Boekbespreking
A. G. Knevel (red.), Bevindelijke prediking, uitg. J. H. Kok, Kampen, 120 blz., prijs ƒ 16,90.
In dit 6e deeltje uit de reeks Theologische Verkenningen schrijft eindredacteur drs. A. G. Knevel terecht in zijn Woord vooraf dat tegenwoordig de 'ervaring' weer in is. Iemand schreef dat 'een golf van passio experientiae over onze westers-christelijke cultuur is gespoeld' de laatste decennia (C. Aalders). Deze passie voor ervaring komt openbaar in negatieve en in positieve zin. Jongeren keren de kerk de rug toe omdat ze er niets ervaren onder de verkondiging en in de eredienst en zoeken mede daarom aansluiting bij evangelische groepen. En wat veel erger is, velen haken af en kennen het geloof uit het ouderlijk huis nog slechts als een kille, niets meer zeggende herinnering.
Voorts, in de theologische bezinning is het begrip ervaring ook weer actueel geraakt. Na Barth lijkt Schleiermacher op zijn retour en leven weer vragen naar de relatie tussen openbaring en ervaring. Eigen ervaringen van mensen krijgen veel gewicht in pastorale trainingen. In dit kader is het te verstaan dat in de kerk de vragen rond de bevinding en de bevindelijke prediking aan de orde blijven. Intussen dienen we ons wel te realiseren dat met 'ervaring' en 'bevinding' lang niet altijd hetzelfde wordt bedoeld. Berkhof heeft erop gewezen dat in de eigentijdse ervaringstheologie het klassieke bijbelse begrip 'bekering' geheel verwaarloosd wordt. En als onder ons bijkans als een modewoord de term 'bevindelijke prediking' geregeld valt, wil dat nog niet zeggen dat er ook bijbels bevindelijk wordt geleefd. Ik moet hier denken aan wat ds. W. L. Tukker eens schreef: 'Naarmate men meer is gaan spreken over het bevindelijke als het kenmerk van de Gereformeerde Bondsprediking, is de bevinding zelf in de gemeente teruggelopen'. Zogeheten bevindelijke prediking kan soms zo sterk door de ratio overheerst zijn, dat het geestelijk leven erdoor afgesnoerd is geraakt. Ik wil maar zeggen: wat bedoelen we als we de uitdrukkingen 'bevinding' en 'bevindelijke prediking' hanteren. Dat is de vraag die bij lezing van deze bundel radiolezingen door de EO uitgezonden naar boven komt. Drs. Exalto schrijft dat wat wij heden 'bevinding' noemen bij Luther niet als een zelfstandig thema voorkomt. Dat wil niet zeggen dat bij Luther de zaak ontbreekt. Maar hij kende slechts de experientia fidei, de ervaring des geloofs. Als dr. W. Balke in zijn bijdrage een antwoord tracht te geven op de vraag of er bij Calvijn sprake is van bevindelijke prediking zoals we die uitdrukking heden hanteren, dan is zijn antwoord: niet op dezelfde wijze. Maar dat wil niet zeggen dat de bevinding in Calvijns preken zou ontbreken. We dienen daarbij wel, aldus dr. Balke, te letten op de geheel verschillende ervaringshorizon van de zestiende eeuw en die van ons. Het is verder niet in de lijn van Calvijn als zou het bevindelijke iets aan het schriftuurlijke toevoegen. Schriftuurlijke prediking is bevindelijke prediking. Dat is, dunkt me, altijd waar ongeacht de ervaringshorizon van de tijd waarin men preekt en hoort.
In de meeste bijdragen wordt duidelijk dat men met 'bevindelijke prediking' bedoelt dat het heil wordt ingedragen in het mensenhart door de Heilige Geest. Het mag niet een voet te hoog blijven zitten. Het heil dient af te dalen in het hart. Boeiend is in dit verband eens te letten op de manier waarop een Nederlands Gereformeerde en twee vrijgemaakt Gereformeerden over dit thema schrijven in een tijd dat op de synode van de Christelijke Gereformeerde Kerken de discussie gevoerd wordt over de toeëigening des heils in het kader van het zoeken naar meer eenheid tussen Gereformeerde belijders. De vraagstelling ter synode luidt immers: vallen vragen terzake genoemde toeëigening binnen het verband van de gereformeerde confessie en zijn genoemde kerkgemeenschappen dan wel confessioneel genoeg om verdergaande samenwerking mee aan te gaan. Opmerkelijk is dan hoe drs. W. Janse (Ned. Geref.) de zaak van de bevinding in een heel breed kader zet, middenin de dagelijkse werkelijkheid. Bevinding staat bij hem eigenlijk op één lijn met de levensheiliging. Mijns inziens heeft de bevinding van het geloof daar ook alles mee te maken. Toch zet dat het gesprek over dit thema wel in een ander geestelijk klimaat dan men in delen van de Gereformeerde gezindte gewend is te doen. Ook in de bijdrage van prof. Trimp (vrijg. Geref.) valt dat andere klimaat op. Niet zozeer de geestelijke spanning van de toepassing en de toeëigening van het heil komen in zijn bijdrage aan de orde als veel meer het geestelijk leven van de reeds gelovige gemeente. Wie dan daarnaast de bijdragen uit Hervormd-Gereformeerde kring (dr. J. Hoek, ds. W. van Gorsel e.a.) leest, merkt een grotere spirituele verwantschap met de vragen die hier leven. U merkt wel, we hebben met een interessante bundel te doen. Echt veel nieuwe dingen mag de geïnteresseerde in het aan de orde gestelde thema ook weer niet verwachten. De zaken worden nog weer eens nieuw op een rij gezet. Wie bij bevindelijke prediking met name denkt aan een schematisering van het geestelijke leven, die dan in de prediking steeds weer aan de orde dient te komen, leze de bijdrage van prof. Velema onder de titel 'De verhouding Wet en Evangelie in de prediking'. Eigenlijk een samenvatting van een deel van zijn boeiende studie uit 1987 over Wet en Evangelie. Aanschaf en vooral lezing van dit geschrift valt zeer aan te bevelen, ook voor gemeenteleden en ambtsdragers.
J. Maasland, C. a. d. IJ.
Drs. A. G. Knevel (red.), Maria, een reformatorische visie, uitg. Kok, Kampen, 87 bIz., prijs ƒ 16,50.
Ik zou dit een opmerkelijk boekje willen noemen: een geschrift over Maria vanuit de reformatorische hoek. Toen ik aan de lectuur ervan begon, had ik het vooroordeel aan erg droge oninteressante kost te zijn begonnen. Maar niets is minder waar. Iets over de achtergrond van deze bundel lezingen. Paus Johannes Paulus II riep in 1987 een heel lang Mariajaar uit (van Pinksteren 1987 tot half augustus 1988). De redactie van het EO-programma Theologische Verkenningen meende er goed aan te doen via radiolezingen aandacht te schenken aan dit gebeuren. Aan de orde komen vragen als: waar komt de Maria-verering vandaan, leefde er in de Oude Kerk ook al zo'n sterke Maria-verering en waarom is deze in de vorige en deze eeuw zo sterk opgebloeid in de Westerse kerk? Maar ook komen aan de orde: hoe spreekt de Schrift over Maria, hoe dachten en preekten Luther, Zwingli en Calvijn over de moeder des Heeren? Ds. Hegger geeft in een drietal lezingen de bijbelse lijnen aan. Waardevolle en bruikbare exegetische opmerkingen die dienstbaar gesteld kunnen worden aan de preekvoorbereiding straks in de Advents- en Kersttijd. Dat geldt trouwens ook voor wat drs. Exalto aangeeft in zijn weergave van de visie van de Hervormers op Maria. Prof. Van Genderen geeft verhelderende informatie terzake de dogma vorming in 1854 en 1950. De glorie waarmee Maria bekleed wordt in 1854 (ze zou bewaard gebleven zijn voor de erfzonde) isoleert haar van de rest van de mensheid. En dat doet tekort aan de radicale diepte van Gods afdaling in de Vleeswording (H. A. Oberman). Ik denk dat hier wel één van de meest fundamentele punten van kritiek op de roomse marialogie verwoord is. Er is gaande op dit pad ook geen weg terug meer. Enkele scribenten uiten terecht de verzuchting: Hoe lang zal het nog duren voordat Maria goddelijk zal genoemd worden? (zo o.a. dr. J. H. v. d. Bank). Erg actueel is ook de bijdrage van dr. M. J. Arntzen die de feministische theologie over Maria aan de orde stelt. Opmerkelijk is dat de toch zeer conservatieve paus die thans het Vaticaan bewoont, uitspraken over Maria doet die heel dicht bij de feministische theologie staan. Geen wonder, beiden spreken vanuit de mens over Maria en hebben het Schriftgetuigenis terzake verlaten. In de bijdrage van dr. Van de Bank trof me de ontwikkeling die mede door het concilie van Chalcedon zou zijn ingezet waar van Maria wordt gezegd dat ze 'theotokos' = de God-gebaard-hebbende genoemd moet worden. Je kunt zo'n concilieuitspraak juist verstaan en vertolken als ze namelijk opkomt voor de Godheid van Jezus. Je kunt er ook een andere kant mee opgaan, namelijk dat er in zou zijn weergegeven welk een voorname plaats Maria in de heilsgeschiedenis toch wel heeft ontvangen. Wie daarbij alleen maar oog heeft voor de Godheid van Jezus, zoals in de Oosterse kerken meer en meer het geval werd, ziet Jezus zo hoog stijgen dat er behoefte ontstaat aan een menselijke bemiddelaar. In dat vacuüm komt dan de Mariadevotie tot stand. Jammer vind ik het dat er niet iemand verzocht is om toe te lichten welke heidense invloeden hier ook een onmiskenbare rol hebben gespeeld. In hoeverre zijn hier lijnen aan te wijzen. Dr. Van de Bank geeft dat wel even aan, maar gaat er niet verder op door omdat het niet tot zijn opdracht behoort. Tenslotte, bij lezing en overdenking van het geheel raakte ik opnieuw onder de indruk van de bijzondere zegen die God Zijn Kerk geschonken heeft in de Reformatie. Hoe zuiverend heeft inderdaad het Sola Scriptura gewerkt ten aanzien van de waardering van de Mariafiguur, om niet te zwijgen van het sola gratia en het sola fide, gelijk Exalto terecht naar voren brengt. Tevens hebben de reformatoren het zuivere bijbelse beeld van Maria naar voren gebracht. Een vrouw die net als wij slechts door de genade van Christus kon behouden worden.
J. Maasland, C. a. d. IJ.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 oktober 1989
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 oktober 1989
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's