De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Boekbespreking

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Boekbespreking

12 minuten leestijd

Dr. ir. E. Schuurman, Het 'technische paradijs' om de gebrokenheid van heel de schepping. Kok Voorhoeve – Kampen, 1989, 68 blz., ƒ 14,90.
Aan de reeks publikaties rond het Conciliair Proces heeft dr. ir. Schuurman een korte studie toegevoegd. In een bestek van 68 pagina's gaat de auteur met name in op de 'heelheid van de schepping'. Eigenlijk zou van een samenvatting gesproken moeten worden. Zoveel kennis in een paar bladzijden vraagt om gedegen studie. Omdat wij mensen menen alles met techniek te kunnen beheersen, zijn wij ook heersers over de schepping. Tenminste zo doen wij! 'Hoeveel vertrouwen stelt u in de techniek? Is de techniek voor u een nieuwe afgod? Een heilzaam middel dat boven elke vorm van kritiek is verheven?' Deze kop was kort geleden te lezen boven een personeelsadvertentie in de Ingenieurskrant nr. 18. De mens streeft er steeds naar de gebrokenheid van de zondeval in eigen kracht te boven te komen. Hij jaagt – vervuld van een technische heilsverwachting – een technisch paradijs na. Een technisch paradijs waarin, zoals nu blijkt, de industriële techniek natuurverwoesting en milieuvervuiling tot gevolg heeft. De overheersende geestelijke drijfkracht achter de ontwikkeling van wetenschap en techniek noemt Schuurman 'technicisme'. In een aantal korte hoofdstukjes gaat Schuurman in op de wijze waarop dat technicisme in wetenschap, de natuur, kernenergie, informatica, landbouw, intensieve veehouderij, genetische manipulatie en individualisering tot gelding komt. Techniek is het scharnierpunt in de ontwikkeling van de cultuur in al haar verscheidenheid. Dat de problemen van deze tijd te maken hebben met de godloosheid ervan dringt veel te weinig tot christenen door, zegt Schuurman. Bovenal hebben we te bedenken dat al ons bezig zijn slechts stukwerk is en blijft vanwege de gebrokenheid van de schepping door de zondeval. Een waardevolle bijdrage aan de discussie rond het Conciliair Proces. Een bijdrage die alom aandacht en bestudering verdient. Voor studiegroepen, jongerenverbanden, gemeenteleden en voorgangers. Voor ieder wordt hier veel stof tot nadenken geboden.
C. v.d. L., Assen

Dr. W. Verboom, Leren kennen. Een visie op catechese vanuit het Verbond, uitg. Kok, Kampen, 125 blz., ƒ 19,90.
Dit boekje bestaat uit drie onderdelen. In het eerste komen bijbelse gegevens m.b.t. de catechese aan de orde, in het tweede historische gegevens, met name uit de Reformatie, en het derde handelt over de praktijk van de catechese in onze tijd. Het laat zich licht verstaan dat het tweede deel een samenvatting biedt van enkele belangrijke delen van het proefschrift van de auteur. Ook de inhoud van het eerste en het derde deel kwam grotendeels al eens eerder aan de orde, o.a. in een nr. van Leiding; nu heeft ds. Verboom er één geheel van gemaakt en daarmee een bijzonder belangrijke materie ter sprake gebracht.
In deel I en II, die samen ook weer als een geheel kunnen worden beschouwd, wordt, aldus de achterflap, de praktijk van de catechese door de 'theorie' ervan onderbouwd. Ik meen er enkele centrale gedachtengangen in te ontdekken, die zowel aan de Schrift als aan de catechese van de Reformatie zijn ontleend. In de eerste plaats dat de catechisant een kind van het Verbond is, lid van het lichaam van Christus en als zodanig delend in de belofte van Gods heil. Verder, dat de doelstelling van de catechese is dat de jongere de Heere leert kennen, op Hem leert vertrouwen (Ps. 78) en in een nieuw leven met Hem leert omgaan (doopsform.). Nauw met deze doelstelling samenhangend is de stelling dat het catechisatielokaal een werkplaats is van de Heilige Geest; anders gezegd, de catechese is heilsmiddel, de doelstelling is in principe haalbaar. Alles hangt hier met alles samen; het is, zoals de ondertitel aangeeft, een visie op catechese vanuit de centrale bijbelse notie van het Verbond. Zij schermt zich naar twee kanten af: haar links, naar een opvatting waarbij de jongere in alle vrijheid kan en mag kiezen, desnoods tegen God en tegen de Kerk, en waarbij de ervaring van de jongere volledig centraal staat. Maar evengoed naar rechts, zeg maar naar een lange traditie waarin men niet verder kwam dan het louter cognitieve leren van een aantal 'waarheden' en waarbij de middellijke werking van de Geest te veel over het hoofd gezien werd.
Ik kan het met dit alles alleen maar hartelijk eens zijn en zou het dan ook betreuren, indien men naar aanleiding van dit boekje, zoals ik dat ook zo hier en daar waargenomen heb bij zijn dissertatie, ging spreken als over 'de verbondsvisie van V'. De materie is gevoelig, maar de geboden visie is die van de Reformatie, wat meer is, die van de Bijbel. Wel ben ik zo hier en daar formuleringen tegengekomen die misverstand zouden kunnen wekken, b.v. als ergens als doel van de catechese genoemd wordt dat zij een middel is voor de jongeren om te komen tot een kennis en verstaan van zichzelf in het licht van het Verbond (p. 92). Wellicht had ds. V. ook, om aan het verwijt van 'verbondsautomatisme' te ontkomen, met nog meer bijbelse en historische gegevens zijn gedachtengang kunnen onderbouwen.
Op het eerste gezicht lijkt het derde deel, waarin de inbreng van de moderne gedragswetenschappen een grote plaats inneemt, slechts heel indirect met de uitgangspunten samen te hangen. De leidende gedachte lijkt mij te zijn dat de geschetste visie ook een heel andere benadering van de catechisant met zich meebrengt dan de traditie veelal te zien geeft. Kort gezegd: de catecheet is niet meer degene die 'het heeft' en die het weet, en die daarom ook ver boven zijn leerling staat, die het niet heeft (ik kan ook zeggen: niet bekeerd is) en die maar aan te nemen heeft wat zijn leermeester in een monologisch leerproces hem voorhoudt. De schrijver spreekt hier van een dialogisch leerproces en van een pastorale stijl, die hij intussen ook afschermt naar een modem, democratisch, maar in wezen zeer vrijblijvend bezig zijn. Terecht in mijn ogen. Hetgeen niet wegneemt dat ik zelf wat minder onder de indruk ben van allerlei hedendaagse didaktische ideeën dan hij en dat er op een aantal praktische punten natuurlijk verschil van mening is en ook mag blijven.
Het geheel overziende zeg ik: Hier worden ons een aantal schriftuurlijke grondlijnen aangereikt, waar men enerzijds niet omheen kan, maar die anderzijds toch ook nadere doordenking behoeven. Ik probeer een aantal vragen te formuleren die al lezend bij mij boven kwamen. Spreekt ds. V. niet wat te gemakkelijk over dé catechisant, dé jongere? Er lijkt mij toch een groot verschil te zijn tussen een kind van pakweg 12 jaar en een jongere van 18 jaar of ouder. Is er een zinnig antwoord te geven op de vraag wanneer iemand 'tot zijn verstand gekomen' is? Als er in de Schrift iets opvalt m.b.t. het Verbond, dan is het wel de veelvuldig aan de orde gestelde mogelijkheid en werkelijkheid van de verbreking ervan van de kant van het kind des Verbonds. Hoe nemen we deze bijbelse notie op in ons denken over de catechese en in onze praktische benadering van de catechisant? Hier ligt m.i. een complex van vragen dat door de auteur misschien elders nog eens verder doordacht kan worden. Voor de doelgroep, predikanten, catecheten, kerkeraadsleden, catecheseteams en -commissies en belangstellende gemeenteleden, hartelijk aanbevolen.
A. Maljaars, Waddinxveen

Bijbelse Dagkalender 1990, uitg. Boekencentrum, Den Haag, ƒ 8,50, bij aantallen reductie.
Al van kort na de Tweede Wereldoorlog dateert de uitgave van een dagkalender, in die eerste jaren nog Hervormde Dagkalender geheten. Eerst in scheurkalendervorm, later in pocketvorm zoals nog altijd het geval is. In de uitgave van 1966 schrijft de toenmalige voorzitter van de redactie, ds. J. H. Grolle o.a.: 'Het moest geen preek zijn. Het mocht geen toepassing hebben als stichtelijk aanhangsel. Het moest kort en kloek zijn, zonder lange zinnen of vreemde woorden, maar het vuur van het Evangelie moest er in branden'. Het heet nu een bijbelse dagkalender. Dat ligt hem vooral in het feit dat het niet alleen meer een zaak is van Hervormde schrijvers maar ook van Gereformeerde hoewel de Hervormden in de meerderheid zijn, uit de breedte van laatstgenoemde kerk gekozen. Wie ooit zelf een poging deed in een soortgelijke uitgave kort en puntig stukjes te schrijven, weet hoe moeilijk en veeleisend zulk een opgave is. De ene keer lukt het ook beter dan de andere keer. Dat geldt ook voor deze uitgave die ons van dag tot dag door het jaar onzes Heeren 1990 wil begeleiden aan de hand van een rooster van bijbelgedeelten uitgekozen door ds. A. M. A. Hellendoorn. Onder ons verschijnt er jaarlijks een keur van dagboeken en kalenders, veelal van stichtelijke aard. Deze uitgave is in zoverre anders dat ze niet voorspelbare uitleg en vooral toepassing levert. Daar is de lijst van schrijvers te gevarieerd voor qua kerkelijke en geestelijke achtergrond. Wie echter graag kennis neemt van manieren van uitleg en toepassing van Schriftgedeelten uit soms wat andere regionen van de kerk dan die van zichzelf, kan in deze uitgave uitnemend terecht. Uit eigen ervaring sprekend kan gezegd worden dat de stukjes persoonlijke bezinning op gang brengen door de soms zo verrassende manieren van bezig zijn met het getuigenis dat betrouwbaar en geloofwaardig is van jaar tot jaar. Vele jaren werkte ds. S. Gerssen aan deze uitgave mee, ook als lid van de redactiecommissie. Het stemt weemoedig dat zijn naam voor het laatst in de rij van auteurs vermeld staat.
J. Maasland, C. a. d. IJ.

C. den Boer, De tweede brief van Paulus aan Timotheüs, de brief van Paulus aan Titus, Kok, Kampen, 205 blz., ƒ 24,90.
In betrekkelijk kort tijdsbestek heeft collega Den Boer kans gezien de verklaring van de Pastorale brieven op onze tafel te leggen. Dat is naast het vele werk dat gedaan wordt in ander verband geen kleine prestatie. De werkwijze is gelijk aan die van het eerste deel en de eerder verschenen verklaring op de Romeinenbrief: t.w. een doorlopende verklaring die menig meditatief moment bevat, terwijl in voetnoten literatuurverwijzingen, taalkundige en historische opmerkingen gegeven worden. Gespreksvragen maken het boek geschikt voor bespreking in kringverband.
Bij de uitleg van 2 Tim. 2 : 1-2 wijst de schrijver op de betekenis van het doorgeven van het Evangelie binnen de gemeente via vorming en toerusting. 2 Tim. 2 : 19 vv geeft aldus Den Boer geen recht afscheidingen te verdedigen: 'Een volmaakte gemeente op aarde bestaat er niet.' Bij Titus 2 : 9, 10 heb ik me toch even afgevraagd of de schrijver het zich niet iets te makkelijk maakt. Niet ontkend kan toch worden dat de apostel zich aansluit bij een maatschappelijke constellatie waarvan we toch afscheid genomen hebben. Er mag dan dynamiet onder het instituut gelegd worden – en dat ben ik met Den Boer eens – hoe komt het dat het eeuwen geduurd heeft, eer we deze zondige structuur doorbroken hebben?
Ik volsta met deze enkele voorbeelden. Den Boer schrijft boeiend en helder. Meelevende gemeenteleden zullen er veel in vinden dat hun inzicht verdiept. En predikanten kunnen voor de voorbereiding ongetwijfeld hun winst doen met deze meditatieve uitleg.
A.N., Ede

Allan Boesak, Machtigen heeft Hij van de troon gestoten, preken. Ten Have, Baarn 1989, 110 blz., ƒ 17,50.
Opnieuw in vertaling een aantal preken van ds. Allan Boesak, aangevuld met enkele bijlagen die laten zien hoe scherp de tegenstellingen in Zuid-Afrika zijn. Boesak doet zich ook in deze bundel kennen als een knap homileet die vanuit een aandachtig luisteren naar de tekst tekst en situatie weet te verbinden. Men kan stellig niet zeggen dat het aktivistischpolitiserende preken zijn. Menige preek bevat vooral troost in een situatie van lijden en onderdrukking. Wel hebben de preken in die zin een politieke spits dat ze inhaken op de apartheidspolitiek en de daardoor ontstane situatie. Hier en daar kreeg ik het gevoel dat te snel uit een tekst conclusies werden getrokken naar een aktuele problematiek. Zo heeft voor mijn besef de pericoop over de vraag van Johannes aan Jezus een andere spits dan Boesak eraan geeft met als gevolg dat de tekst dan bijna een 'kapstokfunctie' gaat vervullen.
Meerdere facetten van deze bundel laten zien hoe bitter het conflict is. De Brief van Boesak aan minister Vlok is een felle aanklacht tegen het dekken van een meedogenloos politieoptreden. Boesak is niet onomstreden. Maar niemand zal kunnen ontkennen dat hij zijn nek ver uitsteekt. De brief aan de minister laat dat zien. Het zou van weinig wijsheid getuigen als we niet serieus nota namen van deze stem, ook wanneer we in theologisch opzicht wellicht van hem verschillen.
A. N., Ede

Dr. K. Deddens, Dient Hem met vreugde, deel II, Goes 1989, 232 blz., ƒ 25,90.
Een tweede bundel met opstellen over de dienst waartoe gemeenteleden geroepen zijn, met name op het terrein van eredienst, liturgie, pastoraat en diakonaat. Ook de lezing van dit boekje heeft me nog weer eens overtuigd hoe rijk de liturgische traditie van Calvijn is en hoe weinig zorgvuldig we er onder ons doorgaans mee omgaan. Meerdere opmerkingen van de schrijver zetten je aan het denken. Terecht merkt hij op blz. 75 op dat gezien het karakter van Exodus 20 waar in vs 1-2 de belofte aan de geboden voorafgaat, m.a.w. gezien de eenheid van belofte en eis van Gods verbond een combinatie van wetslezing en hoofdsom – zoals ook onder ons veelvuldig gebeurt, – liturgisch onjuist is. De schrijver weet van het nadeel van de lengte van het klassieke Avondmaalsformulier, laat zien welke schoonheden het niettemin bevat, bepleit een afwisselend gebruik van het klassieke formulier met een korter, maar stelt – en m.i. terecht – dat het liturgisch een monstrum is om een formulier over meer dan één dienst te verdelen. Interessant is zijn beschouwing over het orgel in de eredienst en de bijdrage van Huygens daarin. Minder kan ik hem volgen in zijn verzet tegen het werelddiakonaat, een beschouwing die m.i. gedrukt wordt door een te grote tegenstelling tussen de ambtelijke roeping van de kerk en de taak van de gemeenteleden. Dat er gewaakt moet worden voor grensoverschrijding is terecht, maar vanwaar de huiver voor de dienst van de kerk aan de verre naaste? Niettemin: een boeiende bundel die we gaarne aanbevelen.
A.N., Ede

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 november 1989

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Boekbespreking

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 november 1989

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's