Gebrek aan liefde
Wij zaten in de stille kamer van de oude boerderij. Er drong nauwelijks enig geluid in door. De zon speelde met het licht door de rolgordijnen. De klok tikte langzaam. Het was bij uitnemendheid de sfeer voor een pastoraal gesprek. Dat is een gave van God, want er zijn ook van die gesprekken, die brokkelig verlopen en ineens moeten worden afgebroken doordat een kind komt binnenvliegen of een auto met denderend geraas voorbij gaat.
Het oude gemeentelid sprak over een levenslange omgang met God. Glanzende ervaringen van hulp van de Heere, van nadere inleiding in Gods Woord en getuigenis: overzie ik mijn lange leven met God, van kindsbeen af, dan heb ik over mijn Heere nooit te klagen gehad, het enige waarvan ik mij beschuldigen moet, is, dat ik Hem niet naar behoren liefheb, ja, de moed niet heb om mijzelf uit mijn liefde tot Hem van Zijn liefde te verzekeren jegens mij.
Liefde betekent toch, dat men veelvuldig, met innerlijke blijdschap van hart, aan het geliefde voorwerp denkt. Maar, zo klonk het uit de mond van de bejaarde man, ik heb zo diep gezien welk een traagheid bij mij is. Natuurlijk zijn er wel momenten, waarop mijn hart brandt. Maar daar staan tijden tegenover, néén, dagen, waarop het zwijgen veel inspanning kost om mij tot Hem te verheffen, dat het niet eens tot de poging er toe komt. Het wil eenvoudig niet. Mijn gedachten zwerven ver van Hem vandaan. De kleine dingen van het dagelijkse leven klemmen mij vaster op het hart dan de belangen van mijn God. Ik kan tijdenlang bezig zijn over mijn stijve benen, dan weer maak ik olifanten van muggen. Ja, u weet niet met wat voor beuzelingen ik soms bezig ben.
Soms vallen mijn gedachten zomaar op zondige dingen. Ik glijd zomaar helemaal weg in verzoekingen en verkeerde begeerten. Ik bemerk dat ik nog niet veranderd ben sinds mijn jonge jaren toen ik nog wel eens diep verdriet over dit alles kon hebben. Goed, ik kan het in zo lage sfeer niet uithouden. Er is een gevoel van leegheid in mij, van diepe onrust in mij, wanneer mijn hart niet naar Jezus uitgaat, om zijn schoonheid en lieflijkheid te aanschouwen en mij te verheugen in zijn werken. Maar, zo klonk de klacht, zou één die zo gedurig zichzelf opwekken moet om Hem aan te hangen, wel het recht hebben om te denken: ik heb Hem lief?
Liefde gaat van het geliefde voorwerp spreken. Zou ik Hem dan liefhebben, vraagt de verontruste ziel, ik, die zo vaak van Hem zwijg? Uit de overvloed van het hart spreekt immers de mond. Ja, ik spreek wel van Hem, maar zuiver is mijn tong niet. Het mag zijn, dat ik in het spreken over Jezus met de Geest begin, maar hoe vaak eindig ik niet naar het vlees? Dan begin ik naar mijzelf te luisteren; in mijn spreken ga ik er onopzettelijk en onmerkbaar toe over om mijzelf te verheffen. En daarbij blijft het niet. Hoe vaak houd ik in mijn zwijgen en spreken rekening met de mensen. Mensenvrees doet mij zwijgen, waar ik spreken moet, en ik spreek dan vaak om mensen te behagen, sprekend zonder gevoel van wat ik spreek. Kan zulk een zeggen: Heere, ik heb u lief? Nu is er zonder enige twijfel wel een en ander tot bemoediging van zulk een verontruste te zeggen. Het gaat er dan evenwel om het voorbeeld van Jezus in zijn gesprek met de Emmaüsgangers te volgen door hem evengoed te bestraffen als te vertroosten, ja, de bestraffing voorop te laten gaan. Het zou ongetwijfeld kunnen zijn, dat meer dan gewone teerheid van gemoed zo deed klagen. Ook is de ware liefde steeds in onvrede met zichzelf. In vele gevallen evenwel is er reden tot klagen. Dan vooral als er oorzaken voor de verflauwing der liefde aanwezig zijn. Zulke oorzaken kunnen er vele zijn.
Bovenaan staat op dit punt gebrek aan ijver om in de kennis van Christus op te wassen. Paulus heeft alleszins reden voor de gelovigen te bidden, dat zij genade mogen ontvangen om de liefde van Christus te bekennen; kennis kweekt altoos liefde aan. Mensen die maar geringe en gebrekkige kennis en kunde hebben in de geestelijke dingen zijn doorgaans zeer armoedig en onvast in de liefde. Als de Heere hun eens zeer buitengewoon voorkomt, dan gaat het wel, maar als dat ophoudt dan wordt terstond de liefde verflauwd. Maar die Jezus uit het Woord hebben leren kennen, hebben meerdere bekwaamheid om Jezus van dichtbij te beschouwen, en op Hem neer te zinken in liefde en hun liefde is vaster ook dan als die zoete ontmoetingen niet meer zo gevoelig zijn. Het wordt dan een meer stille, bedaarde overgave aan de Middelaar.
Achter de klacht over de flauwheid der liefde tot Christus kan ook een werkelijke achteruitgang in de genade verborgen zijn. Wanneer wij tweeslachtig zijn tussen Christus en de dingen van de wereld; Hem niet ernstig genoeg zoeken, door grove zonden zijn Geest bedroeven; ons voor Hem schamen tegenover de wereld, dan is het niet vreemd, dat onze liefde tot Hem voor ons een vraagstuk wordt. Hij zelf trekt zich dan toch van ons terug. De Geest verlicht onze ogen niet meer om de beminnelijkheid van Christus te zien. Het vuur van onze liefde krijgt geen brandstof meer. Het loopt gevaar om uitgedoofd te worden.
Het behoeft helemaal geen betoog, dat een zo verflauwde liefde geen stof tot verzekering van onze staat geven kan. Alleen dan geeft de liefde stof aan de hoop, wanneer zij zich openbaart in gehoorzaamheid. Jezus heeft eenmaal gesproken: zo iemand mij liefheeft, die zal mijn woord bewaren. Even tevoren had Hij gezegd: die mijn geboden heeft en diezelve bewaart, die is het die mij liefheeft. Een liefde, die haar voorwerp niet zoekt te behagen, is geen liefde. Hoe zou men Gode behagen anders dan door kinderlijke gehoorzaamheid?
Christus zal zich aan zijn gehoorzame discipelen openbaren. Ja, Hij voegt er de belofte aan toe, dat ook Zijn vader tot hen komen zal. Meteen laat hij het begrip openbaring in dat van inwoning overgaan. Deze uitdrukking wijst het innige en blijvende zijner vereniging met ons aan. Zo zien wij dat God en mens elkaar in Christus ontmoeten. De wil van God en de wil van de discipelen komt in een punt te zamen, dit namelijk dat beiden zich naar één uitstrekken. Er zijn geen woorden te vinden om de uitnemende waarde van Christus uit te spreken. En – waar Christus in ons woont, daar kan geen scheiding zijn tussen liefde en gehoorzaamheid!
A. v. Brummelen, Huizen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 oktober 1989
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 oktober 1989
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's