Een moederlijke begeerte
Zij zeide tot Hem: Zeg, dat deze mijn twee zonen zitten mogen, de een tot Uwe rechter-, en de ander tot Uwe linkerhand in Uw Koninkrijk.Maar Jezus antwoordde en zeide: Gijlieden weet niet wat gij begeert.Mattheüs 20 : 21 en 22a
Zo af ten toe staan er vaders en moeders met kleine kindertjes vooraan in de kerk, bij het doopvont. Zij komen met een ouderlijke bede en begeerte bij de Heere. Lang geleden stond er een moeder van al grote jongens bij de Heere Jezus. 't Was toen Hij Zich bevond op de weg naar Jeruzalem, Zijn laatste gang. Hij ging lijden en sterven om het Koninkrijk van God op aarde te doen komen en de ingang erin te verwerven voor een volk, dat er van nature buiten ligt.
Toen was daar die moeder, waarschijnlijk Salome geheten, met een vraag op haar lippen en in haar hart. 't Is mogelijk dat zij deze vraag namens haar beide jongens overbracht aan de Heiland. Ze vraagt voor hen om een ereplaats in het komende Koninkrijk. Dat is een moederlijke begeerte, die
1. voortkomt uit gelovige ootmoed.
Je zult maar zo'n moeder hebben of gehad hebben, lezers en lezeressen! Ja hoe vaak zijn moeders tot zegen van kinderen geweest. Hebt of had u ook een vrome, gelovige moeder? Denken we nog wel eens aan woorden van haar, die ons onder het hart droeg? 'Aan moeders hand tot Jezus' is de titel van een wellicht ook onder ons bekend boekje.
Wat een kostelijke begeerte van deze moeder, waarvan de tekst tot ons spreekt. Het valt daarbij op, dat deze moeder niets voor zichzelf vraagt. En niets vraagt zij voor haar kinderen wat de dingen van deze wereld betreft.
O, wat is dat vaak anders onder ons. Hoevelen verlangen dat hun kinderen meer zullen worden en het beter op aarde zullen hebben dan zijzelf. Ons hart is van nature volop wereld, bezet met verlangens naar vergankelijke dingen en leeg van God, vreemd aan goddelijke zaken. Ontdekten we dat reeds vanuit de Schrift en door de werking van Gods Heilige Geest? Dat wordt ons tot schuld en tot smart voor Gods Aangezicht.
Neen, dan deze moeder Salome. Deze begeerte onderstelt geloof, want ze vraagt iets voor haar jongens betreffende het Koninkrijk der hemelen dat door de Heere Jezus gebracht zal worden. Deze moeder gelooft en mag er iets van zien, dat door Zijn werk van kruis en opstanding heen het Koninkrijk komt. Daar is nog niets van te zien, integendeel, 'zij zien Hem met schande overdekt, onder het kleed van een geringe dienstknecht, maar toch… ervan overtuigd dat Hij weldra een schitterende Koning zal wezen, omdat HijZelf dit had gezegd,' merkt Calvijn op. Dat kan het geloof, het ware geloof, werk van de Heilige Geest, alleen maar aanschouwen. Want dat geloof ziet en weet alles aan zaligheid buiten zichzelf in Hem alleen. En dat geloof is ook ootmoedig. Het vraagt om plaatsen in het Rijk van God, omdat Hij daarover beslist. 'Zeg, dat deze mijn twee zonen mogen zitten…'
Kent u iets van deze gelovige ootmoed? Is het bij u om Hem begonnen? Wilt u met uw kinderen, kleinkinderen zo graag bij de Heere zijn? Is dat het voortdurend gebed? Maar helaas, deze moederlijke begeerte is er een, die
2 besmet is met geestelijke hoogmoed.
Hoe mooi het ook is, dat een moeder met zulk een verlangen bij de Zaligmaker verschijnt, deze begeerte is 'vertroebeld, het zuivere zaad is door bederf aangetast', aldus weer Calvijn.
Ach, deze moeder denkt immers dat het in Gods Rijk precies zo toegaat als op de aarde. De (beste) plaatsen worden bezet door 'ellebogenwerk', door opzijdringing van anderen. Deze moeder beeldt zich met haar zonen een rijk in, waarbij zij zich laten vervoeren de eerste plaatsen daarin te bezetten. Er was een beginsel van waarachtig geloof bij Salome, ze schouwde iets van het geheim van deze Kruiskoning, Die door lijden tot heerlijkheid, door vernedering tot verhoging zou komen. Maar wat een hoogmoed te denken voor de beste plaatsen geschikt te wezen, alsof het vanzelfsprekend was, dat haar zonen in dat Rijk zouden aanwezig zijn met Hem. Nooit is het geloof op aarde volkomen. Nooit is de liefde tot de Heere vrij van zelfbedoelingen. Och, wie zichzelf voor God leert kennen als een verloren zondaar of zondares, voor zulkeen wordt het een eeuwig wonder niet buitengesloten te zullen zijn. Niets is verdiend. De minste plaats in Gods Koninkrijk is verbeurd. Door wedergeboorte leren we, dat we niet binnen maar buiten het Rijk van God gekomen zijn door eigen schuld. En hoe ooit in te gaan? Iemand schreef eens: 'Hoogmoed is de onderste rok, die we het eerst aan- en het laatst uittrekken!'
De bede moge rijzen: Weerhoud, o Heere uw knecht, dat hij zijn hart niet hecht aan dwaze hovaardij. Heerst die in mij niet meer, dan leef ik, tot Uw eer, van grote zonden vrij…
Een moederlijke begeerte, jawel maar die tenslotte ook
3. ontdaan wordt van menselijke overmoed.
Maar Jezus zeide… Weer dat 'maar'. Wat een tegenstelling. Hoe fijn het ook voor de Heiland was, dat deze moeder met haar jongens Hem zag in Zijn koninklijke heerlijkheid, toch moet deze begeerte Hem zoveel pijn hebben gedaan. Daar gaat Hij op de weg naar Jeruzalem, Zijn laatste gang op aarde voor Zijn heengaan. Hij is vol van de begeerte Zijn Vader te verheerlijken en Zijn volk zalig te maken. Hij is vrij van alle Zelfbedoeling. En dan deze zo vleselijke begeerte te horen uitspreken! Hoe voorbarig! Hoe overmoedig! Het Rijk moet nog in en met Hem en Zijn kruiswerk doorbreken, maar de plaatsen worden al verdeeld en de beste plaatsen worden in gedachten al bezet.
'Gij weet niet wat gij begeert'. Deze moeder ziet niet de weg waarlangs het goddelijk Rijk komt en hoe men daaraan deel krijgt. 't Gaat niet buiten het lijden en de smaad om. Het gaat niet buiten het drinken van 's Heeren beker om. Wie kan dat?
Wie wil dat? Het vlees wil altijd liever verheerlijkt dan gekruisigd wezen. Deze Zaligmaker begeert 's Vaders wil te volbrengen. Hij zoekt niet Zichzelf. Dan was Hij nooit geboren in de kribbe en gestorven aan het kruis. Hij brengt teweeg het heil voor arme zondaren, die geen recht hebben op heerlijkheid, alleen op schande; geen recht op het leven, alleen op de dood. Wat toch een Heiland, lieve vrienden. Wat toch een volkomen Zaligmaker. En de weg tot Zijn Koninkrijk voert achter Hem aan in zelfverloochening. Hij ontdoet de begeert van Zijn volk van alle overmoed.
W. Chr. Hovius, Katwijk aan Zee
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 oktober 1989
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 oktober 1989
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's