Is daar wat aan te doen?
Kerkverlating
De harde feiten rondom het thema 'kerkverlating' zijn bepaald niet geruststellend. Hoe ingrijpend de ontwikkeling van de onkerkelijkheid voor de levensbeschouwelijke samenstelling van de Nederlandse bevolking is, laat zich uit de hierna genoemde tabellen 1 en 2 aflezen.
In tabel 1 worden absolute getallen voor het jaar 1988 en de prognosegetallen voor het jaar 2000 gegeven, met vermelding van de lage (L), de midden- (M) en de hoge (H) variant.
[Tabel 1 (Nederlandse bevolking naar kerkelijke gezindte in 1988 en in het jaar 2000 bij doorberekening van de resultaten van het onderzoek van J. Oudhof (uitgaande van een tweetrapsvraagstelling).]
In tabel 2 worden over een reeks van jaren de percentages geboden, waarmee elke kerk daalt en de onkerkelijkheid toeneemt. Aan het begin van elke reeks staat het topjaar, d.w.z. het jaar waarin een kerk haar hoogste score bereikte.
[Tabel 2]
In 1859 was in Nederland nog ruim de helft van de bevolking Hervormd en was het percentage onkerkelijken praktisch nihil. In het Nederlands Hervormde bevolkingsdeel zette de ontkerkelijking het eerst meetbaar in. Zij vormde lange tijd het spiegelbeeld van de groep van onkerkelijken: wat de één verloor, won de ander erbij. In het jaar 2000 zal nog 9,6% van het Nederlandse volk tot de Nederlandse Hervormde Kerk behoren.
De Rooms-Katholieke Kerk had haar topjaar in 1960, want toen was 40% van de Nederlandse bevolking Rooms-Katholiek. In datzelfde jaar begon deze kerk echter de achterstand op de Nederlandse Hervormde Kerk in versneld tempo in te halen. In het jaar 2000 zal nog 17,4% van de Nederlandse bevolking tot de R.K. Kerk behoren.
(Overgenomen uit informatie 'Kerkbalans' 1990.)
Misschien valt het nog iets mee. Maar als de huidige trend zich doorzet, valt het niet mee. Bedoelde trend kunnen we trouwens zelf alom konstateren. Ook in eigen gemeente. Het meest pijnlijk vaak in eigen familiekring.
Vluchtwegen
Hoe gaan we met deze harde feiten om? Wij mensen zijn bij het horen van een harde boodschap geneigd tot struisvogelpolitiek. We kunnen botweg de feiten ontkennen. Meestal voltrekt de ontkenning zich op een meer subtiele wijze.
Subtiele ontkenning vindt bijvoorbeeld op de volgende manieren plaats:
a. Men wijst op plaatsen, waar van kerkverlating nog geen sprake lijkt te zijn.
b. Men geeft de schuld aan bepaalde dominees.
c. Men schrijft kerkverlating toe aan ouders, die hun kinderen niet goed opvoeden.
d. Men bagatelliseert de kerkverlating door te doen alsof het alleen om randleden zou gaan, die toch al niet meeleefden. Soms zegt men er dan nog bij: We houden een fijne, positieve kern over.
Intussen is de werkelijkheid, dat straks tweederde van ons volk zonder Bijbel en zonder geloof in Christus leeft.
e. De geschiedenis van de kerk heeft wel vaker dalen gekend. Na regen komt zonneschijn.
Wanneer men niet op een dergelijke wijze zich eigenlijk van het probleem afmaakt kan men ook nog een aantal andere vluchtwegen inslaan. Het kenmerk van een vluchtweg is, dat men zich niet echt met de problematiek laat confronteren. Men zoekt een uitweg, die uiteindelijk geen oplossing biedt.
Ik wil drie van zulke vluchtwegen noemen.
1. De vluchtweg van het traditionalisme. We moeten in alles terug naar vroeger, toen de kerken nog vol zaten. 'Het oude geloof van vroeger is ook goed genoeg voor nu'.
Inderdaad, de Traditie met een hoofdletter (Schrift en belijdenis) bevat goud. Maar van de tradities met een kleine letter kan dit niet altijd gezegd woirden. We kunnen bovendien niet zomaar de klok terugdraaien. Het evangelie zal juist weer nieuw vertolkt moeten worden tegen de achtergrond van het heden. Er is een verschil tussen het eeuwig blijvend evangelie en het evangelie van vijftig jaar geleden. Traditionalisme alléén betekent hooguit succes op korte termijn. Bovendien moet men zich dan zoveel mogelijk isoleren van de cultuur, hetgeen in de praktijk zeer moeilijk is en ook weinig vruchtbaar. Hoe kan de gemeente zo zout der aarde zijn?
2. De vluchtweg van de vermaatschappelijking van het evangelie. Men zegt dan bijv.: Men hoeft niet per se kerkelijk te zijn, want het gaat in de Bijbel om een betere wereld. Die kunnen we samen met niet-kerkelijken nastreven. Het is belangrijker, dat iemand met ons achter de tehma's van het conciliaire proces: gerechtigheid, vrede en heelheid van de schepping, staat dan dat hij kerkganger is.
De vergissing, die dan gemaakt wordt, is dat het in de Bijbel nog om heel wat meer gaat dan om een goed mens te zijn en een betere wereld tot stand te brengen. Het gaat in de Bijbel ook en vooral om zonde, verzoening en verlossing. Het gaat in de Bijbel primair om de daden Gòds. Het gaat in de Bijbel om tijd èn eeuwigheid. Het antwoord van de zestiger jaren op de cultuur- en geloofscrisis was de horizontalisering van het evangelie, maar achteraf moeten we zeggen, dat naast het goede, hiermee toch vooral de crisis nog is versterkt. God is verder weg dan ooit. De waarschuwing van H. Berkhof is volkomen terecht: De Godsverduistering is het eigenlijke probleem.
3. De vluchtweg van het aktivisme en de professionalisering. We kunnen proberen de crisis te bedwingen door steeds meer aktiviteiten en steeds meer deskundigen. Dit is een pad, waarop de grote kerken in de na-oorlogse jaren gedurig voortgeschreden zijn. Het wemelt in veel gemeenten van commissies, groepen, kringen en aktiviteiten. De landelijke kerk beschikt over een leger van deskundigen, die ons allen terzijde willen staan. Het zou van weinig wijsheid getuigen dit alles volkomen negatief te benaderen. Tegelijk dringt zich echter de vraag op: Hebben we dit alles nu vooral nodig? Ligt hier de genezing? Of hebben we veeleer verdieping, stilte en inkeer nodig?
Verdieping, stilte en inkeer niet als vlucht uit de crisis, maar als bezinning op de crisis en ook reeds als begin van de therapie.
Bezinning nodig
Ontkennen en vluchten helpt niet. Het gaat erom eerlijk de feiten onder ogen te zien. Het gaat erom achtergronden op te sporen. Niet alleen en niet allereerst persoonlijke en gemeentelijke achtergronden. Daarmee zouden we immers over het hoofd zien, dat de crisis die we thans meemaken in de kerkverlating een exponent is van de crisis, die zich voltrekt in de gehele cultuur van West-Europa.
In andere delen van de wereld groeit de kerk. Hoe komt dat?
Hebben wij God uit onze cultuur uitgebannen en/of heeft Hij zich uit onze cultuur teruggetrokken? Wanneer je de wortels van onze cultuur nagaat, blijkt dat eerste in ieder geval zo te zijn. Vanaf de westerse filosoof Descartes kwam de mens in het middelpunt te staan in plaats van God. Deze tendens werd versterkt in de periode van de Verlichting. Wetenschap en techniek schiepen een wereld zonder God.
Voor God was zo langzamerhand alleen nog plaats aan de randen van het leven: bij geboorte, ziekte en dood. Al lang niet meer op het grote middenveld van het leven. Eenmaal zover gekomen, brokkelt de aanwezigheid Gods aan de randen ook steeds verder af. In een geseculariseerde stadssamenleving zijn de pastorale vragen rondom de randen van het leven ook steeds meer sporadisch.
Dit is het eerste, waar we ons als kerk diepgaand op zullen moeten bezinnen. Hoe waarderen wij een cultuur, geschapen door wetenschap en techniek, die intussen God heeft buitengesloten?
Daaruit vloeit automatisch voort, dat we ons gaan afvragen: Is onze manier van leven wel goed? In onze consumptiemaatschappij leven wij in welvaart ten koste van tweederde van de wereld. Het klimaat van onze consumptiemaatschappij is misschien wel een klimaat, waarin wij ons thuisvoelen, maar Gòd kan zich daarin toch niet thuisvoelen?
Is het dan vreemd, dat we vandaag moeten klagen over Godsverduistering? Of zou het alleszins begrijpelijk zijn, wanneer God ons aan onze eigen-gekozen wegen overgeeft?
Ontkerkelijking is niet het diepste probleem. God is zo ver weg. God is geen realiteit meer in het leven van mensen, in het samenleven van mensen, in onze cultuur. Dat is het probleem.
We kunnen bidden, dat God zich opnieuw wil openbaren. Maar het zou kunnen zijn, dat God dan vandaag tegen ons zegt, wat Hij voorheen door de profeten tot Israël sprak: Bekeert u, dàn zal Ik tot u wederkeren.
Wat kunnen wij eraan doen?
Wij veranderen onze maatschappij niet zomaar. We kunnen wel beginnen bij onszelf en elkaar als gemeente daarbij helpen. In de weg van de gehoorzaamheid aan Zijn geboden wil God zich openbaren. Daarbuiten blijft Hij de Verborgene.
Hoe kan de bekering konkreet worden?
a. Laten we elkaar als gemeenteleden eens gaan helpen heel kritisch om te gaan met onze welvaarts- en genotscultuur. De mentaliteit van onze cultuur: Ik eet wat ik lekker vind; ik doe wat ik lekker vind; ik kus wie/wat ik lekker vind, die mentaliteit leidt tot de ondergang. Daar hoef je nog niet eens zo gelovig voor te zijn om dat te zien. Dat kan ieder zien, die zijn ogen open doet. Het hele 'ik'denken leidt tot de ondergang. Wanneer wij ons niet grondig distantiëren van dit klimaat, zal God ook voor ons steeds meer de Afwezige worden.
b. De thora, Gods goede wet ten leven, leert ons het heilzame van de besnijdenis van het leven.
De letterlijke vleselijke besnijdenis op die plek, waar de levensdrift van de mens zich manifesteert, symboliseert o.a. het heilzaam karakter van de besnijdenis van het totale leven. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om de besnijdenis van de tijd. Wij hebben geen zeeën van tijd tot onze beschikking: een waandenkbeeld van onze moderne tijd, waardoor we het thans drukker hebben dan ooit. De thora leert ons de besnijdenis van de tijd. Vanuit de sabbath ontstaan de weken, vanuit de heilige feesten beleven we het jaar. Vanuit de vaste gebedstijden wordt de dag ingedeeld. Onbesneden heidenen menen, dat ze zelf zeeën van tijd hebben.
Onbesneden heidenen menen ook, dat ze alles kunnen eten wat ze lekker vinden. Israël kent een heilzame besnijdenis van de consumptie door middel van de zogenaamde spijswetten. Israël kent ook een besnijdenis van de produktie, o.a. tot uitdrukking komend in de wetten omtrent het sabbathjaar en het jubeljaar. Israël kent een heilzame besnijdenis van de sexualiteit, tot uitdrukking komend in een uitgebreide regelgeving ook op dit terrein. Te gemakkelijk heeft de kerk wel gemeend, dat al deze wetten van de thora verouderd zouden zijn. Zo werd ze echter weerloos ten opzichte van een nieuw heidendom. We zullen in onze cultuur opnieuw moeten zoeken naar eigentijdse vormen, waarin de heilzame kracht van de oorspronkelijke geboden en ordeningen weer manifest kan worden.
In de 'Veronicacultuur' kan het geloof in ieder geval nimmer opbloeien. De 'onbesnedenheid' van onze cultuur is één van haar meest wezenlijke kenmerken. En onbesnedenheid is heidendom. De gemeente heeft zich te bezinnen op een eigen ethiek. Niet alleen als uitvloeisel van het geloof, maar ook als voorwaarde voor het ontstaan en de bloei van het geloof.
Geloofservaring
Kerkverlating is een uitvloeisel van Godsverduistering en Godsverduistering hangt onder andere samen met het kritiekloos aanvaarden van een cultuur, die God theoretisch en praktisch buitensluit door de mens in het middelpunt te stellen en Gods heilzame geboden voor verouderd te verklaren. Wanneer wij wat aan kerkverlating willen doen, moeten we daarom bij de wortel beginnen: cultuurkritiek en zelfkritiek. Wanneer wij ons bekeren is er de belofte, dat God tot ons weder zal keren.
Intussen mag er ook in onze tijd heel reëel met God geleefd worden. Er zijn jongeren en ouderen, die kunnen spreken over wat God in hun leven gedaan heeft en doet. Zou hun getuigenis in een tijd van Godsverduistering niet heel erg belangrijk zijn?
Waarom komen jongeren en ook ouderen niet meer in de kerk? Het slaat volgens hen nergens meer op, wat daar gezegd wordt. De grote woorden van de Bijbel slaan niet (meer) op hun ervaringen. In een individualistische tijd als de onze is de volgende stap dan ook gauw gemaakt: de grote woorden van de Bijbel slaan sowieso niet (meer) op hun ervaringen. In een individualistische tijd als de onze is de volgende stap dan ook gauw gemaakt: de grote woorden van de Bijbel slaan sowieso niet op ervaringen. Zonde, genade, verzoening, verlossing, zijn lege woorden geworden. Ze klinken hol, omdat de bodem van de ervaring eronder is weggeslagen.
Wat is daarom vandaag het getuigenis belangrijk van die mensen, voor wie dit anders is. Mensen bij wie de grote woorden van de Bijbel wel corresponderen met ervaringen.
In prediking en catechese moet meer dan ooit duidelijk worden, dat het in de kernwoorden van de Bijbel gaat om doorleefde realiteiten. Wij legegn deze woorden niet alleen maar uit omdat ze in de Bijbel staan; ze staan juist in de Bijbel, omdat ze op reële ervaringen betrekking hebben.
In de nota van de Hervormde Kerk: Kerk zijn in een tijd van Godsverduistering, lezen we dat het er vandaag vooral weer om gaat het Bijbels abc te spellen. Dat lijkt me juist. Maar iemand raakt pas geïnteresseerd in het Bijbels abc wanneer hij ziet, dat het werkt.
Beleven we wat we belijden? En als dat zo is, durven we daar dan ook wat vrijmoediger over te spreken? In onze preken. In het catechisatielokaal. In de gezinnen. In allerlei samenkomsten binnen de gemeente. Waarom zouden gemeenteleden samenkomsten van de gemeente niet eens iets mogen vertellen van de realiteit van Gods aanwezigheid? Juist aan levensechte verhalen hebben we vandaag zoveel behoefte. Het mogen ook verhalen zijn, waarin mensen vertellen hoezeer zij lijden onder de verberging van Gods aangezicht. Ook zó blijkt God een levende werkelijkheid te zijn.
Het Bijbels abc spellen, maar in de bedding van een nieuwe ethiek en een waarachtige onopgesmukte bevinding.
Zo mag de gemeente vandaag haar weg gaan met de bede, dat ze voorhoede zal mogen zijn van een nieuwe tijd, hoewel de meesten haar nu als achterhoede beschouwen. Maar wie achter lijkt te lopen, kan ook zijn tijd vooruit zijn.
Mijn waarneming in de stad is, dat heel veel traditionele vormen van kerkzijn afbrokkelen. Maar wat overblijft is niet alleen een puinhoop. Ik ontmoet oudere, maar vooral ook jonge mensen, bij wie juist dat samengaan van cultuurkritiek en geloofservaring, waarover we hierboven schreven, op een heel authentieke wijze in elkaar verweven zijn.
Ze hebben vaak veel moeite met de restanten van het traditionele christendom, maar ze zouden wel eens eerstelingen kunnen zijn van een nieuwe tijd, waarin het weer een uitdaging zal worden om bij de kerk te horen.
God is aan ons niets verplicht. Toch mogen wij hopen op Zijn trouw, juist ook door de oordelen en de afbraak heen.
W. Dekker, Rotterdam
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 december 1989
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 december 1989
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's