Wat bedoelen wij ermee?
Een christelijke organisatie:
Ik wil beginnen met een hartelijke felicitatie aan het adres van de Protestantse Stichting voor Maatschappelijke Dienstverlening 'Noord-West Twente', die vandaag haar vijftiende verjaardag viert. Van harte hoop ik, dat u onder Gods zegen dienstbaar mag zijn aan de samenleving in navolging van Christus, die onze barmhartige Hogepriester is.
Mij is gevraagd vandaag te refereren over het thema 'een christelijke organisatie: wat bedoelen wij ermee?' Alvorens ik aan de tegenwoordige tijd toekom, wil ik dit thema eerst in de verleden tijd invullen, namelijk 'een christelijke organisatie: wat bedoelde men ermee?' Waar liggen de wortels van de christelijke organisaties zoals we die nog kennen en hoe was de ontwikkeling daarvan?
Eeuwenlang hebben we in ons land de christelijke organisatie niét gekend. Nederland was als zodanig wat we noemen een christelijke natie. Dat betekent niet, dat elke Nederlandse staatsburger hoofd voor hoofd een oprecht christen was, maar we konden wel spreken van Nederland als een gedoopte natie. Er was na de Reformatietijd sprake van een directe verbinding tussen kerk en staat, zodat de kerk sterke invloed had op het hele staatkundige en maatschappelijke gebeuren. Met de scheiding van kerk en staat in het jaar 1795 werd de situatie echter ten principale anders. Als de staat neutraal wordt, moet dat consequenties hebben voor bijv. en allereerst de scholen, die van de staat uitgaan. Met name voor de staatsschool bleven de gevolgen van de scheiding van kerk en staat dan ook niet uit. Hoewel godsdienstonderwijs op de openbare scholen gegeven bleef worden, het christendom dat er geleerd werd zou een christendom zijn 'boven geloofsverdeeldheid'. En verder kennen we de uitdrukking, dat de kinderen werden opgevoed voor alle christelijke en maatschappelijke deugden. We kunnen zeggen, dat de School mèt de Bijbel meer en meer plaats maakte voor de School met een Bijbel. Hier ligt de ontstaanswortel van de eerste christelijke organisatie. Hoewel Groen van Prinsterer zich nog lange tijd heeft beijverd voor de openbare school met drie stromingen, te weten een protestants-christelijke, een rooms-katholieke en een joodse stroming, op een bepaald moment heeft hij begrepen, dat een hooggestemd ideaal niet uit mag gaan boven de roeping om kinderen onderwijs te geven in de lijn van de opvoeding thuis. Daarom werd Groen van Prinsterer toch de kampioen voor de christelijke school. En rondom de christelijke school ontstond en stond de christelijke politieke partij, die de schoolstrijd voerde at op het politieke toneel. En van lieverlede hebben zich op allerlei, om niet te zeggen op alle, terreinen des levens christelijke organisaties voorgedaan. Hierbij moet onontkoombaar de naam vallen van dr. Abraham Kuyper. Diens antithesebeginsel leidde tot de opvatting, dat christenen tegenover de wereld staan en zich derhalve afzonderen in eigen organisaties. En om het heel zwart-wit te zeggen: macht dient in de samenleving te worden afgedwongen via het getal, via de helft plus één. Hoe men ook over de aktiviteiten van Abra ham Kuyper denken moge, één ding staat vast, namelijk dat hij met name een hoge greep heeft gedaan, toen hij in 1881 de Vrije Universiteit heeft gesticht. Met deze stichting werd een begin gemaakt met de emancipatie van de kleine luiden, waarvan Kuyper de klokkenist is genoemd. U zult het mij niet euvel duiden, dat ik op deze plaats zeg, dat de Doleantie van 1886 helaas ook een direct gevolg is geweest van de stichting van de Vrije Universiteit, hoewel sommigen mij dit zó zullen betwisten. Maar door de jaren heen heeft de Vrije Universiteit zich ontwikkeld tot een bolwerk voor de gereformeerden in onze samenleving. De Vrije Universiteit was tevens een voedingsbron voor allerlei andere christelijke organisaties, die zijn ontstaan. Wat de beginjaren betreft, mogen we in dit verband ook wijzen op 'De Standaard', waarin Kuyper zijn doelstellingen verwoordde en waarmee hij op een machtige wijze leiding heeft gegeven aan het gereformeerde volksdeel.
Opponent
Ik mag echter niet nalaten hier ook de naam te noemen van de grote opponent van Kuyper in die dagen, namelijk dr. Ph. J. Hoedemaker, voor wie wij dit jaar een herdenkingsjaar hebben. Hoedemaker heeft Kuyper bestreden vanuit zijn visie, dat het nergens in de samenleving gaat om de majoriteit (de meerderheid) van leden of van kiezers, maar om de autoriteit van het Woord. Telkens herinnert Hoedemaker aan Psalm 33 :
'Alles moet Hem eren,
want het Woord des Heeren,
het richtsnoer van Zijn daan,
is volmaakt rechtvaardig
al onze achting waardig,
eeuwig zal het bestaan.'
Het ging Hoedemaker om heel de kerk en heel het volk. Legde Kuyper zich in feite neer bij de neutrale staat, waarbij het christelijk volksdeel moest pogen de meerderheid te behalen of te behouden, voor Hoedemaker ging het om een belijdende staat: heel de kerk en heel het volk. Daarom hield hij vast aan het onverkorte artikel 36 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis. Aan Lohman schreef Hoedemaker: 'Gods recht is volstrekt en geldt niet voor een partij, een heersende kerk of een zich de heerschappij aanmatigende richting, maar voor heel de kerk en heel het volk'. En aan Kuyper vroeg hij: 'Is het u te doen om het bestaan en de invloed van mijn, uw of hun geloofsgenoten of geestverwanten te waarborgen in de neutrale staat of komt gij tegen die staat zelf op?' Voor Hoedemaker was het antwoord duidelijk: 'de eis van gehoorzaamheid is volstrekt onafhankelijk van getalsterkte, van voor- of nadeel. Is God een levende God, heeft Hij Zich bekendgemaakt? Bemoeit Hij Zich met de aardse huishouding, is de overheid Zijn dienaresse, dan gaat het in de politiek niet om onze christelijke of kerkelijke belangen, maar om Gods recht om te regeren'.
Intussen voegde Hoedemaker Kuyper ook dit gevleugelde woord toe: 'vertegenwoordigers van de beginselen, die gij en ik belijden, zullen elkaar hierover nader spreken als wij te ruste zijn, over twintig, vijftig, honderd jaar, als het strijden nog zo lang moet duren.'
Welnu, wij leven vandaag honderd jaar na datum. In de jaren liggende tussen het begin van de christelijke organisatie en vandaag is sprake van een drietal ingrijpende ontwikkelingen. In de eerste plaats heeft de christelijke organisatie wijd om zich heen gegrepen. Op allerlei terreinen ontstonden protestants-christelijke en rooms-katholieke organisaties. Op het terrein van het onderwijs, de pers, de media! We zullen moeten erkennen dat vanuit deze organisaties er geestelijke krachten zijn ontwikkeld, die onze samenleving ten goede zijn gekomen. Maar een tweede ontwikkeling brak zich baan in de jaren in en na de Tweede Wereldoorlog. Ik bedoel: de doorbraak-gedachte kwam op. In plaats van het antithesebeginsel van Abraham Kuyper kwam in brede christelijke kring het solidariteitsbeginsel. Uitgangspunt was, dat de christen solidair is met de wereld. Samenbundeling van christelijke krachten is alleen nodig wanneer de niet-christelijke wereld er toe dwingt. Het gaat om het 'Gebot der Stunde'. De christen kent in zijn politiek en maatschappelijk bezigzijn geen eeuwige beginselen, maar gaat van beslissing tot beslissing. In een kanselboodschap van de hervormde gemeente van Eindhoven werd direct na de Tweede Wereldoorlog gezegd: 'We erkennen met eerbied het werk dat op sociaal terrein door christelijke voormannen en organisaties is gedaan in een tijd waarin de kerk haar taak tegenover het volk verwaarloosde… We zijn nu tientallen jaren verder en de geestelijke gevaren, die ons volk bedreigen, houden geen halt bij christelijke verenigingsgrenzen. Daarom waarschuwen wij tegen de christelijke afscheidingsneiging van voor de oorlog, omdat we dan de solidariteit met het volk verbreken. Christelijke samenbundeling betekent thans geen versterking meer, maar verzwakking'.
Dr. C. J. Dippel, die ook nauw bij de Eindhovense Kanselboodschap was betrokken, zegt in zijn boek 'Kerk en wereld in de crisis':
a. Christelijk handelen in de politiek – en hij bedoelde ook de maatschappij – is voortgaan van beslissing tot beslissing en is gewoon een zakelijke kwestie;
b. Christenen en niet-christenen vinden elkaar in hetzelfde zakelijke doel, waartoe ze zich geroepen weten;
c. Christenen moeten hun beslissingen niet motiveren als een volbrengen van Gods gebod, maar gewoon op zakelijke gronden;
d. Op de plaats waar de christenen gesteld zijn, schuwen ze geen enkel gezelschap.
Nimmer heb ik kunnen begrijpen, dat doorbraak-mensen zich hebben beroepen op dr. Ph. J. Hoedemaker. Weliswaar stond deze uiterst kritisch tegenover de antithesegedachte als beginsel van dr. Abraham Kuyper, maar centraal voor hem stond het onverkorte artikel 36 van de N.G.B. Het ging hem, als gezegd, om de theocratische gedachte: Alles moet Hèm eren.
In ieder geval is met de Doorbraak de eerste grote aanval op de christelijke organisatie gekomen. Achteraf bezien moeten we zeggen, dat diegenen, die zijn doorgebroken in hoge mate triomfantelijk hebben gedacht: 'Wij christenen hebben wel zóveel weerbaarheid dat wij met de wereld samen kunnen werken en de wereld vanuit het christelijke gedachtengoed kunnen beïnvloeden. Het omgekeerde is echter het geval geweest. Op langere termijn hebben de doorbraak-idealisten zelf moeten toegeven, dat de Doorbraak in feite mislukt is. Het werd een desillusie voor de illusionisten. Zelfs de protestants-christelijke, rooms-katholieke en humanistische werkgemeenschap binnen de Partij van de Arbeid zijn ter ziele gegaan. En waar is nu nog het specifiek christelijke element binnen de Partij van de Arbeid en de VARA? De derde ontwikkeling, die ik hier noemen wil, is tevens de tweede grote aanval op de christelijke organisatie geweest. Ik bedoel: de om zich heen grijpende secularisatie. Zonder dat ik op de secularisatie op zich nader wil ingaan, moet ik zeggen, dat in plaats van een positieve beïnvloeding van de wereld door de kerk, soms in niet geringe mate de wereld van de kerk bezit heeft genomen. De secularisatie heeft geleid tot ontkerkelijking c.q. ontkerstening en omgekeerd. Het één greep in het ander en langzaam maar zeker deed de secularisatie ook een greep naar de confessionele organisaties. De de-confessionalisering van de confessionele partijen en organisaties trad in. In politieke zin werden de grenzen tussen Rome en Reformatie uitgewist. Op steeds meer scholen kwam de grondslagformule ter discussie. Meer en meer gingen confessionele organisaties op doorbraak-organisaties lijken. Het ging niet meer om het beginsel, maar in feite óók om het 'Gebot der Stunde'. Dezer dagen verscheen een boek van prof. dr. G. Dekker en dr. J. Peters, getiteld 'Gereformeerden in meervoud'; 'een onderzoek naar levensbeschouwing en waarden van de verschillende gereformeerde stromingen'. In dit boek komt uiteraard ook aan de orde de de-confessionalisering van confessionele organisaties. In feite komen de schrijvers tot de conclusie dat de afbraak van de christelijke organisaties het eindpunt is geweest van de emancipatie van het gereformeerde volksdeel, dat door Kuyper wakker werd geroepen. De tragiek is dat ook in deze afbraak het geesteskind van Kuyper, de VU, is voorgegaan. Nu de emancipatie voltooid is, is er eigenlijk geen behoefte meer aan de strikt confessionele organisaties. De gemiddelde modern-gereformeerde onderscheidt zich nauwelijks meer van de gemiddelde Nederlander. Daarmee is het emancipatieproces volstrekt voltooid.
Vandaag
Dit brengt mij tot het tweede deel van wat ik vandaag zeggen wil, namelijk 'een christelijke organisatie: wat bedoelen wij ermee, vandaag?'
We zouden kunnen zeggen, dat zich vandaag de emancipatie voltrekt van dàt gereformeerde volksdeel, dat grosso modo en globaal bezien buiten de bolwerken van Kuyper is gebleven en zich in kleinere kerkgenootschappen of kerkelijke verbanden ophoudt. In zijn boek 'Gereformeerden in meervoud' onderscheidt prof. dr. Dekker de modern-gereformeerden, de orthodox-gereformeerden en de bevindelijk-gereformeerden. De orthodox-gereformeerden zijn dan voornamelijk te vinden in de Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt. Zij zijn óók ver gevorderd in hun emancipatieproces. Maar het gaat dan nu om de bevindelijk-gereformeerde stroming. Hoezeer ik ook bezwaar heb tegen de benaming bevindelijk-gereformeerd, het zal voor ieder duidelijk zijn wat ermee wordt bedoeld. Inderdaad hebben we binnen deze stroming de laatste vijftien jaar een veelvoud van nieuwe organisaties zien ontstaan. Op het terrein van het onderwijs de zogeheten Reformatorische Scholen. Op het terrein van de pers, de omroep, allerlei reformatorische verbonden. We kunnen zeggen, dat er óók vandaag geen terrein is, waar niet de nieuwe kleine luiden van vandaag zich organiseren. Woord en Daad, Kom over en help. Stichting Hulp Oost-Europa, Gereformeerde Bijbelstichting, Evangelische Hogeschool, De Poort, Reformatorische Bijbelschool, Schrijvenderwijs, Reformatorisch Maatschappelijke Unie, De Schuilplaats enz. enz. Met deze opsomming pretendeer ik echt niet volledig te zijn.
Secularisatie
Toch hoop ik, dat we niet te gemakkelijk zeggen, dat we met deze nieuwe organisatiebeweging hetzelfde bedoelen als wat Abraham Kuyper cum suis in de vorige eeuw bedoelden. Kuyper opereerde in een omgeving, waarvan gezegd mag worden, dat vrijwel de gehele Nederlandse bevolking nog op enigerlei wijze onder de beademing van het Evangelie was. Zoals gezegd: negentig procent van het Nederlandse volk was gedoopt. Vandaag moeten we zeggen, dat we opereren in een situatie, waarbij we de magische grens van vijftig procent naar beneden toe zijn gepasseerd met betrekking tot het aantal mensen, dat bekent tot een kerk te behoren. Het is ten ene male ondenkbaar, dat met de nieuwe organisaties, die nu gevormd worden, het beginsel van de helft plus één ooit nog kan en zal worden gepractiseerd. Mij dunkt, dat we de nieuwe organisatiegolf juist ook moeten zien tegen de achtergrond van de geweldige secularisatie, die om zich heen grijpt. De geest van onze tijd is er één van God-loosheid, goddeloosheid en wetteloosheid. Geldt al van de mens in het algemeen, dat hij in opstand is tegen zijn God, vandaag geldt wel heel bijzonder het woord van Psalm 2 : 'Laat ons hun banden verbreken en hun touwen van ons werpen'.
De menselijke hubris, de overmoed van de moderne mens manifesteert zich in de rebellie tegen God. Het 'ni Dieu, ni maitre (geen God en geen meester)' is het leidinggevende motief voor de moderne mens van vandaag. Het mondigheidsdenken en het utiliteitsdenken, het nuttigheidsdenken overheersen. De mens is zichzelf tot norm en aanvaardt geen gezag van boven meer in zijn leven. Op alle terreinen van het leven ontwikkelt zich een vrijheidsdenken, dat ingrijpende gevolgen heeft voor het leven van mens en samenleving. Maar ik neem aan, dat de tweede spreker hierop nader in zal gaan. Mij dunkt, dat de nieuwe organisaties, die ontstaan zijn of nog in het leven geroepen zullen worden, niet zozeer door Kuypers antithesebeginsel gedragen zullen moeten worden, met de pretentie om meerderheidsposities te veroveren, maar meer als schuilplaatsen zullen dienen nu de stormvloed van de moderne secularisatie over ons heen komt. Binnen de nieuwe organisaties halen we, als het goed is, een streep door elk denken vanuit de autonome mens en beleven we met elkaar onze creatuurlijke afhankelijkheid. We zullen elkaar samen bevruchten en bezielen vanuit het Woord Gods, om staande te kunnen blijven in een wereld, die koud en leeg van God is en die vol is van duivelse machten. We mogen samen proberen vandaag de zin van het leven van God uit (nochtans!) dóór te geven en vóór te leven. In een tijd waarin velen lijden aan de zinloosheid van het bestaan en gebukt gaan onder stress, eenzaamheid, depressiviteit, psychische deraillementen, verslavingen, zoeken we naar en beleven we samen de waardering van het leven vanuit de Schriften, hier en nu, lichamelijk en geestelijk.
Intussen proberen wij dienstbaar met onze organisaties te zijn aan de samenleving. We doen dat niet met vliegend vaandel en slaande trom. De geschiedenis is ons tot waarschuwend voorbeeld. We doen dat in de wetenschap, dat ons christelijk getuigenis steeds minder in dank zal worden aanvaard binnen een geseculariseerde samenleving. Als het gaat om het dóél van de organisatie is er uiteraard ook nu grote verscheidenheid. We zijn hier vandaag bijeen rondom een dienstverlenende instelling. Me dunkt dat hier geldt het woord van de Schriften: doe wel aan alle mensen, maar meest aan de huisgenoten des geloofs. Ook de kerkelijke mens van vandaag wordt belaagd door de verschijnselen van onze moderne tijd. Als het dan vandaag onmogelijk is om de huisgenoten des geloofs toe te vertrouwen aan algemene organisaties, wanneer het over hulpverlening gaat, of aan gedeconfessionaliseerde instituten, dan hebben we de hoge roeping om vandaag zonder triomfantelijk te zijn een schutse te zoeken voor hen die in de stormen van deze tijd ravage oplopen. Juist in de maatschappelijke dienstverlening vallen vandaag ingrijpende beslissingen. Juist in de dienstverlenende sector staan mensen vandaag bloot aan lichaams- en geestbeschadigende visies in de hulpverlening. Wanneer onze dienstverlenende verbanden gedragen worden door het geloof in de Schepper en in diens geboden, die ten goede zijn, zullen mensen, die zich aan onze zorgen toevertrouwen daarvan de heilzame gevolgen ondervinden. Hoe duidelijker de identiteit hoe meer de dienstverlening tot zijn recht zal komen. Daarvan kan uitstraling uitgaan naar de wereld. De gevulde algemeenheid heeft principieel gezien al lang schipbreuk geleden.
Rentmeester
We staan vandaag voor de hoge opgave van het rentmeesterschap in een ontkerstenende en ontkerkelijkende wereld. God geeft ons een opdracht in deze wereld, ondanks het feit dat deze in het boze ligt. Het rentmeesterschap en de opdracht in de cultuur (behouden en bewaren) zijn na Genesis 3 niet teloor gegaan. Integendeel! Ze krijgen een extra zwaar accent, omdat rentmeesterschap zich voltrekt tegen de donkere achtergrond van het geschonden en verzondigde, menselijke leven.
Wat bedoelen we vandaag met de christelijke organisatie? Ik zou het – wat mij persoonlijk betreft – zo willen zeggen: niet vanuit een bepaald cultuur-optimisme beslag leggen op alle terreinen van het leven, maar vanuit de bittere realiteit van de gevallen schepping rentmeester zijn, in de gedachte dat de aarde des Heeren is, maar dat Hij deze, ook vandaag, aan de mensenkinderen gegeven heeft om er te wonen. Als we zo bezig zijn, mogen er waarschijnlijk ook tekenen van hoop zijn, waar de wereld acht op geeft. De autoriteit van het Woord Gods blijft, al zou niemand er meer in geloven.
Hopelijk zullen – en dat is mijn slotopmerking – de nieuwe organisaties, die ontstaan en ontstaan zijn, niet óók het sluitstuk van de emancipatie van een volksdeel inluiden, namelijk de uiteindelijke afbraak ervan. We zijn ertegen gewapend als triomfantelijkheid wordt ingeruild voor afhankelijkheid, machtsdenken voor denken vanuit de opdracht, dienen in plaats van heersen.
v. d. G.
Lezing t.b.v. Symposium op 7 december 1989 te Rijssen ter gelegenheid van het 15-jarig bestaan van de Protestantse Stichting voor Maatschappelijke Dienstverlening 'Noord-West Twente'.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 december 1989
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 december 1989
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's