Incest en goede bedoelingen
Laat ik mogen beginnen met de redactie van de Waarheidsvriend te complimenteren met het feit dat zij zoveel ruimte in deze kolommen geeft voor de bespreking van het onderwerp 'incest' naar aanleiding van het boekje van dr. J. Hoek 'Incest. Wat gaat ons dat aan?'.
Ik grijp de gelegenheid aan om enkele fouten in mijn tekst te corrigeren. Ten eerste: In de tweede kolom op blz. 685 (nr. 44) staat onder het hoofd: Het christelijk geloof verdacht, de zin: Men kan zeggen dat… Deze moet luiden: Men kan zeggen dat overal waar sexualiteit verdacht is en de rol van vrouwen ondergeschikt is er naast andere factoren een risico bestaat.
Vervolgens. Onder het hoofd: Tekst en uitleg, is Dr. Hoek niet aan zijn tekst maar aan zijn leest te houden.
Tenslotte zal de lezer geraden hebben dat boven de laatste alinea niet moet staan: Afzondering maar Afronding.
De fouten zijn overigens door mijn toedoen tot stand gekomen. Daarvoor mijn excuses.
Dr. Hoek complimenteer ik met zijn reactie. De ervaring leert immers dat discussies als de onze nogal eens aanleiding geven tot (uiterst) defensieve reacties waaraan men helaas een wrange smaak overhoudt.
Ik hecht er sterk aan dit op te merken omdat men er rekening mee moet houden dat discussies over dit en vergelijkbare onderwerpen met argusogen worden gevolgd zowel ter linker als ter rechter zijde, kerkelijk of niet.
Maar vooral omdat, als we het gegeven serieus nemen, dat incest onder alle lagen van de bevolking voorkomt, we moeten aannemen dat zich onder de lezers van de Waarheidsvriend ook slachtoffers en daders van incest kunnen bevinden. Woorden wegen zwaar en roepen veel (emoties) op. De lezer heeft dat weer kunnen meemaken met het door mij gebruikte woord 'afgrijselijk'.
Ik waardeer de reactie van dr. Hoek vooral hierom, omdat hij goed heeft aangevoeld waar het mij om te doen is, te weten nadere explicatie van zijn goede bedoelingen. Gemiddeld gesproken zijn mensen wel bereid met goede bedoelingen in zee te gaan ook al zijn die bedoelingen niet altijd even duidelijk onder woorden gebracht. Dat wordt al een stuk moeilijker voor mensen die vervelende ervaringen op dat terrein hebben meegemaakt. Hun vertrouwen is beschaamd. Buitengewoon moeilijk en soms zelfs ondoenlijk is het voor incestslachtoffers om zich in te laten met zogenaamde goede bedoelingen van wie dan ook. Daarom ben ik ervan overtuigd dat men schrijvend als man, vanuit een gezaghebbende positie, die makkelijk geassocieerd kan worden met macht buitengewoon sensitief moet zijn voor wat woorden en zinnen kunnen oproepen en aanrichten. Als u nagaat dat dr. Hoek zich al door mij niet begrepen en zelfs miskend voelt, dan kunt u wellicht enigermate vermoeden hoe het moet zijn voor een incestslachtoffer die de door mij geciteerde zinnen op blz. 34 leest, dan de door dr. Hoek aangehaalde zin op blz. 32-33 allang vergeten heeft en het een hele tijd duurt aleer de door dr. Hoek geciteerde zin op blz. 51 bereikt is.
Zonder duidelijke uiteenzetting van de goede bedoeling van zulke zinnen lopen ze eerder het risico associaties op te roepen met de volgende regels uit een gedicht getiteld: Incest: 'En bidden? Ach, dat heeft geen zin, een Vader stelt teleur. Zo wordt een vader tot een vloek'.
Natuurlijk bedoelt dr. Hoek dat niet! Maar woorden wegen zwaar.
Zijn uiteenzetting in deze kolommen vind ik een belangrijke aanvulling, die ik graag opgenomen had gezien in het boekje.
Zeker, een goede uitleg van het vijfde gebod is en blijft van essentieel belang. En de ervaring die dr. Hoek beschrijft onderstreep ik. Mag ik de lezer eraan herinneren dat de gemiddelde leeftijd waarop incest begint tussen het 9e en 11e jaar ligt zoals dr. Hoek ook vermeldt. Wellicht kan dr. Hoek predikanten en catecheten adviseren hoe zij aan die leeftijdsgroep aangepast het vijfde gebod kunnen uitleggen en toepassen.
Zeer belangwekkend vind ik de opmerking dat het spreken over tuchtmaatregelen in dit verband het intrappen van een open deur is. Ik geef toe, mijn ervaringen hadden mij wat dat betreft de moed al bijna doen opgeven. Dat is dus niet nodig. Hier ben ik blijkbaar niet duidelijk genoeg geweest in mijn bedoelingen.
Ik zou tuchtmaatregelen opgenomen willen zien in goede (pastorale) begeleiding van de dader, die gericht is op het verwerven van schuldbesef, het nemen van verantwoordelijkheid voor en het komen tot verzoening. Twee overwegingen spelen daarbij een rol. In de eerste plaats zijn er voorzichtige aanwijzingen uit onderzoek dat slachtoffers voor wie het tot een verzoening met de dader kon komen er beter voor staan dan slachtoffers voor wie dat niet tot stand kwam.
In de tweede plaats omdat er aanwijzingen bestaan dat de behandeling van incestdaders beter verloopt wanneer er sprake is van een zekere dwang. Bij dit tweede punt moet ik natuurlijk onmiddellijk een kritische kanttekening plaatsen. Het kan immers niet de bedoeling van tuchtmaatregelen zijn dat wij eigen rechter gaan spelen. Aan de andere kant is het zo, dat de begeleider, de behandelaar of de pastor van een incestdader er geen misverstand over hoeft te laten bestaan wat zijn positie en oordeel is over het berokkende leed. Tegelijkertijd is daarmee geen morele afwijzing van de dader bedoeld. Men wil hem immers helpen, begeleiden of pastoraal ondersteunen.
Naar aanleiding van de eerste overweging: Als dr. Hoek nu stelt dat het schenken van vergeving door het slachtoffer aan de dader veel problematischer ligt dan het vragen om vergeving van de dader dan is een van de oorzaken daarvan dat het vragen om vergeving dikwijls achterwege blijft.
Naar aanleiding van de tweede overweging: Wanneer het dr. Hoek gaat om onevenredige pastorale aandacht en bewogenheid ten gunste van het slachtoffer, is het mijns inziens nodig dat hij expliciet aandacht besteedt aan de wijze waarop predikanten met daders hebben om te gaan. En heus, ik bedoel dan toch iets meer dan de twee zinnen die dr. Hoek uit zijn boek citeert. Tegelijkertijd haast ik mij om te zeggen dat het om een ingewikkeld en moeilijk probleem gaat. Ook de reguliere hulpverlening gaat hier nog zoekend en tastend een weg. Maar ook op dit punt, d.w.z. tegenover de dader, moeten goede bedoelingen helder zijn. Anders is het risico op een mislukking groot.
Nogmaals, ik heb geen reden om aan de goede bedoelingen van dr. Hoek te twijfelen. Had ik daartoe wel redenen gehad dan zou ik in verband met de ernst van de problematiek geen moment geaarzeld hebben dr. Hoek te herinneren aan de 16e stelling behorend bij het proefschrift van dr. A. van Brummelen: Aanplant van bomen moet worden bevorderd; overproduktie van boeken tegengegaan.
P. J. Verhagen, Breda
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 december 1989
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 december 1989
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's