Volle verzekerdheid der hoop
Er is alleszins reden om de gelovigen op te wekken tot het staan naar de zekerheid van de hoop. Deze is namelijk geen overtollige zaak of een aanhangsel. Er is velerlei meer in gelegen. Wij noemen zo maar willekeurig enkele gronden, waarom wij daarop aan mogen dringen. Johannes zegt: die deze hoop op Hem heeft reinigt zichzelf Daar schuilt een rijke gedachte in. Wie verwacht eenmaal Christus gelijk te zijn, volgt vanzelfsprekend nu reeds Hem na. Evenals Christus rein is en volkomen heilig, zo reinigt hij zichzelf. Wij gaan in Christus' navolging de zonde haten en vlieden en ons aan de Heere toewijden.
Daarnaast maakt de hoop op de zaligheid ook ons moedig in de strijd. De apostel gebruikt daarvoor een mooie beeldspraak. Hij vergelijkt deze hoop met de helm op het hoofd van de Romeinse soldaat, zodat die nu de slagen kan opvangen, die er op worden gericht. Die hoop verzekert ons de overwinning, ja, ze helpt ons tot de overwinning. Er zijn nog meer motieven. De hoop doet ons tot aan het einde in de volharding voortgaan. Wat gaf Mozes kracht om de heerlijkheid van Egypte in te ruilen tegen de smaad van Christus? Dat was het uitzicht op de vergelding van het loon. Allen, die om Christus' wil moeten lijden, zullen er de ondervinding van opdoen.
Bovendien staan er in het Nieuwe Testament nog vele andere aanwijzingen. Eén daarvan lichten wij er vrij willekeurig uit. Het is een woord van Petrus: Denwelke gij niet gezien hebt, en nochtans liefhebt; in Denwelke gij nu, hoewel Hem niet ziende, maar gelovende, u verheugd met een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde, verkrijgende het einde uws geloofs, namelijk de zaligheid der zielen. Petrus had Christus in Zijn omwandeling op aarde wèl gezien, zijn lezers niet. Dit maakt hen in hun aardse leed niet zwak. Want in hun liefde tot Christus en doordat ze zich voortdurend aan Hem toevertrouwen, hebben ze reeds nu een bovenaardse vreugde, van hemels karakter. Immers verkrijgen ze zo het einddoel van hun geloof: de volkomen verlossing van hun zielen. Van deze vreugde weten wij, dat zij het tegenwicht tegen alle droefenis is, dieons in dit aardse tranendal overkomt. Deze vreugde van de hoop doet ons het steilste pad vol moed beklimmen en psalmen zingen in de donkerste nacht! Het natuurlijke leven kent óók een hoop. Maar die is onzeker. En toch bemerken wij dat de aardse hoop vaak tot de merkwaardigste prestaties in staat stelt. Het spreekwoord spreekt er al van: hoop doet leven. Maar hoewel deze hoop niet verder komt dan tot een misschien, bewaart zij voor wanhoop, ja, voor moedeloosheid en zij doet de drenkeling tot het einde toe worstelen tegen de golven en zich uitstrekken naar het reddende strand. Wat zal dan een welverzekerde hoop niet doen, als van een onvaste hoop al zulk een kracht uitgaat!
Intussen kan de vraag opkomen hoe het zit met de vermaning om naar de zekerheid van zalig te worden te staan en daartegenover de schriftuurlijke opwekking om met vrezen en beven onze zaligheid uit te werken. Sluiten die twee gedachten elkaar niet in enigerlei manier uit? De Schrift zelf geeft over deze schijnbare tweespalt licht. Uit de vermaning der Schrift hiertoe blijkt de waarheid van het woord, dat de vrees niet minder dan de hoop een christelijke deugd is, die niet alleen door hem, die niet hoopt, maar ook door hem, die wel hoopt, betracht behoort te worden. Maar kunnen deze beiden, hoop en vrees niet gelijktijdig in één hart gevonden worden? Vatten wij de uitdrukking vrees op in de zin van angst, dan moet die vraag ontkennend worden beantwoord. Zulk een vrees beklemt het hart dermate, dat er voor gerustheid geen plaats overblijft. Er is evenwel ook een andere vrees, die wij kunnen omschrijven als een passende bedruktheid voor alles wat aan onze zaligheid schadelijk zou kunnen zijn. Met deze is de zekerheid van de hoop wel degelijk bestaanbaar. De zekerheid immers, dat wij een kind van God zijn wekt bij de oprechte mens geen vleselijke gerustheid, maar doet hem met vertrouwen bidden, dat God hem volhardend maken zal tot het einde toe. Zij neemt wel de twijfel weg, maar niet de bezorgdheid. Zonder bezorgdheid vervallen wij tot vermetel zelfvertrouwen of tot valse lijdelijkheid. Beide zijn hoogst schadelijk.
Er is voor velen alleszins reden om de gronden van hun verzekerdheid ernstig van nabij te bezien. Zeer dikwijls toch komt het vóór, dat mensen een vast fundament leggen voor de hoop. Zelfs ware christenen kunnen uit gebrek aan kennis zich ongegrond van hun zaligheid verzekeren. Nog veelvuldiger oorzaak hiervan is gelegen als een christen in een geesteloze toestand aan zijn hoop wil vasthouden. Er zijn er, die hun hoop bouwen op de vlottende gestalten van hun gemoed. Nu eens hebben ze hoge, aangename toestanden; dan weer is alles donker en zwart om hen heen. Er zijn er ook, die zich aangaande hun tegenwoordige staat verzekeren uit de geschiedenis van hun bekering. Ze blijven aldoor zeggen: toen en toen kwam ik toch zo en zo tot de Heere. Daar gaan ze op rusten. Maar het moet omgekeerd. Ze moeten zich van de oprechtheid van hun bekering verzekeren uit wat ze thans zijn. Het is verkeerd en gevaarlijk om van de redeneerkundige gevolgtrekking uit te gaan en te denken: eens bekeerd, altijd bekeerd! Dat geeft geen rotsgrond, maar het is drijfzand.
Dat vele christenen onverzekerd leven behoeft ons helemaal niet te verwonderen. Vrees en twijfel zijn het eigenaardige onkruid van de onvruchtbare bodem van een lauwe, flauwe godsvrucht. Wie in de duisternis van allerlei wereldse bemoeienissen wandelt, weet tenslotte niet meer waar hij heen gaat. Naar de hemel of naar de hel. Zulk een leeft aldoor in droeve onzekerheid! Het ergste is, wanneer zulke in geesteloosheid verzonken christenen zich op hun vrees en twijfel gaan beroemen. Zij schijnen het er voor te houden, dat men zijn gebrek van geestelijke gezindheid en hartelijke godsdienst met een nagemaakte ootmoed rijkelijk kan vergoeden. Op christenen, die van hun verzekerdheid durven spreken, zien zij uit de hoogte neer. Zij voor zich staan naar zulke hoge dingen niet, zo beweren zij. Zij fluisteren u toe, dat zij met de kruimelkens tevreden zijn, die voor de hondekens van de tafel vallen. Het komt er nu juist op aan, die mensen te zeggen, dat het een oprecht christen juist eigen is om naar grote dingen te staan. Dat onderscheidt hem van de wereldse mens, die met de aardse, dat is met de kleine dingen tevreden is. Wie iemand liefheeft is niet ten volle gebrekkig, vóór hij weet dat hij bemind wordt door hem, die hij bemind. Het is wezenlijk een verdacht teken wanneer men zich bij het onzekere als bij het onvermijdelijke neerlegt.
Hierbij bedoelen wij in het geheel niet die personen, wier twijfelmoedigheid uit overdreven bezorgdheid voor het bedriegen van zichzelf voortvloeit. Zulke mensen worden geplaagd als door een gedurig zenuwlijden. Deze mensen vrezen altijd dat zij nooit gezond zijn. Voortdurend voelen zij aan de pols, tellen de slagen van hun hart, gaan van geneesheer tot geneesheer en lezen het ene boek na het andere over hun vermeende kwalen. De kleinste verwisseling van hun gewaarwordingen benauwd hen. Het schijnt hun het begin toe van een ernstige ziekte en de voorbode van een spoedige dood. Het was beter, wanneer deze personen, na advies van de dokter, dat er geen ernstige reden was tot ongerustheid, zich maar moedig aan het werk begaven en hun angstvalligheid van zich deden. Laten de geestelijk zieken met die goede raad maar hun winst doen. Het gaat niet aan om voortdurend tussen hoop en vrees te leven, vandaag in louter blijdschap en morgen haast wanhopig, altijd bezig om elk gevoel te ontleden. Zulke geestelijke lijders moesten eens wat minder op zichzelf zien en wat meer op de Heere. Nodiger dan ooit is in onze tijd in onze gemeenten de eenvoudigheid des geloofs. Wij kwamen eens bij een zieke, een zeer eenvoudige vrouw met een helder verstand en een warm hart. Zij was ernstig ziek geworden. Het werd ook sterven. Op onze vraag of ze bereid was, antwoordde ze met een klare stem: 'Ja, God weet, ik heb Hem bij Zijn Woord gevat en ik ben niet bevreesd om te sterven'. Dit was een nieuwe bepaling van het geloof. 'Ik heb Hem bij Zijn Woord gevat.' Het trof mij in een ogenblik als een zegepraal van het geloof.
Vele van onze vertogen over de onderwerpen van het beloof zijn zo vermengd met uitleggingen, vergelijkingen en zogenaamde ophelderingen, dat zij eerder verdonkeren en verduisteren dan geloof uitlokken. Hiermee is het geloof niet gediend. Laat ons God bij Zijn Woord vatten. Wij moeten op Gods verklaring aannemen. Dat is geloof. Naarmate de eeuwen voortwentelen naar de Dag van de Zoon des Mensen, komt het almeer en meer op het geloof aan. Wij hebben niets te doen dan te vertrouwen. Dat is de Heere bij Zijn Woord vatten.
A. v. Brummelen, Huizen
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 december 1989
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 december 1989
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's