De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Onder de regenboog

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Onder de regenboog

11 minuten leestijd

De regenboog is een natuurverschijnsel, door God in Zijn schepping gelegd. Maar intussen is deze als een téken door God gegeven, dat de aarde niet meer door water zal worden verdorven. Calvijn zei in zijn dagen reeds dat theologen niet met de natuurkundigen over dit verschijnsel moeten twisten. De regenboog heeft een natuurlijke oorzaak. God maakte het in Zijn schepping zo, dat de lichtbreking van de zonnestralen door het gordijn van waterdruppels heen dat machtige palet aan kleuren zou opleveren, waardoor een boog zich over de aarde spant. Na de zondvloed echter wordt, aldus Calvijn, 'de hemelse boog, die van tevoren van nature bestond, geheiligd tot een teken en onderpand'. Juist als water op aarde neervalt mag de boog het bewijs zijn van aanstaande droogte. Want de aarde wordt niet en nooit meer door water verdorven, watervloeden en overstromingen ten spijt. Dat is het inhoudelijke van het verbond dat God met de mensheid sloot.

Opdracht
Het is zonder twijfel een goede zaak dat we dezer dagen aan het Verbond met de schepping worden herinnerd, en wel inzake het beheer, dat ons mensen over de schepping is opgedragen. Voor het conciliair proces werd 'Verbond voor het leven' als motto gekozen. Dat is op zich best een goede greep. Want alle kritische noties ten spijt, die de laatste tijd, ook mijnerzijds, over het proces zoals het zich voltrekt zijn gemaakt: het water van de zee wast niet weg, dat God Zijn belofte heeft gegeven en een verbond met 'alle levende ziel' heeft gemaakt. (Gen. 9 : 10).

In toenemende mate constateer ik hoe hachelijk het is om in deze evenwichtig te blijven spreken. Gelukkig is in vele gemeenten de zaak waarom het gaat – vrede, gerechtigheid en heelheid van de schepping – aan de orde. En daar, waar het aan de orde wordt gesteld, zijn de opkomsten verheugend. Er is toch – met name vanwege het milieualarm, dat geslagen is – een nieuwe bewustwording inzake de ernst van de milieucrisis op gang gekomen. Het valt mij daarbij overigens op – en het is begrijpelijk – hoe mensen, die al vele jaren aan de bel getrokken hebben in hun gemeenten om de bezinning op deze thematiek naar bijbels patroon ter hand te nemen, nu enigszins cynisch reageren op de grote aandacht, die ervoor is. Zei milieu-minister Nijpels dezer dagen niet, dat we eerder naar de 'geitenwollen-sokkendragers' hadden moeten luisteren. Ik zeg dan liever: de zorg om de schepping had de gemeente eerder dan de wereld ter harte moeten gaan! Vanwege het rentmeesterschap. Laten de 'miskenden', zo denk ik dan, getroost zijn in de wetenschap, dat de bezinning er nu volop is en dat mensen allerwegen vragen wat ze zelf moeten en kunnen doen inzake de problematiek, die zich voordoet. Hoe verstaan we in concreto onze verantwoordelijkheid?, is de veel gehoorde vraag.


Het is echter wél nodig om binnen de kerken de bezinning voluit vanuit de Schriften aan de orde te stellen. De bijbelse weg missen we in de gang van het proces, zoals het zich oecumenisch voltrekt, maar al te zeer. En om dan toch evenwichtig te blijven spreken en evenwichtig te blijven overkomen is niet eenvoudig. Al te gemakkelijk wordt de positieve aandacht, die voor de bezinning wordt gevraagd, opgeslokt door de kritische noties – fórs-kritische noties zelfs – die bij de gang van het proces (moeten) worden gemaakt. Anderzijds kan positieve aandacht op zich doen vergeten waar in de praktijk van vandaag de dingen bijbels gezien ontsporen.
Maar het verbond met de schepping is een voluit bijbelse thematiek. Vandaar onze noodzakelijke aandacht ervoor.

Verbond
In de kerk is in het verleden veelvuldig over het verbond nagedacht. Juist in de gereformeerde theologie is het verbond (in relatie tot de verkiezing) een aangelegen kwestie geweest en is het dit nog steeds. Zelfs is het verbond een twistapppel geworden, waarop ook diverse kerkscheuringen zijn gebaseerd. Maar dan gaat het niet om het verbond met de schepping maar om het verbond der genade, het verbond, dat God met Abraham sloot en dat Hij bevestigt van kind tot kind.
Me dunkt, dat er in oecumenische kringen vandaag voor dit specifieke (van het) verbond maar weinig aandacht bestaat. Van dat verbond is Christus de Middelaar. En rondom Hem gaat het om beslissingen, die eeuwigheidsgehalte hebben. Er zijn zelfs tweeërlei kinderen des verbonds. Het is, als het om het heil in Christus gaat, niet alles Israël wat Israël heet. Niet zelden is echter ook, in de oecumenische theologie met name, dit verbond met Abraham en zijn geestelijke nakomelingen verbreed tot de ganse schepping. De ganse schepping is met God verzoend en deelt als zodanig in het heil. Maar als er al binnen het verbond met Abraham sprake is van een beslissende lijn tussen geloof en ongeloof, hoe zal met name die lijn dan ook niet geconstateerd worden tussen kerk en wereld.
Een gereformeerde inbreng in het conciliaire proces zal met name ook inhouden het indragen van de noties van het genadeverbond, ten spijt de vele heil-loze discussies over het verbond in de Gereformeerde Gezindte. De Schrift spreekt over dit verbond duidelijk en ook in bezinning op de thematiek van het conciliair proces gaat het om de totale Schrift.
Als het over vrede gaat bedenken we, dat Christus onze Vrede is maar dat de uitwerking daarvan in het leven van mensen langs de lijnen en naar het patroon van het genadeverbond geschiedt.
Christus is ook onze Gerechtigheid. Maar Zijn gerechtigheid is Borggerechtigheid, uitgewerkt in het leven van zondaren, in de rechtvaardiging van de goddeloze.
En in den Beginne, bij de schepping was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God. En na de zondeval was er de moederbelofte: 'Ik zal vijandschap zetten…'

De schepping
Maar als wij, in de gereformeerde theologie en in de kerkelijke praxis die onder de naam gereformeerd valt, de mond en de pen vol hebben over het verbond (der genade), dient verder wel beseft te worden dat er inderdaad ook het verbond met de schepping is. Dat behoort ook tot het Sola Scriptura en ook tot de totále Schrift.
Bij de schepping kreeg de mens de scheppingsopdracht: 'weest vruchtbaar en vermenigvuldigt de aarde en onderwerpt haar'. De mens kreeg heerschappij over al het gedierte; en de gewassen van de aarde stonden tot zijn beschikking om ervan te eten.
Die opdracht is na de zondeval niet te niet gedaan. Ook in Genesis 9, na de zondvloed, luidt het woord des Heeren: 'weest vruchtbaar en vermenigvuldigt en vervult de aarde'. En ook nú mag de mens heersen over het dier. Hij krijgt dier en gewas opnieuw tot spijze. Er is wel een verschil in bewoordingen tussen Genesis 1 en Genesis 9. In Genesis 9 vallen de woorden 'vrees en verschrikking'. De verstoorde relatie tussen mens en dier in de schepping wordt duidelijk geaccentueerd. De dieren kregen na de val van de mens 'een nieuwe woestheid', zegt Calvijn. Maar toch blijven 'de overblijfselen van de heerschappij, die God in den beginne de mens had opgedragen', intact. En God beteugelt intussen die woestheid der dieren, zodat de mens toch op aarde leven kan. En tenslotte– alsdus nog steeds Calvijn – de mensen mogen de dieren gebruiken 'tot hun belang en tot onderscheidene doeleinden overeenkomstig hun vlijt en behoefte'.
Het woord Gods heiligt de schepselen zelfs zodanig voor de mens, 'dat we ze rein en vrij mogen eten' (vgl. 1 Tim. 4 : 5).

De eeuwen
Calvijn benadrukt dan verder de dankbaarheid. Het gebed en de dankbaarheid moeten 'de wijze der heiliging' bepalen. Met dit woord spreekt God alle nakomelingen van Noach aan, om 'Zijn gunst aan alle eeuwen (curs. van mij, v. d. G.) te bewijzen'. Dat God het voor het leven van de mens opneemt heeft overigens te maken met het feit, dat God de mens naar Zijn Beeld heeft gemaakt (vs. 7). Dit Beeld is weliswaar verwoest, zegt Calvijn, maar 'er is kennelijk nog iets overgebleven, zodat de mens door niet-geringe waardigheid uitmunt.' De hemelse Maker houdt toch het doel van de eerste schepping voor ogen. Daarom mag de mens blijven heersen over de werken van Gods Handen. Maar Hij moet het doen als Beelddrager Gods, Gode tot eer.


Verder stelt Calvijn in zijn uitleg van het noachitisch verbond ook duidelijk dat, al zou de goddeloosheid op aarde weer net zo groot zijn als ten tijde van Noach, door dit woord van God de wateren 'als door duizend sloten en grendels' worden tegengehouden. Maar dat laat onverlet, zo besluit Calvijn, dat de christen, steunende op deze belofte, de jongste dag verwacht, waarop het vuur hemel en aarde zal verteren en louteren.


Graag verwijs ik voor een gedetailleerde uitleg van het noachitisch verbond ook naarde mooie bijdrage van dr. A. Noordegraaf in een boekje van de IZB, dat ook de titel draagt 'Onder de regenboog'. OokNoordegraaf benadrukt, dat er in Genesis 9, in tegenstelling tot Genesis 1 en 2, geen sprake meer is van de harmonie van het paradijs. Hij citeert hier Helmut Thielicke, die zei: 'Overal waar de mens zijn heerschappij uitoefent zal het schepsel in angst leven. Die angst zal als een nieuwe klimatologische toestand op de aarde drukken'.
Noordegraaf benadrukt dan, dat in Genesis 9 verder staat dat God Zijn verbond zal gedenken als de regenboog te zien is. Hierin komt het eenzijdige van ook dit verbond tot uitdrukking, zodat we niet te snel moeten zijn met het spreken over God en mens als samenwerkende partners in het verbond.
Het noachitisch verbond tekent Gods trouw. Daarom is – aldus Noordegraaf – noch een humanistisch optimisme noch een fatalistisch doemdenken schriftuurlijk. We staan bij het noachitisch verbond voor de gave van de algemene genade, waardoor God in Zijn lankmoedigheid het leven leefbaar houdt (vgl. Hand. 14 : 16, 17).

Intussen – aldus Noordegraaf – mag het noachitisch verbond niet worden losgemaakt uit het geheel van Gods heilsbedoelingen. We leven op deze aarde na de verschrikking van de zondvloed en vóór de grote dag van de wederkomst en het laatste gericht (II Petr. 3 : 10 vv).

Heil
In bovengenoemd boekje wordt dr. B. Wentsel geciteerd, die schreef: 'Krachtens het noachitisch verbond worden Gods oordelen getemperd; krachtens het abrahamitische worden zij in Christus weggenomen voor wie gelooft. De gehele mensheid deelt in de lankmoedigheid Gods (vgl. II Petr. 3 : 8-9) maar alleen de gelovigen delen in de soteria (het heil) als deelhebbing aan Gods gunst en het eeuwige welzijn'. Hier ligt ten diepste de gereformeerde inbreng in het conciliair proces. Het heil is heil in Christus, verworven op het vloekhout van Golgotha. Wanneer het daarom gaat komen noties als zonde en schuld en oordeel, verzoening en verlossing aan de orde. Dit heil is niet binnenwerelds en binnentijdelijk, het is van hemelse oorsprong en van eeuwigheidswaarde, hoewel het in de tijd en op aarde wordt uitgewerkt. Haal de hemel en de eeuwigheid weg uit het heil en het (ver)wordt tot een maatschappelijke, politieke notie. In plaats van het delen in het heil komt dan het najagen van heil hier en nu in per consequentie strikt wettische zin.


Maar het gaat intussen ook om de algemene genade. Maar ook die algemene genade, het verbond dat God met 'alle levende ziel' sloot, staat niet los van het Kruis van Christus. Door Zijn verdienste is het leven op aarde mogelijk en leefbaar. Juist daarom geldt voor de christen ten volle het rentmeesterschap. We dienen niet om loon maar uit genade, in het besef dat God een verbond voor alle eeuwen heeft gesloten en dat Hij aan dat verbond gedenkt als de regenboog over de aarde staat gespannen.
We leven nog onder de boog van Gods trouw en worden geroepen tot heiliging van het leven. We weten daarbij dat de beste wijn voor het laatst wordt bewaard. De nieuwe hemel en de nieuwe aarde, waarop gerechtigheid woont, komen nog. Maar zolang Christus toeft te komen leven we in de spanning tussen reeds en nog niet. Kom Heere Jezus, kom haastig. Maar ook: 'wat wilt Gij dat ik doen zal?' 'Leven uit Gods verbond, leven in de verwachting maakt niet zorgeloos in milieuzaken, maar wel onbezorgd en ontspannen' (Noordegraaf). De aarde is des Heeren. Maar ook: de hemel is des Heeren en de aarde heeft hij de mensenkinderen gegeven om erpp te wonen.
Als God in diepe zin in Zijn woord zegt, dat Hij alzo lief de wereld heeft gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon heeft gegeven, opdat een ieder, die in Hem gelooft niet verderve maar het eeuwige leven zou hebben, zouden wij dan niet iets van die afglans van liefde tot de wereld hebben, namelijk om mensen, die ten dode wankelen, te behouden?
Maar als Gods zorg en trouw ook vandaag nog over de wereld gaat, zodat deze nog leefbaar is, zouden wij dan geen ernst maken met het behoud van de schepping?
Heelheid van de schepping? Nee, we leven in een gebroken schepping. Maar wel in een schepping waarop een belofte rust. Nochtans.

v. d. G.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 oktober 1989

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Onder de regenboog

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 oktober 1989

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's