De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Het christelijke verslonden door het democratische

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Het christelijke verslonden door het democratische

Theocratie en democratie (3)

8 minuten leestijd

In de vorige artikelen en de vorige serie 'Kerk en politiek' zijn verschillende zaken aan de orde geweest: het spreken van de kerk naar de politiek toe, de onderscheiden taken van Kerk en Staat (overheid), de persoonlijke verantwoordelijkheid van kiezer en gekozene, de theocratie en de democratie.
Alles heeft met alles te maken, dat is duidelijk aangetoond.
Intussen lijkt de politieke praktijk van vandaag zo ingewikkeld dat onze theocratische beschouwingen daarin niet meer te plaatsen zijn. Dat is ook zo, maar het mag geen feit zijn om ons bij neer te leggen. De Belijdenis van de Kerk verandert daar niet door en de roeping van een christen-politicus evenmin.

Tegenstelling tussen theorie en praktijk
We kunnen wel zeggen dat de Godsregering (de theocratie) er is en dat Gods Woord en Wet de enige norm dient te zijn, maar als 's lands wetten dat afwijzen, wat moet de kerk dan? En wat moet de christen-politicus?
Laten we de ernst van de ontsporing en ontkerstening van onze wetgeving met een principieel voorbeeld aangeven.
In de gemeenten Hasselt en Bunschoten heeft men een paar jaar geleden een subsidieverordening vastgesteld, waarin als één der criteria stond 'niet in strijd met Gods Woord'.
Enkele niet-christelijke raadsleden accepteerden dat niet en brachten de zaak voor de Kroon, wat uiteindelijk leidde tot vernietiging van het raadsbesluit. Daaruit kunnen we niet anders concluderen dan dat de bijbelse uitgangspunten voor een christen-politicus weliswaar niet verboden worden, maar in de huidige democratische besluitvorming als irrelevant of zelfs verwerpelijk (vernietigingswaardig) worden beschouwd.

Gods Woord een levensovertuiging
Wie dit leest, zal misschien zeggen dat het jammer is voor het christelijk volksdeel dat ze haar zin niet meer kan krijgen, maar dat er ergere dingen zijn. Toch is er meer aan de hand.
Als we de tekst van het Kroonbesluit ter vernietiging van de Bunschotense subsidieverordening bestuderen, dan zien we dat de artikelen 1 en 6 van de Grondwet worden aangehaald.
Artikel 1 van de Grondwet bepaalt dat 'allen die zich in Nederland bevinden gelijk worden behandeld en dat discriminatie wegens onder meer godsdienst en levensovertuiging niet is toegestaan'.
Artikel 6, eerste lid, luidt: 'Ieder heeft recht zijn godsdienst of levensovertuiging, individueel of in gemeenschap met anderen, vrij te belijden, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet'.
Ingevolge deze artikelen, zo vervolgt het Kroonbesluit, dient de overheid zich ervan te onthouden subsidie-aanvragen te toetsen aan de verenigbaarheid met Gods Woord.
En dan komt het: 'Gelet op bovenstaande mag de overheid geen onderscheid maken bij subsidiëren van aktiviteiten op grond van het feit dat deze in strijd worden geacht met een geloofs- of levensovertuiging.' De sprong die hier wordt gemaakt is van cruciaal belang: het Woord van God wordt gedevalueerd tot een subjectieve geloofs- en levensovertuiging; de door God geopenbaarde Waarheid wordt hier tot een menselijke gedachte! En dat is God van Zijn Eer ontroven! Dat moet elke oprechte christen tot in het diepst van zijn of haar hart raken.

Christelijk historisch
In het verleden is het voor de christenpoliticus nooit een vraag geweest of de Waarheid gezocht moest worden in het midden van de publieke opinie of dat zij voortkwam uit Goddelijke openbaring. Het laatste is altijd voluit geloofd en verdedigd, voor het geloof ligt de Waarheid niet in onszelf, de Waarheid komt langs historische weg tot ons. De mens is belast met een historische breuk met God, die God Zelf met Zijn ook historische heilsfeiten heeft willen herstellen. Die Openbaring en die Historie is geen geschiedenis die voorbijgaat, maar een dagelijks Heden (zie dr. W. Aalders, Theocratie of Ideologie). Daarom was de leus van Groen van Prinsterer niet: 'Er was eens geschreven, en er is ooit geschied,' maar: 'Er staat geschreven en er is geschied!'
En daarom droegen nog niet zo lang geleden vele christenpolitici met overtuiging en inzet de naam Christelijk-Historisch.

Anti-Revolutionair
Voor het ongeloof daarentegen ligt de Waarheid in beginsel in de mens zelf. Het ongeloof wil van een historische breuk tussen God en mens niet weten. Daarom heeft het een onbegrensd vertrouwen in de natuur, in de natuurlijke mens, in de vrijheid. De Waarheid hoeft niet van buiten en van bovenaf gebracht te worden, want de kiem ervan is al binnen in de mens, het komt er bij de opvoeding en onderwijs daarom op aan, dat zij in de mens gewekt, bewust gemaakt, gestimuleerd wordt. Opvoeding is zo een bewustwordingsproces, een vinden van eigen identiteit. Het geloof in de historische Waarheid verwerpt men, men gelooft in de kracht van de mens zelf (dr. W. Aalders, a.w.).
De gevolgen zijn vandaag duidelijk: een overbewust, geprikkelde en agressieve afwijzing, niet slechts van alle traditie, historie, moraal, maar tevens van alle gezagsinstanties, van overheid, ambt, ouders, zelfs van 'ouderen'. Alles wat tegenover de natuur, de vrijheid, het eigen-ik naar voren komt of van boven opgelegd wordt met gezag, met verplichting, met tucht, is reeds daarom veroordeeld als onnatuurlijk, als dwang, als heerszucht, intolerantie, betutteling en zedenprekerij.
Het is duidelijk dat dit emancipatieproces vanuit historische waarheden en normen naar de vrije, verlichte mens alle kenmerken van de Revolutie in zich draagt. Vele christen-politici in een recent verleden doorzagen het enorme gevaar hiervan en tooiden zich met de veelzeggende naam: Anti-Revolutionair.
Het was duidelijk tegen wie ze de strijd aanbonden, en terecht.

Groen van Prinsterer in de lijn van Augustinus
Het was met name Groen van Prinsterer die tegenover het revolutiebeginsel het Evangelie stelde. Dr. W. Aalders zegt daarvan (a.w. blz. 158-160) dat dat niet alleen samenhing met het feit, dat het in het Evangelie gaat om 'waarheden die nooit verouderd zijn', om 'onveranderlijke beginselen', maar ook hiermee, dat het in de revolutie net zo goed gaat om een onveranderlijk beginsel, namelijk: het ongeloof. In Groens lijfspreuk: 'Tegen de Revolutie het Evangelie!' ligt dus de oeroude tegenstelling, die teruggaat op het begin van de mensheid en zich voor het eerst openbaarde in Kaïn en Abel.
Groen wijst telkens op het permanente karakter van de tegenstelling geloof en ongeloof, zoals die in de antithese Evangelierevolutie wordt bedoeld.
Enerzijds wijst hij op Gods theocratisch handelen, zoals we dat met een lang citaat van dr. M. Lloyd-Jones in het voorlaatste artikel al beschreven hebben.
Groen: 'Het raadsplan van een rechtvaardig en goedertieren God tot redding van de gevallen mens ontwikkelt zich op een machtige wijze in de loop der eeuwen'.
Anderzijds ontmaskert hij de grote tegenstander met zijn satanische voorspiegeling: 'Gij zult als God zijn'.
Dat de grote tweestrijd (de revolutiekrijg) door sommigen een religiestrijd (religiekrijg) genoemd wordt, vindt Groen niet een overdreven voorstelling van zaken, maar de eenvoudige waarheid.
Dat Groen hiermee volledig in de lijn denkt van Augustinus met diens antithese Kaïn-Abel, Babylon-Jeruzalem, staat onomstotelijk vast.
Daarmee komt de zinspreuk van Groen: 'Tegen de Revolutie het Evangelie!' in het ware licht te staan, zo vervolgt Aalders. Er is in die spreuk geen sprake van een lichtvaardige vermenging van geestelijke dingen en politieke realiteiten, van een ongeoorloofd gebruik van het Evangelie in dienst van een politiek program. Wat Groen ermee beoogde, was 'de roeping van de evangeliebelijder, de taak van hen, die onder de heerschappij der dwaalbegrippen, met betere beginselen bekend zijn' (Ongeloof en Revolutie, blz. 135). Het ging hem in die zinsspreuk om beginsel tegenover beginsel, net zoals bij Augustinus in zijn Stad Gods.

Heerschappij der dwaalbegrippen
Evangeliebelijden is dus betere beginselen bekend maken tegenover de heerschappij der dwaalbegrippen. Dat was in de tijd van Augustinus zo, dat was in de tijd van Groen zo, en dat is in onze tijd zo.
Met het voorbeeld van het Kroonbesluit betreffende Bunschoten en de argumenten daarbij, met het gemak waarmee het 'democratische' denken het vandaag wint van het 'christelijke', met de herhaalde pogingen van revolutionaire krachten om de Grondwet voor hun politieke kar te spannen zijn de dwaalbegrippen van onze tijd aangegeven. Wie in de politiek aktief is, weet dat deze dwaalbegrippen òf al heerschappij voeren òf om heerschappij vragen.
Daartegenover moeten vanuit het Evangelie betere beginselen bekend gemaakt worden. Wie enerzijds de politieke discussies van vandaag volgt en anderzijds let op de weg die Gods Woord de Overheid wijst, weet dat dat meer dan nodig is.
Gods Woord mag geen factor meer zijn, dat hebben we gezien, en dat wordt vandaag niet zonder succes verdedigd vanuit een onbegrensd geloof in 'de democratie'. En die berust op de helft plus één: de volkswil, de volksregering.
Groen zegt (in Ongeloof en Revolutie, blz. 150 voetnoot): 'Deze volksregering is de staatrechtelijke ongelofsformule.'
En op de mogelijkheid die sommigen opperen als zou er ook sprake kunnen zijn van een 'christelijke democratie', citeert hij Vinet, die schrijft: 'de toevoeging christelijke betekent hier niets; in een dergelijke woordverbinding verslindt het substantief het adjectief'.
Of om in de gewone taal te zeggen: 'Het christelijke zal door het democratische verslonden worden!'
Deze Evangeliebelijders uit de vorige eeuw waren zieners, hun tijd ver vooruit. Hun profetieën worden vandaag vervuld. Niet tot onze vreugde. Wel tot onze opwekking, binnen de kerk en binnen de christelijke politiek!
Dat het om de grote tweestrijd gaat (geloof-ongeloof, evangelie-revolutie, christelijk-democratisch) is een keihard gegeven uit de politieke praktijk, een gegeven om te onthouden als we art. 36 NGB gaan behandelen.

J. H. ten Hove, Katwijk aan Zee

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 november 1989

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Het christelijke verslonden door het democratische

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 november 1989

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's