Boekbespreking
Zicht op Israël 3, red. ds. C. den Boer, drs. M. van Campen, ir. J. van der Graaf, uitg. Boekencentrum, 's-Gravenhage, 220 blz., ƒ 25,90.
Het Bezinningscomité Israël, ontstaan vanuit Hervormd-Gereformeerde kring, zit bepaald niet stil. In 1983 verscheen de eerste publicatie met als ondertitel 'Israël in het licht van de Bijbel en in de traditie van de Reformatie'. In 1987 volgde een tweede deel waar aan de titel van de uitgave werd toegevoegd 'Voortgaande Reformatorische bezinning op de verhouding van Kerk en Israël in bijbels perspectief'. Vorig jaar (1988) verscheen een derde deel. Nu wordt de inhoud van deze bundel EO-radiolezingen, gehouden in de winter van 1986-1987, nader omschreven met 'Het joodse volk en het verbond in het licht van de Heilige Schrift, de reformatorische traditie en het moderne joodse en christelijke denken'. In alle hier gepubliceerde lezingen staat het verbond centraal. Wie zich in bijbels licht bezint op Israël kan daar ook onmogelijk omheen. Je zou het dè centrale notie kunnen noemen waarin de relatie tussen God en Zijn volk wordt getypeerd. In verschillende bijdragen komt dan de term 'correlatie' aan de orde, het woord waarmee Miskotte in zijn studie 'Het wezen der Joodsche religie' (1933) de wederzijdse afhankelijkheid van God en Israël in het verbond aanduidde. Dr. G. H. Cohen Stuart (theol. adviseur van de Ned. Herv. Kerk in Jeruzalem) geeft een boeiende uiteenzetting hoe in het huidige Israël de joodse feesten als Rosh Hashanah, Grote Verzoendag en Loofhuttenfeest duidelijk maken hoe het verbond in die wederzijdse en onderlinge afhankelijkheid van God en Israël praktisch functioneren. Mij trof in zijn bijdrage hoe hij afrekent met de onder ons bekende voorstelling als zou het typisch joods zijn om te denken dat je door werken gerechtvaardigd wordt en daarbij geen genade van God nodig zou hebben. Kenmerkend voor christelijk geloof is dat er genade om niet geschonken wordt in Christus. Maar, aldus Cohen Stuart, over welke joden Paulus het in de Romeinenbrief gehad heeft weet ik niet, ik ken geen joden die denken alleen op grond van hun werken door God gerechtvaardigd te zullen worden. Hij acht dat een karikatuur te zijn van het jodendom. Verderop schrijft dr. Gerssen een buitengewoon heldere bijdrage over 'Het verbond in joods beleven en in modern christelijk denken'. Daarin geeft hij toch weer volop voet aan de gedachte dat de beleving van de verbondsrelatie voor een jood en een christen duidelijk op een ander niveau ligt. Het joodse levensgevoel is wezenlijk anders dan het christelijke. Het christelijke kenmerkt zich door de ootmoed vanwege de overmacht van de genade en de verwondering dat deze ons zo souverein is toegevallen, aldus Gerssen. Het joodse levensgevoel wordt veeleer gekenmerkt door een zeker optimisme. Dr. Gerssen citeert dan uit Miskotte's studie over de positie van de mens in het verbond die hem toch een bepaald zelfbewustzijn geeft de volgende tamelijk scherpe worden: 'De mens als partner in de correlatie is een heros, niet een bedelaar in de Geest, hij is in volle zin medearbeider en in geen zin kind Gods'. De ethiek neemt in het jodendom dan ook een overheersende plaats in. Ook dat wordt bevestigd door wat Cohen Stuart schrijft over de heel concrete en praktische manier waarop joden vandaag de grote feesten vieren. Juist op dit punt maakt het jodendom indruk op een vaak zo lauw en weinig konsekwent levend christendom. Het boeiende in Gerssens bijdrage is dat hij de verbondsvisie van Berkhof helemaal mee betrekt in zijn bezinning op joods en modern christelijk denken. De in het jodendom benadrukte aspecten van het verbond (meer de vader-mondige zoon-relatie) sluiten wonderwel aan bij het moderne levensgevoel. In onze tijd is de mondigheid van de mens een hoog goed. De moderne mens is zich al van jongsafaan veel meer bewust van zijn eigen identiteit. Het onder ons zo vertrouwde spreken over de mens als begunsteling van God, begenadigd zonder, sluit nauwelijks meer aan bij de zelfbeleving van de mens van nu. De mens als partner van God in het verbond en in de opbouw van een nieuwe wereld komt veel beter over en wordt veel sneller aanvaard. Zeker, we kunnen niet zonder God. Maar God kan ook niet zonder ons. Gerssen geeft de overweging mee of daaruit niet een voornaam deel van de belangstelling voor het joodse denken te verklaren valt, vanwege genoemde samenhang met het moderne levensgevoel.
We gaan onze bespreking van een zeer boeiende bundel afsluiten. De bijdragen zijn verscheiden en dat kan ook niet anders gelet op de verschillende geestelijke achtergronden der scribenten. In één visie is overeenstemming: de substitutiegedachte (de christelijke kerk zou in de plaats van Israël zijn gekomen) dient met klem verworpen te worden. Ds. P. den Butter (Chr. Geref. pred.) zegt het in zijn bijdrage over 'Kinderen van het verbond' zo: 'Het misverstand, dat de christenen uit de heidenen nu de plaats en de taak van Israël hebben overgenomen, moet toch eens een keer verdwijnen. God is met Israël niet opgehouden'. Ir. J. van der Graaf geeft in een afsluitende lezing aan tot welk en verbeten fanatiek antisemitisme bij de arabische christenen de vervangingsgedachte nog altijd leidt.
Ook al wordt er door alle medewerkers sympathiek en ootmoedig over het jodendom geschreven, er worden geen doekjes gewonden om wat dr. Gerssen in 1975 noemde 'het grote schisma'. Hij sluit zijn bijdrage af door aan te geven hoe Miskotte via een studie over de heiliging bij Kohlbrugge op het spoor van het joods denken kwam en ontdekte dat het jodendom de antipode is van het Evangelie der genade en de theologie van Kohlbrugge het scherpste tegenbeeld van de joodse leer der correlatie.
Tenslotte, klaagden we bij de bespreking van deel 2 over de slecht uitgevoerde correcties in de tekst, we hebben dit keer nauwelijks reden tot klagen. Er is kennelijk hard aan gewerkt. Toch treffen we alleen al op de achterflap van het boek drie onzorgvuldigheden aan. Dat moest niet nodig zijn.
Alle lof overigens voor de inhoud van deze bundel. We zien alweer uit naar een volgend deel. Zeer aanbevolen.
J. Maasland, C. a. d. IJ.
Lesslie Newbigjn, Zending in het voetspoor van Christus, Bijbelstudies, uitg. Merweboek, Sliedrecht, 56 pag., ƒ 9,90.
Gelukkig verscheen er een Nederlandse vertaling van een viertal bijbelstudies die de Engelse bisschop Lesslie Newbigin schreef ter voorbereiding op de Zendingsconferentie van San Antonio. Hier spreekt iemand met meer dan 40 jaar ervaring in het zendingswerk. Met een diepe verworteling in het bijbels getuigenis, zet Newbigin de zending in het spoor van Christus. Zijn getuigenis is een verademend geluid in de hedendaagse zendingsliteratuur. Van harte aanbevolen. Een mooi boekje om cadeau te doen. Of om als bezinning te lezen in kerkeraad of zendingscommissie.
D. Ph. C. Looijen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 november 1989
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 november 1989
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's