De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Uit de pers

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de pers

10 minuten leestijd

De kerken en het Radio/TV bestel
De commercie rukt op in de wereld van de TV. Een commerciële zender wist, opererend vanuit Luxemburg, via de mazen van de wet de weg naar de kabel te vinden. Waar deze ontwikkeling op uitloopt is nog moeilijk te zeggen. Het ziet ernaar uit dat op den duur de ontwikkeling moeilijk tegen te houden is. Moeten we, zoals Wil Koole wil, streven naar een drievoudig bestel: traditionele omroeporganisaties, commerciële zenders en onafhankelijke nationale zender? In elk geval: dat commercie en cultuur geen vanzelfsprekende verbinding is, maar dat een machtspositie van de commercie zeer nadelig kan zijn voor het culturele 'produkt', is iets waar nagenoeg ieder het wel over eens is. Hoe zal het gaan met het ons vertrouwde omroepbestel, de verschillende 'zuilen', waarvan velen toch de grote waarde erkennen in een democratische samenleving? Hoe zal het gaan met die omroepen, die hoe moeilijk dan ook en hoe verschillend ook de C een plek willen geven? Over die zorg schrijft prof. dr. G. Heitink in EC van 27 oktober onder het kopje 'De zegen van het publieke bestel':

'Ik schrijf dit na lezing van de dissertatie van NCRV-medewerkerk Yko van der Goot, Publiek en persoonlijk, waardoor ik nieuw onder de indruk kwam van de unieke mogelijkheden die kerken (IKON) en christelijke verenigingen (NCRV, KRO, EO) via het bestaande bestel ontvangen om gestalte te geven aan de dienst van het evangelie in een meer en meer geseculariseerde samenleving. Een commentaar in EC is niet de plaats om inhoudelijk in te gaan op een wetenschappelijke studie, wel om de aandacht te vestigen op haar kerkelijke en maatschappelijke relevantie.
De kerken lieten de omroep aanvankelijk geheel over aan het particulier initiatief. Maar gelukkig waren er in 1924 mensen die dat initiatief namen, overtuigd als ze waren van de betekenis van dit nieuwe medium voor de verbreiding van het evangelie. Het mag nog altijd opvallend genoemd worden dat in een geseculariseerde samenleving als de onze, kerk en geloof via de media zo'n belangrijke rol blijven vervullen. Van der Goot drukt zich nog sterker uit als hij stelt: "waar men zich via de omroepmedia in een geseculariseerde samenleving profileert als (re)presentant van het geloof, daar wordt men er nog wel degelijk op aangesproken." Dat slaat niet in de laatste plaats op contacten met mensen die buiten of aan de rand van een plaatselijke kerk staan.
In dit boek valt de nadruk op de dienst van het omroeppastoraat: de programmering van 'pastorale' thema's, de nazorg via telefoon en briefwisseling en de nachtopvang voor mensen die in de knel zitten. De schrijver spreekt hier van resp. het forummodel, het aanspraakmodel en het beschikbaarheidsmodel. Bij lezing wordt duidelijk welke belangrijke plaats deze niet-commerciële dienstverlening inneemt. Daaruit lijken zelfs nieuwe vormen van gemeente-zijn te groeien, waarvan de betekenis door de grote kerken nog onvoldoende wordt onderkend. Dit alles is toch wel iets anders dan het schrikbeeld van een commerciële "electronic church".
Kortom: we kunnen als kerken en christenen niet zuinig genoeg zijn op de mogelijkheden die het publieke bestel biedt. Om de laatste zinnen van dit boek te citeren:
"Op de drempel van de éénentwintigste eeuw is de omroepsituatie in Nederland sterk in beweging. (…) Toch hoop ik dat er in een bekabeld Nederland in het satelliet-tijdperk kanalen open blijven voor vormen van omroeppastoraat zònder winstoogmerk, maar mèt mensen die werkelijk proberen samen met de ander een weg te gaan in geloofs- en levensvragen."
Opdat het Woord niet dood vriest in de koude van de openbaarheid…'

Ik denk, dat ieder dit op zich zal onderschrijven. Wie wel eens aan een radiokerkdienst of een pastorale rubriek heeft meegewerkt, weet hoe geschakeerd de reakties zijn. Ook qua informatie bieden media belangrijke mogelijkheden. Wel zal het zaak zijn ook alert te zijn op de inhoud van datgene wat de kerken bieden. We moeten de problemen niet bagatelliseren en er begrip voor hebben dat een medium als TV om andere vormen vraagt. Het lijkt me een goede zaak om wie op dit terrein bezig is het voordeel van de twijfel te gunnen. Toch kan ik me niet aan de indruk onttrekken, dat de relatie kerk-media ook bepaald wordt door de theologie die het denken over apostolaat en pastoraat beheerst. Dat is nogal eens een theologie die er van uitgaat dat de wereld de agenda van de kerk bepaalt. Dan krijgen uitzendingen ook iets modieus. Dat het aanbod pluraal is – dat is met de situatie gegeven. Maar laat men dan in die pluraliteit ook royaal zijn ten aanzien van hen die het reformatorisch erfgoed onder ons volk willen brengen. Ook dat lijkt me pastoraal van uitermate grote betekenis, niet alleen voor de kring van geestverwanten, maar voor het geheel van ons volksleven.

De vertroosting der Schriften
De Raad voor Contact en Overleg betreffende de Bijbel organiseerde op 26 mei een conferentie over de vraag inzake een eventuele nieuwe bijbelvertaling voor de kerken. De zaak van de bijbelvertaling is gegeven met het feit dat het God behaagd heeft ons Zijn Woord te geven door de dienst van getuigen. die Hebreeuws en Grieks spraken en die geïnspireerd door Zijn Geest ons Gods boodschap overbrachten in die talen, tegelijk gaat het erom, dat elk in zijn eigen taal kennisneemt van Gods machtige daden. Daarom: de bijbel in de volkstaal. Juist de Reformatie bracht de bijbel onder ons volk. Men denke aan de Lutherbijbel, aan de Statenvertaling en zoveel andere pogingen om Gods Woord getrouw te vertalen.
Taal is een levend iets, taal wisselt qua betekenis. Vertalen heeft altijd iets van vertolken. Het luistert nauw van welke principes men uitgaat. Moet men zo dicht mogelijk bij de Hebreeuwse en Griekse grondtekst blijven of moet men meer bij de taal waarin vertaald wordt aansluiten? Persoonlijk denk ik dat dat geen tegenstelling mag zijn. Getrouw vertalen en tegelijk verstaanbaar vertalen zijn twee kanten van de ene medaille.
Op de genoemde conferentie was één van de sprekers de Kamper hoogleraar prof. dr. J. van Bruggen. Hij ging in zijn bijdrage in op enkele aspecten die voor een (nieuwe) bijbelvertaling essentieel zijn.

'Juist in het feit dat de bijbel zich richt tot vele geslachten onderscheidt dit boek zich van de meeste menselijke geschriften, die allereerst gericht zijn tot hun tijdgenoten en meestal niet tot veel later levende generaties, ook al kunnen zij daarvoor langdurig betekenis hebben.
De apostel Petrus zegt van alle geschreven profetieën, dat heilige mensen van God deze hebben uitgesproken, terwijl zij werden gedreven door de Heilige Geest (2 Petrus 1 : 20-21). En Paulus, een apostel door de wil van God, verklaart dat alles wat tevoren werd geschreven, destijds werd geschreven om ons te onderwijzen: wij moeten zo door de volharding en door de vertroosting van de Schriften vol verwachting blijven (Romeinen 15 : 4).
Het is begrijpelijk, dat iemand als Marcion, die het oude testament wel bruikbaar achtte, maar die het niet beschouwde als afkomstig van de Vader van Jezus Christus, juist dit capitulum (15 : 1-4) uit de overigens bij hem zo geliefde brief verwijderde. Hij wenste het oude testament niet te lezen als geschreven met het oog op de nieuwtestamentische gemeente. Toch zijn binnen dat oude testament sporen genoeg te vinden van het besef der profeten, dat hun woorden een verdere reikwijdte hadden dan hun eigen tijd of situatie (bijv. Deuteronomium 31 : 14-21; Jesaja 46 : 10-11; 48 : 4-6; Daniël 12 : 8-13). Voor de vertaling van de bijbel heeft dit belangrijke gevolgen. Ik noem er enkele.
De profeten zelf hebben soms getast naar wat de Geest bedoelde, toen Hij van tevoren in hen sprak over het lijden dat over de Christus zou komen (1 Petrus 1 : 10-12). De vertaler moet deze openheid naar een verdere toekomst niet afsluiten. Dit is een bijzondere vorm van het rekening houden met referenties binnen de Schrift.
Jesaja 7 : 14:
StV: "Ziet, eene maagd zal zwanger worden, en zij zal eenen zoon baren, en zijnen naam Immanuël heeten".

V'51: "Zie de jonkvrouw zal zwanger worden en een zoon baren; en zij zal hem de naam Immanuël geven".
GNB: "uw jonge vrouw is zwanger, zij zal een zoon ter wereld brengen en hem Immanuël God-met-ons noemen".
De statenvertaling is niet te handhaven, omdat door de taalveranderingen in het Nederlands het woord maagd beperkter en specifieker is geworden dan het oud-Nederlandse woord: Trommius omschrijft het nog als "ongetrouwde dochter, vrijster, jonge dochter". De Vertaling-1951 van het Nederlands Bijbelgenootschap hindert de verbinding met Mattheüs 1 : 23 nodeloos door daar te vertalen met 'de maagd'. Bovendien domineert in het Nederlandse woord 'jonkvrouw' de associatie met adel: een notie die in het Hebreeuwse 'almâ ontbreekt. De Groot Nieuws Bijbel snijdt een mogelijke verbinding met de vervulling in Maria geheel af door – in strijd met de Hebreeuwse tekst – te vertalen "uw jonge vrouw". Een mogelijke vertaling zou kunnen zijn: Let op! Het meisje (of: de jonge vrouw) zal zwanger worden en een zoon ter wereld brengen. Zij zal hem noemen: Immanuël (God met ons)". Te vergelijken is hier de Traduction Oecuménique de la Bible, die 'almâ vertaalt met "la jeune femme". Het Hebreeuwse woord 'almâ duidt niet exclusief de maagd aan, maar de Hebreeuwse zin als geheel legt wel een raadselachtige sfeer rondom deze geboorte: waarom wordt geen man als verwekker genoemd, wie is "het meisje" (of de "jonge vrouw")? In Mattheüs 1 : 23 zou dan eveneens vertaald moeten worden met "meisje" of "jonge vrouw". De belijdenis van de maagdelijke ontvangenis berust op bijbelse zinnen en niet op Hebreeuwse woorden, maar van een verkeerd gerichte vertaling kan de verbinding tussen de zinnen van profeten en evangelisten storen of doorsnijden.
Psalm 110 : 1:
V'51: "Aldus luidt het woord van de Here (Jahwe) tot mijn Here: (…)"

GNB: "Mijn koning, God zegt tegen u: (…)"
De GNB-vertaling maakt geen onderscheid tussen de eigennaam Jahwe (Here) en de typering van God als 'adonai (Heer, Gebieder). Dit leidt ertoe, dat het "Heer Jahwe" (1 Koningen 8 : 53) met de joden (de Masoreten) wordt gelezen als "Heer God". In Psalm 110 ontstaat nu een vertaling die de toepassing ervan door Christus (Mattheüs 22 : 43-45) onmogelijk maakt. Hij beroept zich er immers op, dat David zijn beloofde zoon door de Geest "zijn Here" noemde. Geen Farizeeër weet daarop een antwoord: de waarneming is correct. Wanneer zij Jezus op een foute vertaling of een verkeerd citaat hadden kunnen betrappen, zouden zij het niet hebben nagelaten. Wie binnen de Groot Nieuws Bijbel vanuit Mattheüs 22 terugbladert naar Psalm 110 zal zich echter met verbazing afvragen waar Jezus het eigenlijk over heeft, want wat voor vreemds is er aan, wanneer een vader zijn toekomstige opvolger aanspreekt als "mijn koning"? Hier zou opnieuw de Traduction Oecuménique de la Bible als voorbeeld kunnen dienen: Oracle du Seigneur à mon seigneur".

Psalm 2 : 12c:
GNB: "Gelukkig wie bij de Heer bescherming zoeken!"

V'51: "Welzalig allen die bij Hem schuilen".
In Psalm 2 slaat het slot van vers 12 terug op "de zoon". In de Groot Nieuws Bijbel is deze verbinding doorbroken en wordt vers 12c verbonden aan "de Heer" (bedoeld is Jahwe). Voor de christologische vertaling niet zonder gevolgen.'

We zien hoe bijbelvertalingen niet los staan van uitlegkundige inzichten. Voorts is er het kerkelijk aspect. Van Bruggen wijst erop, dat de bijbel binnen het Nederlandse taalgebied al eeuwen in gebruik is geweest bij een belijdende kerk. De bijbelvertaling dient aan te sluiten bij de terminologie van de klassieke belijdenis. Begrippen als Here, heilig, doop, kerk, rechtvaardiging zullen niet vermeden mogen worden, aangezien deze woorden tot het geloofsgoed van de kerk behoren. Van Bruggen meent dat dat ten aanzien van begrippen die betrekking hebben op het kerkrecht (bisschop, ouderling, diaken etc.) minder van toepassing is. Hier verdient een vertaling aanbeveling die duidelijk maakt dat bijbelse woorden niet automatisch te identificeren zijn met latere ontwikkelingen. Duidelijk is dat het hier nauw luistert, hoe we de relatie bijbel-kerk zien en tot uitdrukking brengen in de vertaling. Aansluiting aan het geloofsgoed zal immers niet mogen betekenen dat de bijbel aan de ketting van de traditie komt te liggen.

A. N., Ede

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 november 1989

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Uit de pers

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 november 1989

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's