Grond van de hoop in Christus
Het is geen wonder, dat de ouden de weg van de gelovigen dikwijls vergeleken met de tocht door de woestijn van het oude Israël. De weg van Egypte naar Kanaän voerde door een woestijn, door Mozes 'groot en vreselijk' genoemd. Op precies dezelfde manier kan er tussen de pas bekeerde en de hemelse zaligheid een lange en bange weg liggen. Vele vijanden gaan hem tegemoet, zichtbare en onzichtbare. Boze mensen en boze engelen verenigen zich om door list en leugen, door verlokking en dreiging, hem van het pad des levens op het pad van de dood te brengen. Gewoonlijk ziet de nieuweling in de genade dit gevaar niet in. Er zijn weleens perioden, dat hij meent nooit meer te zullen zondigen en steeds van kracht tot kracht voort te kunnen gaan. Hij verbeeldt zich overwinnaar te kunnen worden, zonder ooit veldslag te hebben geleverd.
Als de eerste tijd van jubelende vreugde in God evenwel voorbij is en de nuchterheid terugkeert voor de alledaagse levenservaring wordt de zaak anders. Ons oog opent zich voor de werkelijke toestand. Wij gevoelen dat wij buiten de hemel zouden blijven, wanneer wij aan onszelf zouden worden overgelaten. En dit gevoel heerst in ons, ondanks al datgene wat genade voor ons en in ons heeft gewerkt. Wij erkennen dan, dat het niet genoeg is in een opgewekte stemming te verkeren en op grond van deze stemming ons te verzekeren van onze zaligheid. Er wordt meer geëist. Wij hebben zoveel gronden buiten als in ons nodig, wil onze hoop vaststaan.
Nu ligt de eerste en diepste grond van onze vastheid zonder enige twijfel in God, bepaald in zijn onveranderlijke trouw. De schrift wijst ons er telkens op. In de prediking wordt van de troost, die deze deugd van God het geloof aanbiedt, dan ook veelvuldig gebruik gemaakt. Maar één zaak wordt hierbij wel eens niet zozeer vergeten, maar toch te weinig op de voorgrond geplaatst. Het is datgene, wat God gedaan heeft om zijn onveranderlijke getrouwheid te betonen. God heeft in Christus ons een volkomen Zaligmaker gegeven; één die na door zijn dood ons met Hem verzoend te hebben, met de doden levend wordt gemaakt, om ons door zijn leven te behouden. Het is door Christus en geenszins buiten deze om, dat God zijn raad omtrent de bewaring van de zijnen uitvoert.
De gereformeerde belijdenis wijst daarop. Het gaat erom ernstig te luisteren naar wat deze zegt. Zij begint met te erkennen, dat wij, aan ons zelf overgelaten, niet alleen zeer gemakkelijk, maar zonder enige twijfel uit het geloof en de genade uitvallen zouden en verloren gaan. Ten opzichte van God evenwel, kan je iets in het geheel niet gebeuren. Onder de gronden, waarop dit laatste berust, noemt zij ook de voorbidding en bewaring van Christus, die niet krachteloos kunnen gemaakt worden. Zie daarvoor nader in de Dordtse Leerregels, hoofdstuk 5, 8. De belijdenis steund hier regelrecht op een duidelijk Schriftgegeven en wel op een gedeelte uit het vijfde hoofdstuk van de brief aan de Romeinen. Op die plaats troost Paulus de gelovigen. Hij verzekert hen, dat hem verwachting van behouden te worden in de dag van de toekomende toorn niet beschaamd worden zal. God heeft immers zijn liefde jegens hen bevestigd. En wel waardoor? Daardoor dat zijn Zoon, naar zijn heilige raad, voor ons het leven aflegde, op een tijd toen wij nog zondaars waren. Indien deze nu door zijn dood machtig was om tussen God en ons een eeuwige vrede in het leven te roepen, dan zal zijn hemels leven in verheerlijking zeker niet minder machtig zijn inzake ons behoud.
De weg tussen onze rechtvaardiging en onze verheerlijking moge lang en gevaarlijk zijn, een weg waarop wij door vele beschuldigen achtervolgd worden, een weg, waarop onze voeten menigmaal struikelen, ja, die ten laatste midden door het vuur van het jongste gericht heenloopt, toch is er geen nood. Christus is onze leidsman; met Hem aan onze zijde kunnen wij onmogelijk verloren gaan. De winst van het kruis ging ermee verloren. Toch is er geen reden tot onrust. In een herleefde en verheerlijkte Heiland, heeft God ons een Verlosser gegeven, die telkens als wij in zonde vallen of in verzoeking komen, voor ons bidt, met het oog op het offer dat de verkering waarborgt. Aan deze voorbidding hebben wij te danken dat het geloof in ons blijft. Zonder haar zou Christus' dood ons alleen maar een onvoldragen vrucht voortbrengen. Daarom verheft Paulus zijn verheerlijkt leven zelfs boven zijn dood, als hij zegt: Christus is het, die gestorven is, ja, wat meer is, die ook opgewekt is, die ook ter rechterhand Gods is, die ook voor ons bidt.
In Christus is ons trouwens een voorbidden gegeven, die bekwaam en gerechtigd is om ons de vrucht van zijn voorbidding toe te brengen, in onze verlossing van zonde en dood en van wereld en hel. Daarom handelen wij niet goed, wanneer wij enkel en alleen bij Christus' dood blijven stilstaan, alsof allen wat op deze dood volgde van ondergeschikte betekenis was. Dat is allerminst de weg om tot vastigheid aan de hoop te komen. Christus' leven waarborgt ons behoud van de toekomende toorn, omdat het een koninklijk leven is. God heeft hem macht gegeven over alle schepselen, niet alleen om er hem het welverdiende loon van zijn vrijwillige gehoorzaamheid door te doen toekomen, maar ook om hem in staat te stellen het werk van onze zaliging te voltooien. Zijn wij in nood, zijn engelen staan gereed om ons te hulp te snellen. Vallen de duivelen ons aan. Hij redt ons uit hun hand. Midden door de wolven, die haar omringen, leidt Hij zijn weerloze kudde haar hemelse weide in. Al onze vijanden brengt Hij onder onze voeten. De dood zelfs maakt Hij tot onze dienaar en de ure komt, waarop Hij hem verslinden zal tot overwinning. Men zegt te weinig als men verklaart dat Hij de zijnen tot overwinnaars maakt. Hij stelt ze tot meer dan dat. Het ontbreekt onze taal aan het Woord, dat ten volle uitdrukt hoe groot de zegen is, die Hij de zijnen bereidt. Zijn leven maakt Hij reeds hier tot het onze. Dat moeten wij beklemtonen. Hij leeft zowel in als voor ons, zowel in ons hart als in de hemel. Zijn hemelvaart heeft hem wel van ons vlees, maar niet van onze geest gescheiden. Hij is het hoofd. Wij zijn de leden. Door het geloof is Hij in ons, als de wortel, waarop wij opwassen tot een mens des geestes, van heiligheid tot heerlijkheid. Ook is er geen vrees, dat deze vereniging zich ooit oplossen zal. De geest houdt haar immers in stand. De Rooms-Katholieke kerk wil slechts bij hoge uitzondering van de verzekerdheid van de hoop weten. Zij blijft dan ook al te zeer bij het kruis staan. Wie evenwel met een gerust hart de toekomst wil tegemoetgaan, die moet zijn hart tot de hemelse Christus opheffen.
Als vrucht van Christus' voorbeden blijft de Geest, door welke Hij ons onder vele verzoekingen bewaart en bekrachtigt, tot het einde toe bij ons. Wanneer wij ons bewust waren, dat wij van onszelf zo zwak zijn, dat wij niet een ogenblik kunnen bestaan en daartoe onze doodsvijanden, de duivel, de wereld en ons eigen vlees niet ophouden ons aan te vechten, behoorden wij de Heilige Geest meer te waarderen. Dat is vaak het gote punt. Wij waarderen te weinig de waarde van de Heilige Geest. Aan dit gemis aan waardeschatting van de Heilige Geest ligt ten grondslag dat gebrek aan waardeschatting van Christus. Wanneer men maar eens wist hoeveel men op zichzelf beschouwd aan de lichamelijke tegenwoordigheid van Christus mist, dan zou men meer de waarde gevoelen van een Trooster, door wie het geruis van Christus lichamelijke tegenwoordigheid tot een grote winst wordt. Het is al moeilijk op te sommen datgene wat de Geest ten onze beste doet. Wij kunnen het vergelijken met het werk van Christus. Wat deed Hij al niet zolang Hij bij de apostelen was. Hij hielp hen in alles. Hij leerde hen bidden, maakte hen zijn woorden indachtig; gaf hun te getuigen, nam voor hen het Woord op. troostte hen in allelei droefheid en maakte hen door zijn bestraffingen verstandig. En wat doet nu de Heilige Geest? Niet enkel neemt Hij al dit werk van Hem, wiens plaatsvervanger Hij is, over, maar Hij doet meer dan dit. Hij woont in Christus, Hij woont ook in ons. Zo is Hij het geheim der verborgenheid, dat Christus en de gelovigen als hoofd en leden saamverbonden zijn, hoewel Hij in de hemel is en zij zich op aarde bevinden.
Wij behoorden dan de Heilige Geest van grote waarde te achten. Geen wonder, dat de prediker zal aandringen op gewilligheid om zich door Hem te laten leiden. Wie kan ooit op eigen kracht de eigen leidsman naar de hemel zijn? Daar komt niets van terecht. De leiding van de Heilige Geest behoeven wij op het natuurlijke terrein, maar evenzeer op het geestelijk gebied. Onze daden, onze woorden en gedachten moeten door Hem worden bestuurd, anders gaan wij onze eigen gang en wandelen wij bij eigen licht. Trouwens, dat is voor het vlees zou gemakkelijk – wij behoeven onszelf dan niet te verloochenen. Maar vrede wordt in deze weg niet gevonden. Wanneer iemand door een vreemd land reist en niet let op de kaart, dan is het niet vreemd, als hij gedurig vreest verdwaald te zijn en het doel van zijn reis niet bereikt. Het is hier precies zo. Als wij door de Geest ons leiden laten, dan zouden wij er zeker van zijn, dat wij op de rechte weg waren en alleen maar tot het einde toe aan Zijn zijde behoefden te blijven om boven te komen. Maar wanneer wij Hem telkens loslaten, bedroeven of ongehoorzaam zijn, dan is het niet vreemd dat Hij zich voor ons verbergt, al verlaat Hij ons niet. Ja, wij gaan dan zelfs twijfelen of Hij ooit bij ons is geweest. Weer u, omdat wij de Geest zo flauw begeren en zo weinig ons door Hem laten leiden, missen wij zoveel van zijn voortreffelijke werkingen in ons. Wilt u vaststaan in de hoop, laat u in alles leiden door de Geest.
A. v. Brummelen, Huizen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 november 1989
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 november 1989
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's