De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Globaal bekeken

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Globaal bekeken

6 minuten leestijd

In 'Ecclesia', orgaan van de Stichting Vrienden van dr. H. F. Kohlbrugge, stond de brief afgedrukt, die op voorstel van drs. A. de Reuver namens de classis Delft is verzonden aan prof. dr. F. O. van Gennep. Hier volgt de tekst (waarvan Van Gennep intussen zei: 'De klok horen luiden, maar niet weten waar de klepel hangt'):

'De Hervormde classis Delft, in vergadering bijeen, vraagt uw aandacht voor een aangelegenheid die de levensader van het Evangelie betreft. Wij hebben met verdriet en verontwaardiging kennis genomen van de publikaties die dr. F. O. van Gennep in het blad In de Waagschaal van 15 april en 29 mei 1989 het licht deed zien, waarin hij verklaart niet in de lichamelijke opstanding van Jezus te geloven. Wij tekenen hiertegen een vijfvoudig protest aan.
Ons eerste bezwaar is van bijbels-theologische aard. Heel het Nieuwe Testament, inzonderheid de opstandingsberichten en Paulus' getuigenis in 1 Korinthe 15, maken het ronduit onmogelijk om Jezus' opstanding spiritualistisch te vervluchtigen tot een mystiek moment in de ervaring van Jezus' volgelingen. Dat de bestaanswijze van Jezus na de opstanding een kwalitatieve verandering heeft ondergaan, is onmiskenbaar duidelijk. Maar even duidelijk is ook, dat voor de Bijbelschrijvers deze veranderde – zeg: Geestelijke – bestaanswijze een lichamelijke is. Wij hebben overigens de indruk, dat Van Gennep mèt de lichamelijkheid der opstanding tevens de historische feitelijkheid ervan laat vallen: de opstanding is niet geschied in het graf van Jozef van Arimathea, maar in de mystieke ervaring van de discipelen. Wij protesteren tegen deze pervertering van het Schriftgetuigenis en belijden dat de opstanding niet berust op menselijke ervaring, maar dat de ervaring berust op wat hellsfeltelijk is geschied.
Ons tweede bezwaar is van wijsgerig-wetenschappelijke aard. Naar ons besef motiveert dr. Van Gennep zijn zienswijze op grond van een verouderd Verlichtingsdenken, waarin geen plaats was voor de mogelijkheid van een goddelijke doorbreking van de natuurwetenschappelijke wetmatigheden. Wij distantiëren ons van deze achterhaalde rationalistische "wetenschappelijkheid". Inzake de opstanding achten wij een rationeel bewijs even onmogelijk als overbodig. Wij zijn met dr. A. Vos overigens de overtuiging toegedaan, dat er evenmin een wijsgerig bewijs te bieden is voor de on-aanvaardbaarheid van Jezus' opstanding (In de Waagschaal, 29 mei 1989).
Ons derde bezwaar is van pastorale aard. Door de uitlatingen van dr. Van Gennep zijn vele gemeenteleden gegriefd. Niet omdat zij geschokt zijn in het geloof aangaande "de dingen die onder ons volkomen zekerheid hebben" (Luk. 1 : 1), maar wèl orhdat zij hier de liefde en de gemeenschap geschonden weten.
Het vierde bezwaar is van kerkelijk-didactische aard. Dr. Van Gennep vervult het ambt van kerkelijk hoogleraar. Wij achten het ongeoorloofd en heilloos, dat onze aanstaande dienaren van het goddelijke Woord worden geïnstrueerd in een geest die in aperte tegenspraak is met de Schrift.
Ons laatste bezwaar is van existentiële aard. Wij leven niet van een religieuze beleving, maar wij leven naar lichaam en ziel van een Heere en Heiland die lichamelijk is opgestaan als Eersteling en Onderpand van onze lichamelijke verrijzenis. Wat de Heilige Geest ons in het geloof geeft te ervaren, berust niet op de vrome verbeelding van de vroegste kerk, maar ligt verankerd in heilsfeitelijke realiteit, die ons In het betrouwbare Woord van God is overgeleverd. En wat de Geest ons biedt aan hoop, is niet de verwachting van een verspirituallseerd schimmenrijk, maar van een Rijk waarin wij als complete schepselen in een nieuwe. Geestelijke - door de Heilige Geest doorademde - lichamelijkheid God zullen toebehoren.
Op grond van deze overwegingen richten wij het dringend verzoek tot u, dat u zich zult distantiëren van Van Genneps uitlatingen en zult weren wat naar onze stellige overtuiging Schrift en belijden weerspreekt.'


Uit 'De Reformatorische School' knipten we het volgende over een gedicht dat Jacob Cats schreef over 'het gebruik van de middelen', opgenomen in een artikel over 'Gijsbertus Voetlus en het onderwijs':

'De adviezen die we in de diverse werken van Voetius gevonden hebben, zijn naar onze bescheiden mening niet van pedagogische of didactische betekenis ontbloot. Enkele voorbeelden hiervan willen we noemen.

Het is een hard geschil, en overlang gedreven,
Hoe dat de gronden staan van ons ellendig leven,
En of God aan den mensch als door een stalen wet,
Zijn dagen heeft bescheerd, zijn palen vast gezet,
En of hij met beleid en door gezette reden,
Een vaster levenskracht kan brengen in de leden,
Dan of een ieders tijd zoo vast verzegeld staat,
Dat hem geen kunst en helpt, geen hinder ooit en schaadt.
Hij, die van al het stuk de gronden zoekt te kennen,
Die tale naar het werk van al de zoete pennen,
Die onze Beverwijck te zamen heeft gebragt:
Daar werd het diep geheim getogen uit den nacht.
't Is dan mijn voorstel niet, hier dieper in te treden;
Want tot zoo grooten werk behoeft een langer reden,
Maar om hier kort te gaan, zoo zeg Ik heden dit,
Een ieder neem' het op tot zijn bescheiden wit:
Het einde van den mensch is aan den mensch verholen,
De middels evenwel zijn iedereen bevolen.
Gij, doe wat u betaamt, en t'huis en overal,
En wees dan voorts getroost, hoe God het schikken zal.

­Het gedicht dat u zojuist gelezen hebt, is van de dichter J. Cats. Deze dichter was in zijn Dordtse tijd bevriend met de arts J. van Beverwijck. Herhaalde malen is deze dokter door Voetius aangeschreven in verband met de vraag, hoe men zich moet gedragen in tijden van pestziekte. Dokter Van Beverwijck was vermoedelijk een zeer bekwaam medicus. De pedagoog Noordam vermeldt van hem: "Enkele van zijn ideeën zijn pas verwezenlijkt In de twintigste eeuw". Welnu, na consultatie van deze arts uit Dordrecht weet Heusdens predikant dat men de middelen te baat moet nemen om de genoemde ziekte te bestrijden. In 1634 schreef G. Voetius een proefschrift over de levensduur van de mens – "De termino vitae". Immers, was er niet een probleem in het denken over het levenseinde van een mens? Ja, zeiden sommigen. Was er niet een conflict tussen de calvinistische predestinatieleer enerzijds, volgens welke alles van tevoren was bepaald en anderzijds, de praktische poging om het leven van een patiënt te verlengen door de medicus? En aangezien Voetius graag de mening van een niet-theoloog deskundige wilde horen en in deze zijn competentie niet te buiten wilde gaan, vroeg hij in Dordt, alweer in Dordt, om raad. Zijn eindconclusie in deze zaak was te vinden in bovenvermeld proefschrift. D.w.z. dat de levensgrens van ieder mens al naar gelang het ingenomen standpunt veranderlijk en onveranderlijk mocht heten. Onveranderlijk voor wie lette op de hoofdoorzaak, nl. Gods eeuwige verkiezing en raad, en veranderlijk voor wie rekening hield met de bijoorzaken. En juist deze laatste wezen de mens op zijn dure plicht om tot allerlei middelen in ziekte de toevlucht te nemen. M.a.w. roep de dokteren gebruik zijn medicijnen. En dat J. Cats ook die visie had, bewees hij in zijn gedicht "Schat der gezondheid", waaruit enkele regels geciteerd zijn.'

v. d. G.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 november 1989

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Globaal bekeken

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 november 1989

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's