De Geest en het Zoonschap
De gelovige verzekert niet alleen zichzelf van zijn kindschap, maar wordt er ook rechtstreeks van verzekerd door de Heilige Geest, de Trooster, die de Plaatsvervanger van Christus is. Als zodanig althans doet Hij Zijn arbeid aan de Zijnen. Zo blijkt uit de evangeliën, dat Jezus tijdens zijn omwandeling de discipelen en anderen verzekerde van de vergeving van hun zonde en van hun gemeenschap aan de Vader. Hij verzekerde de zondares uit de vrucht van haar geloof van haar behoud. Hij zegt tot de Samaritaan, die Hij genezen had, dat zijn geloof hem had behouden, terwijl Hij hem verzekerde uit de vrucht van zijn dankbaarheid. Hij geeft de moordenaar aan het kruis de verzekering van nog heden met Hem in het paradijs te zullen zijn. Met grote zorg troost Hij Zijn jongeren; wanneer Hij hun vertelt, dat de Vader zelf hen liefheeft, en deze verzekering fundeert op hun liefde tot en hun geloof in de Heere. Weliswaar hebben wij Zijn lichamelijke tegenwoordigheid niet meer in ons midden om ons door Zijn onderwijs te verzekeren, maar nochtans ontbreekt het de Zijnen niet aan de hoop. Weet u, de Plaatsvervanger, de Heilige Geest, die van de Vader uitgaat, brengt onze harten tot rust als een goddelijke trooster. Hij maakt onze hoop vast.
De Schrift leert ons van deze Geest, dat Hij met onze geest getuigt dat wij kinderen Gods zijn. Hij doet ons Abba, Vader, roepen. De Geest, door wie de christen geleid wordt, is een andere geest, dan zijn eigen geest. Bij de wedergeboorte wordt zijn eigen persoonlijkheid niet vernietigd, zó dat dus in de wedergeborene, evenals in ieder ander mens, geest, ziel en lichaam bestaat. Maar met die geest van de mens, getuigt mede de Geest Gods, dat hij het kindschap heeft ontvangen, tot Zoon gesteld is geworden. Daarom, al is het, dat zijn geweten hem nog menigmalen beschuldigt, zo ontbreekt hem toch niet de vrijmoedigheid in het naderen, een vrijmoedigheid, die niet gegrond is op eigen daad of verdienste, maar enkel op de genadedaad van God. Uit dat kindschap in het heden vloeit verder iets voort voor de toekomst. Wie kinderrecht bezit, wie tot zoon gemaakt is, die is tegelijk erfgenaam, die deelt in de goederen, in de schatten van het Vaderhuis. In beginsel is hij daarvan reeds nu bezitter, maar het eigenlijk genot hebben van dat bezit, blijft voor de toekomst bewaard. Erfgenaam, deelgenoot is hij van al die schatten, die de liefde des Vaders voor hem bewaart; met de Christus, die de eniggeboren Zoon en dus de enig rechthebbende is, deelt de christen uit genade dit erfgenaam zijn, dit hebben van de gewisheid omtrent het toekomstig bezit. Daarom heet die Geest ook de Geest des Zoonschaps of de Zoonsaanneming of Geest des Zoons. Dat vinden wij in het vierde hoofdstuk van de brief aan de Galaten. Daar staat: omdat gij zonen zijt, zo heeft God de Geest Zijns Zoons uitgezonden in uw harten, die roept Abba, Vader. Zo zijt gij dan geen dienstknecht meer, maar een zoon en indien gij een zoon zijt, zo zijt gij ook een erfgenaam van God.
U moet niet te snel over deze woorden heen lezen en niet te gauw menen, dat u ze verstaat. Zij gaan uit van de gedachte, dat de Geest des Heeren ten opzichte van de aard van Zijn werk, rekening houdt met de onderscheiden bedeling van het Verbond der genade. Oud en nieuw verbond zijn niet gelijkvloers. Er is een opklimming van het een naar het andere. Evenals bij de schepping van de wereld er een voortgang is van het mindere naar het meerdere, wordt er op het gebied der verlossing hetzelfde gevonden. De verlossing heeft een geschiedenis, maar zij zou dit niet hebben, als alles van het begin af aan gelijk blijft tot aan het einde. Geschiedenis immers veronderstelt wording en groei, uitbreiding en ontwikkeling. De gemeente van het oude verbond wordt nog voorgesteld onder het beeld van een erfgenaam, die nog kind is. Zulk een wordt niet op gelijke voet als een volwassen zoon behandeld, maar op één lijn gesteld met de dienstknecht en evenals deze op een afstand gehouden van de Vader. Men zet dus zulk een kind, gedurende een door de Vader bepaalde tijd, onder voogden en beheerders.
Welnu, zo betoogt de apostel, zo is het ook met ons, christenen uit de joden gegaan. Onder de oude bedeling werden wij nog als onmondige kinderen behandeld, want wij werden dienstbaar gemaakt aan de wet der ceremonieën, aan water en bloed. Sinds Christus evenwel ons van deze wet vrijgemaakt heeft en ons uit de kinderlijke staat heeft uitgebracht, is het anders geworden. Overmits gij zonen zijt, zegt Paulus, met een heilige woordspeling, heeft God de Geest zijns Zoons uitgezonden in uw harten. Zonder deze Geest zou Christus tevergeefs voor de zijnen het zoonsrecht verworven hebben. Niemand toch zou er gebruik van hebben gemaakt voor zichzelf. Maar nu is de Geest de toepasser. Hij verwekt in de harten der gelovigen de vrijmoedigheid om de afstand, die het als knecht behandelde kind van de vader scheidt te overbruggen en als vrije zoon tot Hem te gaan. Hij doet ons God als Vader aanspreken.
Aan de ene kant wordt de Geest des Heeren voorgesteld aan een die zelf Abba, Vader roept, een voedster gelijk, die het kind de Vadernaam voorzegt en aanspoort om der de Vader mee aan te spreken. Elders wordt ons gezegd, dat wijzelf door de Geest Abba, Vader zeggen. Beide uitspraken komen daarop neer, dat de Heilige Geest in ons vrijmoedigheid verwekt om ons tot God als tot een Vader te begeven, van Wie wij geloven zonen en erfgenamen te zijn. Het gaat in dit stuk niet om de mededeling van meerdere gaven of een rijker genade. Het is het eigenaardige van de nieuwtestamentische werking des Geestes de gelovigen van hun zoonschap te verzekeren. Men is het spoor kwijt, wanneer men leert, dat de genade van de verzekering slechts een paar mensen te beurt valt. Het is helemaal niet in orde om levenslang een vraagteken te zetten achter deze gewichtige vraag.
Let er intussen wel op, dat de H. Geest niet buiten Christus om vrijmoedig maakt om tot God Vader te zeggen. De grond daartoe ontleent Hij aan Christus, die van Hem gezegd heeft: Hij zal het uit het Mijne nemen. De Geest doet de gelovige toenemen in de kennis van Christus. Hij leidt hem naar Golgotha. Hij bepaalt hem bij de verzoeningskracht van de zelfofferande van Christus. Nu gaan wij zien, dat een zo weergaloos offer niet alleen de kloof tussen God en ons dempt, maar ons ook van kinderen, ja van vijanden tot zonen en erfgenamen verheft. De Geest opent in ons hart het inzicht, dat wij veel aan de waarde van Christus' offer tekort zouden doen, wanneer wij aarzelden om wegens dat offer tot Zijn Vader als tot onze Vader te gaan. Aan de eer van Christus is een prikkel te ontlenen om precies dezelfde als Vader aan te spreken, die ons anders een verterend vuur is.
Dit getuigenis omtrent het Zoonschap door de geest komt zelden voor. En, dat behoeft geen verdere aanwijzing, daar zijn vele oorzaken voor. Vele gelovigen zijn met het oog op de toegang tot de Vader niet genoeg werkzaam met de Middelaar, die de enige weg tot Hem is. Daarom gaat de Geest niet met hen mee. De Geest sluit zich immers steeds bij Christus aan. Wanneer Hij ons tot de Vader brengt, leidt Hij ons eerst tot Christus en gaat van deze met ons tot de Vader. Wij moeten daarom goed beseffen, wat het betekent God als Vader aan te spreken. Dan zouden wij niet anders dan in Christus tot Hem durven gaan. Ja, wij zouden zeer begeren om de Geest tot een Leidsman op deze weg te hebben. Wat een vrijheid geeft dit getuigenis van het Zoonschap aan het hart der gelovigen. Wij hebben een vrije toegang tot de Vader en zijn met Christus erfgenamen Gods!
Het uitzicht van deze zekerheid is onvoorstelbaar. Geen aardse, geen helse macht kan schaden aan wie zo Christus toebehoren. Met geheel die veiligheid hangt af het verbonden zijn met Hem, het ingeplant zijn in Hem. Omdat Hij de machtige Beschermer is, omdat Hij getrouw de Zijnen bewaart, daarom kan niets hen schaden. Wat hen aftrekken wil van hun Heere, dat verbindt hun ziel juist te nader aan Hem, omdat zij hoe langer hoe meer zichzelf bewust worden, dat zij Hem niet kunnen missen. Zij zijn meer dan overwinnaars, door Hem, die hen heeft liefgehad. Nooit kan de vastheid liggen in wat de gelovige zelf is en bezit. Alles is te danken aan die liefde, die opzocht en aantrok en die voortdurend bewaakt. Aan die liefde, die uit goddelijke macht de zwakken schraagt en tegen afvallen en verbroken worden hen bewaart.
Ja, er komen ogenblikken van zo bovenaardse heerlijkheid hier beneden, dat wij wanen reeds boven te zijn. Soms in het stervensuur, soms zo maar midden in het werk. Wij strekken ons uit naar de dag waarop God zal zijn alles en in allen. Dan hebben wij voorgoed met de wereld afgedaan.
A. van Brummelen, Huizen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 november 1989
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 november 1989
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's