenigt met God. Satan, zonde en de wet vormen de oppositie. Zij stellen de aangevoerde blijken van genade in twijfel. Dan verschijnt de Trooster, de Heilige Geest, die met een beloftewoord het hart van de mens overweldigt, en hem ervan overtuigt, dat zijn pleidooi, dat hij een kind van God is, terecht is. De Geest getuigt met zijn geest. Dit geeft de 'volle' zekerheid van het geloof. Deze vierschaar-beleving kan echter jaren in beslag nemen voordat zij beslist is.
Dit is duidelijk een totaal andere benadering van de vierschaar-beleving.
Er is een aantal typische verschillen. Allereerst is deze beleving bij Owen geen gebeuren van een ogenblik. Er staat geen bepaalde tijd voor. Het kan jaren doorgaan voordat het pleit beslecht is. In Owens beschrijving valt met name op, dat de mens actief is in het bepleiten van zijn zaak. Over het algemeen constateert Beeke, dat in de Engelse theologie het geloofsbegrip veel actiever wordt opgevat dan bij Nederlandse theologen, met name bij Comrie (daar komen we nog op terug). Daarnaast moet bedacht worden, dat het hier gaat om de zekerheid van het geloof. En de vraag naar zekerheid kan alleen gesteld worden door een gelovige. Dit is één van de dingen, die mij troffen bij het lezen van deze studie. Het lijkt een open deur, maar hoe vaak wordt het niet vergeten.
De vraag naar zekerheid kan alleen gesteld worden als er geloof is. Het geloof moet ook actief zijn in het zoeken naar zekerheid. Dat is treffend getekend in Owens vierschaar-beleving. Nog iets wat opvalt is, dat niet Christus de advocaat is, maar de Heilige Geest. Opnieuw dienen we te bedenken, dat het gaat om de zekerheid van het geloof Christus is het voorwerp van het geloof, maar is niet de Heilige Geest in het bijzonder actief in het bewerken van de zekerheid des geloofs?
Beeke constateert, dat bij Nederlandse schrijvers de vierschaar-beleving een wezenlijke ervaring is, terwijl Owens beschrijving ervan slechts illustratief bedoeld is.

Comrie
Beeke vraagt met name aandacht voor Comrie, omdat diens geschriften zich nogal concentreren rond de thema's van geloof en zekerheid. Met name het geloofsbegrip van Comrie wordt besproken. Volgens Beeke was Comrie vooral bevreesd dat mensen de daad van het geloof zelf zouden gaan zien als iets wat hen rechtvaardigt. In dat geval zou het geloof een werk worden. Comrie wilde heel nadrukkelijk vasthouden aan de rechtvaardigmaking als een souvereine gift van Gods genade. Daarom sloot hij elke menselijke activiteit uit. Het geloof is dan ook niet in de eerste plaats een activiteit van de mens, maar het geloof is iets wat God in een mensenhart uitstort, als ware het een 'ding'. Dit geloof 'heb' je dan en dit wordt de 'hebbelijkheid' van het geloof genoemd (habitus). Maar het hebben van het geloof is nog niet hetzelfde als geloven. Daarvoor moet het geloof eerst actief gemaakt worden door de Heilige Geest. Dat wordt de 'dadelijkheid' van het geloof genoemd (actus).
Beeke merkt op, dat Comrie zich hier onderscheidt van W. à Brakel, die sterk de activiteit van het geloof benadrukt. Ook Engelse theologen leggen veel meer nadruk op de actie van het geloof, zonder natuurlijk te ontkennen dat het geloof een gave van God is.
De vrees, dat de activiteit van het geloof, zoals het vertrouwen op de beloften, het vluchten tot Christus, etc, de soevereiniteit van God aantast in het stuk van de rechtvaardigmaking, hoeft m.i. niet te leiden tot een opzijzetten van deze activiteit van het geloof. De Heidelberger, vr. 61, en de Nederlandse Geloofsbelijdenis, art. 22, onderkennen het gevaar, maar spreken toch vrijmoedig over het geloof als een instrument, waarmee wij Christus, onze Rechtvaardigheid, 'omhelzen' (= actie), en dat ik de gerechtigheid van Christus alleen door het geloof kan 'aannemen en mij toeëigenen' (= actie).
Verbonden aan de nadruk op de 'hebbelijkheid' van het geloof bij Comrie, is zijn voorstelling van de rechtvaardigmaking. Beeke citeert Comrie aldus: 'God rekent de gerechtigheid en genoegdoening van Christus toe aan de uitverkoren zondaar in de tijd der minne door een onmiddellijke, directe toerekening, een toerekening, die voorafgaat aan alle daden van het geloof'.
Comrie spreekt dan ook van 'een rechtvaardigmaking voor het geloof'. In kwam deze uitdrukking eens tegen in een preek die ik las. Ik dacht toen eerst, dat er sprake was van een drukfout. Er moest natuurlijk staan: 'rechtvaardigmaking door het geloof, dacht ik. Toch bleek, dat het voorzetsel 'voor' bedoeld werd. Ik ga nu niet in op de theologische (filosofische?) redenering die Comrie aanvoert ten gunste van deze rechtvaardigmaking voor het geloof. M.i. veroorzaakt een dergelijke uitdrukking een spraakverwarring, die ons ver afvoert van het Bijbelse spraakgebruik en van de taal van onze belijdenisgeschriften. De Catechismus zegt onomwonden, dat ik rechtvaardig ben voor God 'inzoverre ik zulk een weldaad met een gelovig hart aanneem'.
In deze historische studie beperkt Beeke zich tot beschrijven, analyseren en vergelijken. Met name op dit punt in zijn studie had ik graag een wat meer kritische benadering gezien.

Tenslotte
Beeke ziet geen wezenlijke tegenstelling tussen de Reformatie enerzijds en het Puritanisme en de Nadere Reformatie anderzijds. De laatsten hebben de gronden voor de zekerheid des geloofs nader uitgewerkt. Hiertoe werden ze vooral gedreven door pastorale noodzaak. De kerken vulden zich met mensen, die genoegen namen met een verstandelijke instemming met de waarheid van het evangelie. Toch hebben de Puriteinen en de theologen van de Nadere Reformatie altijd vastgehouden aan de eerste en meest wezenlijke grond van de zekerheid, nl. de beloften in Gods Woord. Andere gronden (syllogismus practicus, getuigenis van de Heilige Geest) moesten altijd gebaseerd zijn op dat eerste. Ook hebben ze gewaakt voor een ziekelijk zelfonderzoek, waarbij de mens in het middelpunt komt te staan. Zij wilden slechts het werk van de drieënige God aan het licht brengen. 'God gave dat onze kerken en gemeenteleden zo theocentrisch waren als de Engelse Puriteinen en de theologen van de Nadere Reformatie.' (p. 379). Daar mogen we gerust 'Amen' op zeggen.
Beeke heeft ons in zijn dissertatie een waardevolle studie geschonken, die aanzet tot verdere doordenking en studie van de vragen rondom de zekerheid van het geloof. Bij mijzelf blijft een drietal wensen en vragen over:
1) Het ware te wensen, dat dr. Beeke een vervolg liet verschijnen op dit boek, waarin hij het een en ander toepast op de praktijk van het gemeenteleven.
2) Indien de Puriteinen en de 'Oude Schrijvers' door de pastorale praktijk bewogen werden om te schrijven wat ze geschreven hebben, vraagt dan de pastorale praktijk van vandaag niet om weer een andere benadering? Toen waren de kerken vol met mensen die dachten dat ze bekeerd waren. Nu zijn er vele gemeenten, waar meer dan de helft van de kerkgangers (soms van de 'leden') vinden dat ze niet bekeerd zijn (bijv. gelet op het aantal avondmaalsgangers).
3) Welke rol kan de exegese van Efeze 1 : 13 spelen in de vraag naar de zekerheid des geloofs, wanneer we daar niet moeten lezen 'nadat gij geloofd hebt', maar 'toen gij geloofd hebt, zij verzegeld geworden met de Heüige Geest der belofte'?

W. Meijer, Ford Macleod

N.a.v. Joel R. Beeke, Personal assurance of faith; English Puritanism and the Dutch 'Nadere Reformatie'; from Westminster tot Alexander Comrie (1640-1760).)
Uitgegeven bij: U.M.I. Dissertation Information Service, 300 N. Zeeb Road, Ann Arbor, MI 48106 U.S.A.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 oktober 1989

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

De zekerheid van het geloof

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 oktober 1989

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's