De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Een blik op de erfenis

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Een blik op de erfenis

8 minuten leestijd

Er is in de stichtelijke literatuur herhaaldelijk discussie gevoerd over de vraag of de Heilige Geest ook buitengewone verzekeringen geeft van onze staat in de genade. Met het oog op wat wij in de Heilige Schrift lezen aangaande de ondervinding van sommige heiligen, kan de vraag zeker bevestigend worden beantwoord. Wie gaf aan Asaf de vrijmoedigheid om tot de Heere te zeggen: Gij zult mij leiden door uw raad, en daarna zult Gij mij in heerlijkheid opnemen? Het was de Heilige Geest. Het was dezelfde Geest, die Paulus aan de avond van zijn leven deed zeggen: ik heb de goede strijd gestreden, ik heb de loop geëindigd, ik heb het geloof behouden; voorts is mij weggelegd de kroon der rechtvaardigheid, welke mij de Heere, de rechtvaardige rechter, in die dag geven zal.
Hier zien wij een zekerheid en een verzekerdheid in de hoogste graad; een, die door niets meer geschud en bewogen worden kan.
Er is dus een bijzondere verzekering van de genadestaat. Hiermee is evenwel helemaal niet toegestemd, dat het hierbedoelde getuigenis van de Geest zou bestaan in een onmiddellijke ingeving, waarbij de betrokkene zonder of buiten het Woord om verzekerd werd van zijn kindschap. Tegen de mening, dat het wèl zo toegaat, is terecht opgemerkt, dat zulk een openbaring het bewijs van haar goddelijkheid niet meebrengt. Zou men zich dus op haar mogen verlaten, dan zou haar hemelse herkomst vooraf door een afdoend teken bevestigd en gestaafd moeten worden. Op zichzelf toch heeft zij niets heiligs wezenlijk aan zich. Ze is zelf het bewijs van haar heiligheid niet. Wie zou haar dan kunnen onderscheiden van openbaringen, die van achteren kennelijk zinsbedrog bleken te zijn? Het maakte de mensen, die ze waanden te ontvangen, vleselijk gerust, in plaats van, zoals aan de echte verzekering eigen is, hen nauwer aan God te verbinden.
Neen, wij hebben iets beters op het oog met de buitengewone verzekeringen, van welke wij spreken. Er komen ogenblikken in het leven voor, waarop Gods Geest door Zijn genadige en almachtige verlichting zijn eigen werk in onze ziel op een uitnemende wijze bestraalt en in de volle dag stelt. Dan is de gelovige in staat, om zichzelf met een ongewone klaarheid als kind van God te erkennen. Ja, de Geest brengt ons tot het krachtige, ongeschokte besluit, dat wij inderdaad op reis zijn naar de hemel. Wij weten, dat wij, ondanks alle tegenstand, die eenmaal voorspoedig zullen bereiken. Wij menen, dat Bunyan dit alles bedoelt, wanneer hij de gedachte van de Liefelijke Bergen indraagt in zijn Christenreis. Christen bevindt zich dan in het paleis Sierlijkheid, waarvan de bewoners Christen vertroosten en bemoedigen en hem ook een wapenrusting schenken voor zijn verdere tocht. De bewoners van dat paleis laten hem de Liefelijke Bergen zien, op een heldere dag, welke nog veel tot zijn vertroosting zullen bijdragen, omdat ze dichter bij de begeerde haven liggen dan de plaats, waar hij zich nu bevindt. Wij zouden u willen aanraden dit gedeelte eens in Bunyan na te slaan. Niemand beter dan deze geniale schrijver weet met onovertroffen symboliek deze gedachte in te kleden.
De Geest der genade leidt soms ver de gelovige terug, om hem te laten zien, dat hij van kindsbeen af het voorwerp is geweest van Gods bijzondere zorg. Vroeger zelfs, nog vóór hij er was, was Gods oog op hem gericht. De toeleidende genade houdt in, dat God zelfs verre van tevoren in de geslachten het leven schikt van hen, die Hij op zijn tijd begiftigen zal met het geloof Het lezen van vele levensbeschrijvingen versterkt ons in deze opvatting. Van die zorg van God getuigt vaak de omgeving, waarin de Heere ons plaatste. Het is niet zelden een gemeente, waarin velen wonen, die kennelijk door Gods genade werden bearbeid. Daaronder zijn veelal mannen en vrouwen met de gave der onderwijzing in de genade. Het is ons menigmaal opgevallen, dat er welhaast altijd een vader of moeder, een oom of tante is geweest, die ons de eerste beginselen bijbracht. Ja, er zijn zelfs eenvoudige dienstbodes geweest, die aan de kinderen van het huis, waar zij dienden, leerden de Heere te vrezen. Heel eenvoudige mensen gebruikt de Heere daarvoor. Wij ontmoeten ze op schijnbaar toevallige gelegenheden. Ze spreken een enkel woord en voordat wij het weten geraken wij onder de bekoring van hun eenvoud en diepte. Het huis, waarin wij werden opgevoed, de school waarin wij werden onderwezen, de kerk, die ons in haar midden opnam, de heilige indrukken, die God ons door deze middelen van tussenkomst toekomen deed – het zijn allemaal vingerwijzingen van onze God om ons nader te brengen tot het eeuwige leven.

Tegenspoed dient om ons losser te maken van de zichtbare dingen en belang te laten stellen in het heil van onze ziel. Ja, zelfs dient soms het vallen in een of andere grove zonde om de mens tot bezinning te doen komen. Het gebeurt ook wel, dat wij door het gelukkig leven en sterven van de vromen tot jaloersheid worden verwekt. Het is niet ten onrechte opgemerkt op dit punt, dat God hier wel handelt als iemand, die het hout droogt om het straks te beter te doen branden. Wie zich geduldig verdiept in het intieme leven der stille vroomheid, zal meer dan eens zich verbazen over de glanzende wegen, die de Heere hier gaat. Moeders ontvangen soms kennelijke overtuigingen aangaande hun kinderen, dat er iets in hen ligt voor de eeuwigheid. En – ook al spreken ze daarvan maar uiterst voorzichtig – het doet hen op het uiterste naspeuren om enige beginselen der genade op te merken. Zonder aan overgereformeerdheid toe te geven en de middelen der genade te verachten – wij kunnen niet loochenen, dat hier wel eens wegen en gangen openbaar worden die ons aanbidden doen.
Maar hiertoe bepaalt zich de indachtig makende werking van de Heilige Geest niet alléén. Ze breidt zich uit over geheel de geschiedenis van het leven van de christen onder de genade. Wij worden teruggeleid naar de achter ons gelegen weg. Wij zien hoe God ons van blind ziende maakte, van onwillig gewillig – wij worden een wonder in ons eigen oog. Hoe vaak glibberden wij daarheen in het moeras van de zonde. God haalde ons daaruit weer op. Wij waagden te lopen langs afgronden, waarvan Gods hand ons terugtrok! Tal van tekenen van Gods liefde en wijsheid liggen als glinsterende sporen achter ons. In onderwijzing, in vertroosting, in onderricht. Zie, op zulke momenten raken wij de tel van de weldaden kwijt. Wij blikken van de hoogte, waarop wij staan naar beneden en overzien de levensweg, die wij hebben afgelegd. Het is een voorproef van wat gebeuren zal, wanneer wij de aardse gang van het leven van de hemel uit zullen overzien.
Ten volle verzekert ons de Heilige Geest van onze zaligheid, wanneer Hij ons een voorsmaak van het eeuwige leven geeft. In het aangezicht van Christus zien wij de heerlijkheid Gods. Deze aanschouwing vervult ons hart met een onuitsprekelijke vreugde. Wij gevoelen, dat wij God om de wille van hemzelf begeren. Wij zinken weg in verwondering erover, dat zulk een God ons heeft willen liefhebben. Wij geraken niet verzadigd van de aanschouwing van Zijn heerlijkheid. Wij gevoelen gemeenschap met de triomferende kerk hierboven door het geloof. Onvergetelijke herinneringen in dit punt blijven ons bij. Mannen en vrouwen hebben het ons verteld, hóe de Heere hen schier bovenaards vertroostte. De ziel is opgeheven uit alle aards gedruis. Het Lam van God werd bovenmate dierbaar. In Christus zien wij de grootte der liefde, waarmee de Vader ons heeft liefgehad. De Vader gaf de Zoon, de Zoon boog zich gewillig. Daarom keren wij ons telkens van het Lam naar de Vader en van de Vader naar het Lam. De Geest beweegt ons daarin van de een naar de ander. Wij worden door een drieënige God bearbeid. Dan kunnen wij niet meer twijfelen aan de zaligheid. Wie in een geopende hemel ziet en gevoelt dat hij er in kan zijn, zal er zijn. Alleen hij blijft er buiten, die in de hemel zijn hemel niet kan vinden, omdat hij in de hemel zijn aarde zoekt. Daarom maakt de Heere ons steeds van de aarde los en van haar begeerten, om meer te worden verbonden aan Hem, die daarboven is.
Wanneer Bunyan in zijn Christenreis het levenseinde van Gereed-tot-hinken beschrijft, die immers gedurig in dit leven kwakkelde en hinkte, dan zegt deze aan de oever van de doodsrivier gekomen: 'Nu zal ik geen krukken meer nodig hebben, aangezien aan de overkant wagens en paarden staan om te rijden.' De laatste woorden, die men hem hoorde zeggen, waren: Welkom, leven! Zo ging hij heen. Eigenlijk zijn deze woorden van Bunyan symbolisch voor geheel het christenleven. Hier op krukken, maar het aangezicht naar Jeruzalem gericht. Welnu dan, de kinderen dezer wereld hebben al het hunne in de hand en niets te hopen, maar de kinderen Gods bezitten alles in hope en ze hebben bijna niets in de hand. Daarom is het zulk een troost, dat hoe inniger wij onze verwachting op God hebben gevestigd, hoe hoger Hij dezelve zal doen rijzen.

A. van Brummelen, Huizen N.H.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 december 1989

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Een blik op de erfenis

Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 december 1989

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's