De stad van de toekomst
(Openbaring 21 : 22)
Wat een stad; dat nieuwe Jeruzalem. Zij is gefundeerd op edelgesteente en haar poorten zijn gemaakt van parels.
Johannes laat ons in de geest wandelen door de straten van zuiver goud als doorschijnend glas. En als de straten van goud zijn… hoe moet de tempel er dan niet uitzien?
Maar… ik zag geen tempel in haar, zegt Johannes. Daar klinkt verbazing in door – en geen wonder. Want het aardse Jeruzalem was niet denkbaar zonder tempel. Zij was de zetel van het Sanhedrin, de joodse Hoge Raad. Hier kruiste het politieke, economische en sociale leven. Maar bovenal: de tempel was het centrum van het religieuze leven. Wij kunnen ons nauwelijks voorstellen wat de tempel voor een jood betekende. Als het enigszins kon, maakte hij eenmaal per jaar de moeizame reis naar Jeruzalem. Dan zongen de pelgrims, gaande door haar straten, in koor: 'hoe branden mijn genegenheên om 's Heeren voorhof in te treên'.
Een jood kan het zich niet indenken: het nieuwe Jeruzalem zonder tempel – en wij eigenlijk ook niet: er zal straks, op de nieuwe wereld, geen tempel – geen kerk – meer zijn. En dat is de toekomst.
Krijgt dan toch de moderne, goddeloze mens gelijk? Want dàt propageren velen toch: een wereld zonder kerk – een samenleving zonder God. Waar geen handen meer gevouwen worden en Gods lof niet meer bezongen. Waar niet meer geluisterd wordt naar Gods Woord. De zondag wordt recreatiedag – sport, spel en ontspanning worden tot religie. Leven in de stad zonder God: wel plezier, maar geen waarachtige vreugde meer. Wel werk, maar geen roeping meer. Wel drukte, veel beweging… maar geen doel en rustpunt meer.
Leed – ontstellend veel leed, maar geen troost meer. Leeg, dood – niet in woorden uit te drukken.
Zo is de geest van de anti-christ bezig om te bouwen aan zijn stad. In onze dagen lijkt hij machtiger dan ooit. Hij trekt en sleept mee – ook wij, kerkmensen, jongeren en ouderen, worden meegetrokken. Zie het aan de verslapping die ook onder ons zijn sporen trekt. God eist ons hele bestaan, maar wij hebben daar zo onze eigen gedachten over: God Zijn zondag of een deel daarvan, maar wij dan toch de maandag en de rest van de week. God vraagt ons naar Zijn wil te handelen, maar wij hebben zo onze eigen wil: God wat en de wereld wat – een mens moet toch ook wat van het leven genieten. En langzaam maar zeker slaan steeds meer kerkmensen zoals u en ik hun bijbel dicht en hun gebeden verstommen. Het gebeurt – ook onder ons – en het wordt nog erger. Het is pas een begin, de grote afval moet nog komen. En wie zal dan staande blijven? U niet en ik niet, tenzij wij van nieuws geboren worden en door Gods genade worden vastgehouden. Daarom, bidt om de doorwerking van Gods Geest: Heere, bekeert U mij – neig mijn hart en voeg het saâm, tot de vreze van Uwe Naam. Doe mij zien bij het licht van Uw Woord, dat een samenleving zonder U geen toekomst heeft.
Eenmaal zullen deze aarde en de hemel door vuur geheiligd worden tot de woonplaats van Gods volk. Het wordt een stad zonder tempel – inderdaad – want de Heere, de almachtige God is haar Tempel. Alles wordt Godsgemeenschap; overal zal omgang zijn met God. Zonder de middelen van de prediking en de bediening van de sacramenten. Daar is geen tempel, geen kerk meer nodig. Daar is het voor eeuwig zondag; alle dagen kerk, iedere minuut. Ononderbroken eredienst. Daar is alle werk Kerkewerk en de woorden, die gesproken worden, vormen de liturgie.
God zal de Tempel zijn… en het Lam. Dat is Jezus Christus. Hij hoort er onlosmakelijk bij. Door Zijn kribbe en kruis is dat alles mogelijk geworden.
Hij is de enige Weg naar deze Godsstad: niemand komt tot de Vader dan door Mij. En daarom is de kerk op aarde er nog – daarom wordt er nog gepreekt. Om Hem te verkondigen, Jezus Christus, Die Zijn leven gegeven heeft, opdat zondige en schuldige mensen, die de dood verdiend hebben, voor eeuwig zouden leven in de stad van de toekomst.
Om te wijzen op de noodzakelijkheid van geloof en bekering – om ervan te getuigen dat een ieder, die in Hem gelooft door het wederbarend werk van de Heilige Geest, niet verloren zal gaan, maar éénmaal de nodiging zal horen: 'Komt in gij gezegende Mijns Vaders'.
Hij zal een inwoner worden van die stad, waarin het leven echt leven wordt – dan geen zonden meer, dan geen strijd meer en geen tranen meer.
Och Heere, geef dat ik eenmaal mee mag zingen met die begenadigde zondaren; niet, omdat ik het verdiend heb; niet, omdat ik er enig recht op heb; maar doe het uit genade omwille van Uw Zoon Jezus Christus.
H. Talsma
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 november 1989
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 november 1989
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's