De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Stefanus leest het Oude Testament

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Stefanus leest het Oude Testament

9 minuten leestijd

Het boekje, onderaan deze bijdrage genoemd, bevat acht preken, door drs. H. de Jong gehouden in de Nederlands Gereformeerde Kerk van Amsterdam-Centrum.
Deze preken zijn een uitleg van de rede, die de diaken Stefanus heeft gehouden voor het Sanhedrin te Jeruzalem. Zij staat in Handelingen 7.
Stefanus wordt ervan beschuldigd, dat hij lasterlijke woorden spreekt tegen Mozes en God, tegen de tempel en tegen de wet. En dan spreekt hij zijn verweer.
Ds. De Jong beoogt met zijn preken 'bestrijding van de tegenwoordig vaak gehoorde stelling, dat de Bijbel, en in het bijzonder het Oude Testament, een joods boek zou zijn'. Hij licht deze conclusie toe door op te merken, dat het Oude Testament thans veelal wordt gelezen 'buiten Christus, als de Middelaar, om'. Wel wordt er gesproken over Jezus, als 'één van de grootsten van zijn volk'. Maar hij is niet de Christus, de beloofde Middelaar, die wij 'nodig hebben om voor God te kunnen bestaan'. Daar tegenover willen deze preken hoorders en lezers scholen in het christelijk lezen van het Oude Testament.
In zijn verdediging maakt Stefanus een tocht door Israëls geschiedenis. Hij begint met de roeping van Abraham. De God der heerlijkheid roept hem om te gaan naar het land, 'dat Ik u wijzen zal'. En zegt hij: God bracht Abraham, via een oponthoud in Haran, 'over in dit land, waar gij nu in woont', (Hand. 7 : 4). De Jong wijst erop hoe ontnuchterend en simpel Stefanus spreekt over het land, dat voor het Sanhedrin 'heilig land' is. Maar, het bezit van Kanaan is niet het einddoel voor het volk Gods. Het gaat op Sion aan, de plaats de verzoening, waar Christus Zijn middelaarswerk volbrengt.
Stefanus wijst dan op wat God nog meer tot Abraham zegt: Zijn nakomelingschap zal dienstbaar zijn in een vreemd land, gedurende vierhonderd jaren. Maar God zelf zal het volk daaruit verlossen en Hij zal de verdrukkers oordelen. De exodus zal een Godsoordeel zijn. Wij kunnen, zegt De Jong, de verlossingen Gods niet op één lijn stellen met menselijke bevrijdingsbewegingen. Dat heben de bevrijdings-theologen te bedenken. Stefanus laat zien, dat er voor Abraham geen menselijke zekerheid is. Hij is een vreemdeling in het land, waarin hij woont. Hij heeft er geen grond, 'ook niet één voetstap', (7 : 5) en hij heeft nog geen nakomeling. Maar wèl heeft hij Gods belofte: Eens zal er voor hem land en een nageslacht zijn.
Stefanus vervolgt dan: 'En Hij gaf hem het verbond der besnijdenis', (7 : 8). De Heere God bevestigt Zijn beloften aan Abraham door deze verbondshandeling. Voor het Sanhedrin, zegt De Jong, dient de besnijdenis tot zelfverzekerdheid. Maar in de Schrift dient de besnijdenis tot geloofszekerheid: zij verzekert de getrouwheid van de beloften Gods. Zo slaat Stefanus het Sanhedrin joodse zekerheden uit de hand. De besnijdenis spreekt het volk over de belofte Gods van toekomend heil. Dat vraagt geloof. En nu is dit heil in Christus werkelijkheid geworden.
De derde, vierde en vijfde homilie richten zich op wat Stefanus zegt over de middelaarsfiguren in het Oude Testament, Jozef en Mozes.
Jozef, die voor zijn broeders een steen des aanstoots is, komt in Egypte tot zijn bestemming. Hij zal daar Israël in het leven behouden. In deze functie is hij als middelaar voorgestalte van Christus. Ook Die is voor velen in Zijn volk een steen des aanstoots.
Mozes, eens door zijn volksgenoten verloochend, wordt door de Heere geroepen om Israël uit het diensthuis uit te leiden. Stefanus spreekt hier over Mozes' voorzegging van een profeet, die God in Israël zal doen opstaan. Hij wijst daarbij op de verwerping van de Heere en Zijn dienaar Mozes bij de dienst van het gouden kalf.

Verwerping
De leden van het Sanhedrin moeten deze herinnering aan Mozes hebben verstaan als een verwijzing naar hun verwerping van Jezus Christus als de Middelaar: Een zware beschuldiging. 'Moeten wij ze maar verdonkeremanen in de ontmoeting vandaag met de joden?' vraagt De Jong. 'Nee', zegt hij, 'wij mogen ze niet vergeten. Alleen: nooit triomfantelijk, slechts bevende kunnen wij ze naspreken'. Voor christelijke zelfroem is geen plaats. Wie meent te staan zie toe, dat hij niet valle.
Ook brengt Stefanus de Tempel ter sprake. Immers hij wordt ervan beschuldigd 'lasterlijke woorden te spreken tegen deze heilige plaats' (6 : 13). Hij zegt hoe reeds in de woestijn de vaderen God verwierpen; maar Hij bleef getrouw: De Tent der getuigenis, de Tabernakel, 'was onder onze vaderen in de woestijn', (7 : 44). God bleef bij hen. De prediker laat nu zien, wat overheersend was bij de intocht in Kanaän: Onder Jozua brengt het volk de tentwoning van God, 'in het land, dat de heidenen bezaten'. Zo komt de Heere God Kanaan binnen met de Israël-stammen in Zijn gevolg. Die gunst bewijst Hij aan Kanaän en aan Zijn volk. Later brengt koning David Tabernakel en Verbondsark naar Jeruzalem als 'een woonstede voor de God van Jakob' (7 : 46 St. V.). David mag ook voorbereidingen maken voor de Tempelbouw, maar Salomo, zijn zoon, zal de Tempel bouwen. 'Salomo, als zoon van David, was een vooruitwijzing naar de Christus, Davids grote Zoon, de tempelbouwer bij uitstek'.
Zo brengt Stefanus Israëls geschiedenis naar haar hoogtepunt. Het gaat 'van exodus tot cultus'. En als hij daar is aangeland, zegt Stefanus: 'Maar de Allerhoogste woont niet in tempelen met handen gemaakt; gelijk de profeet zegt: De hemel is Mij een troon en de aarde een voetbank mijner voeten; hoedanig huis zult gij Mij bouwen, zegt de Heere', (7 : 48-49).
Dat is profetische verkondiging, 'typerend voor het Oude Testament'. Dit wijst steeds vooruit naar zijn vervulling in Christus: Zoals de Tabernakel verwijzing is naar het hemels heiligdom, dat God aan Mozes heeft getoond, zo is ook de Tempel een teken. Hij verwijst naar Christus' gemeente. Die is, als tempel in de Heere, gebouwd op het fundament van apostelen en profeten met Jezus Christus als uiterste hoeksteen: In Hem worden wij 'mede gebouwd tot een woonstede Gods in de Geest', (Ef. 2 : 20-22).
Het is dit uitzicht, dat Stefanus doet zeggen tot het Sanhedrin: 'Hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oren, gij verzet u altijd tegen de Heilige Geest, gelijk uw vaders, zo ook gij', (7 : 51).

Toenadering
Deze aanklacht, zegt De Jong, zou voor ons niet de toonaard kunnen zijn voor een gesprek tussen Kerk en Israël. Daartegenover stelt hij vast: 'Het moderne gesprek met de synagoge, of beter met sommigen van de synagoge, is mogelijk geworden dankzij de aarzeling, die aan christelijke zijde is ontstaan of Jezus Christus wel werkelijk de Zoon van God is.' En hij vervolgt: 'U moet verband leggen tussen de humanisering van ons christelijk geloof, zoals die in de laatste tijd in de kerken bijna algemeen geworden is, en de toenadering tot het joodse geloof.' Echter als wij die toenadering afwijzen, is dat nog geen antisemitisme. Dat 'is een vrucht, die niet op de bodem van het geloof, maar op die van de geloofsàfval groeit'.
Stefanus heeft de wortel van het verschil tussen kerk en synagoge duidelijk blootgelegd. Reeds in het Oude Testament wordt het verschil tussen het bondsvolk Israël en jodendom zichtbaar.
Ook wij, zegt De Jong, vragen ons af: 'Hoe lees je "wet en profeten"?'
'Als een joods boek of als een boek van de Geest van Christus? Als boek, dat de mens stijft in z'n religieuze zelfvoldaanheid, of als het boek waarin de Heilige Geest ons stap voor stap heenleidt naar Jezus Christus, de Middelaar Gods en der mensen?'
In de laatste van zijn acht preken vraagt de schrijver zich af, wat wij doen bij de toepassing van Handelingen 7. 'Kunnen wij dit bijbelgedeelte zomaar gebruiken als wij met de belijders van het joodse geloof in aanraking komen?' Wordt zo het gesprek niet getorpedeerd? De Jong ziet daarom zijn verkondiging 'meer als een doorstoot naar het christendom van nu, dan naar het jodendom van nu'. En wel, 'naar het christendom van nu, zoals dat bezig is te verjoodsen'.
Wat dat jodendom betreft, pleit hij voor de gedragslijn, die vóór en ná Stefanus' optreden, door de apostelen is gevolgd. Hij wijst erop, dat de scherpe woorden over de hardnekkigheid en het onbesneden zijn van hart en oren en over het wederstaan van de Heilige Geest niet van meet af aan door de christelijke woordvoerders tot de joden van toen zijn gericht. In de verkondiging van de eerste gemeente wordt de aanklacht tot Israël aangaande Jezus' dood, veelszins mild geformuleerd. Petrus zegt het de joden aan: 'En nu, broeders, ik weet, dat gij het door onwetendheid gedaan hebt, gelijk als ook uw oversten'; maar God heeft vervuld de verkondiging der profeten, 'dat de Christus lijden zou', (3 : 17-18). En toegewijd en verzoenend sluit de apostel af: 'God heeft in de eerste plaats voor u Zijn Knecht doen opstaan en Hem tot u gezonden, om u te zegenen', (3 : 26).

Ruimte
Krachtig wordt in deze leerreden de gemeente gewaarschuwd tegen verwereldlijking en humanisering van het christelijk geloof. Het geestelijk jodendom, dat op de bodem van ons aller hart leeft, wordt – in Stefanus' spoor – afgewezen. Evenwel, de apostolische verkondiging schept voor ons, christenen uit de volken, de ruimte om, samen met het bondsvolk Israël, tot Christus te gaan. De gemeente wordt door deze Schriftuitleg daartoe georiënteerd en gevormd. Eén voorbehoud hierbij: Ook bij ons kunnen gedachten leven en meningsvorming zich beperken tot een verstandelijk overwegen. Echter, de prediking moet in ons ook het verlangen wekken, dat de Heilige Geest in onze harten zal ontsteken een oprecht geloof, hetwelk Jezus Christus met al Zijn weldaden omhelst, (Ned. Gel. bel.). Zij moet, als wij zijn bekommerd om onze ongerechtigheden, ons ertoe brengen in vrijmoedigheid tot God te gaan. Dit had ik in de verkondiging sterker benadrukt willen zien. Maar verder, lezing en overdenking van deze Schriftuitleg van harte aanbevolen.

P. C. Kardol

N.a.v. drs. H. de Jong, Handelingen 7. Om het christelijk lezen van het Oude Testament; uitgave Van den Berg, Kampen, 102 blz., ƒ 15,65.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 oktober 1989

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Stefanus leest het Oude Testament

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 oktober 1989

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's