Het is met preken zoals met bidden
Voor de opening van deze predikantenconferentie 1990 heb ik, in afwijking van: andere jaren, afgezien van een thematisch openingswoord. Graag wil ik onze gast, dr. J. Drechsel, algemeen secretaris van 'Evangelisch-Kirchliches Gnadauer Gemeinschaftswerk' de volle aandacht geven voor zijn causerie over 'Kerkelijk en Geestelijk leven in Saksen'.
Oost-Europa
Het is geen toeval maar de leidende hand van onze goede God dat wij dr. Drechsel juist nu in ons midden mogen hebben. Wij mogen hem zien als een vertegenwoordiger van de kerk in de Oostbloklanden. Die landen waarin de laatste maanden zulke diep ingrijpende veranderingen hebben plaatsgevonden dat wij mogen spreken van een omwenteling van de macht. Een omwenteling die, zoals het zich nu laat aanzien, een einde heeft gemaakt aan het communistisch regime. Een regime dat zoveel druk legde op het leven van de kerk in die landen dat er van verdrukking sprake was.
Niemand heeft ooit kunnen denken dat er in deze landen nog eens een omwenteling zou kunnen plaatsvinden. Wie niet in wonderen wil en kan geloven, zoals zovelen in de kerk in het vrije Westen, is hierdoor diep beschaamd.
Dwars door de ontplooiing van verborgen krachten en de uitbarsting van innerlijke vrijheidsdrift van mensen, hebben wij hierin Gods hand te zien. Met dezelfde hand als waarmee God eens schreef op de muur van Belsazars feestzaal, schreef Hij nu op de muren van de bolwerken van de communistische dictators: Mené, Mené Tekel Upharsin. Gewogen... en te licht bevonden. Met diezelfde hand heeft de Almachtige God het IJzeren Gordijn opengetrokken en het in flarden gescheurd. Met dezelfde hand als waarmee de Getrouwe God Daniël heeft bewaard in de leeuwenkuil, heeft Hij Zijn Kerk gespaard onder het niets ontziende bewind in de Oostbloklanden.
Bijzonder denken wij daarbij aan het volk van en de kerk in Roemenië. Met ontzetting denken wij aan de vele duizenden die tijdens de machtswisseling het leven lieten. Met deernis denken wij aan hen die daardoor zwaar beproefd en diep bedroefd werden. Het mag ons daarbij niet ontgaan zijn dat het bevrijdingsvuur, zij het onbewust, werd aangestoken door mensen die opkwamen voor een dienaar des Woords. Een dienaar des Woords die het niet alleen om politieke redenen opnam voor een verdrukte en getergde minderheid.
Het mag ons zeker ook niet zijn ontgaan dat dit alles heeft plaatsgevonden aan de vooravond van het laatste decennium voor het jaar 2000. Hoewel dit jaar 2000 niet wordt genoemd in het Boek der Openbaring, zal het zeker meetellen in de voortwenteling der eeuwen die wereld en de kerk heenstuwt naar de Wederkomst van Christus. Dit is dan toch de dag waarop de Rechter van hemel en aarde Zijn vijanden en die van Zijn Kerk voor eeuwig zal verdoemen en hen binden zal met de ketenen van de eeuwige verlorenheid. Wie wijs is merkt die dingen en geeft verstandig acht op 's Heeren handelingen, zo vol van gunst en macht.
Bij alle politieke veranderingen die deze omwenteling zal teweegbrengen, veranderingen waarvan de draagwijdte nog niet is te overzien, breekt er voor de kerk in de Oostbloklanden een nieuwe periode aan. Wat dit voor haar zal gaan betekenen is evenmin te overzien. De Heere Jezus Christus, het Hoofd en de Leidsman van Zijn Kerk, moge juist in deze tijd de kerken in die landen onder Zijn hoede nemen.
In de achterliggende jaren mochten die kerken leven onder de toezegging van Christus: 'Zalig die vervolgd worden om der gerechtigheid wil, want hunner is het Koninkrijk der hemelen. Zalig zijt gij, als de mensen u smaden en vervolgen en liegende alle kwaad tegen u spreken om Mijnentwil. Verblijdt en verheugt u, want uw loon is groot in de hemelen, want alzo hebben zij vervolgd de profeten die voor u geweest zijn.' Christus moge die kerk nu bewaren voor de vele verleidingen waar de kerk in het vrije Westen steeds meer en meer voor is bezweken. Zij moge leven uit de geloofswetenschap dat de kastijding, geen zaak van vreugde zijnde, achteraf van zich werpt een vreedzame vrucht der gerechtigheid, diegenen die door dezelve geoefend zijn. Die met tranen zaaien, zullen met gejuich maaien.
Dit is die oefening welke de kerk in het vrije Westen heeft afgeleerd en daardoor is terechtgekomen in de ijzeren greep van ongeloof en twijfel. Wij zullen ons ervoor hebben te hoeden, nu de grenzen naar de Oostbloklanden open zijn komen te liggen, bevoogdend op te treden in de hulp die de kerk daar ontegenzeggelijk nodig heeft. Dat geldt ook zeker voor alle hulporganisaties die tot dusver zoveel zegenrijk werk hebben gedaan in die landen. Zij zullen zich gedegen moeten heroriënteren op die hulpverlening.
Het mag hier ondertussen ook wel gezegd worden dat, toen de wereld zweeg en de Wereldraad van Kerken zich niets aantrok van de nood der kerken in de Oostbloklanden, de kerk in ons land op velerlei wijze geestelijke en materiële hulp heeft geboden. Ik wil daarbij, zonder anderen tekort te doen, graag de naam noemen van mevrouw Hebe Kohlbrugge. Zij heeft in de jaren 50-60, met gevaar voor eigen leven, hierin een voortrekkersrol vervuld.
Bij alle waardevolle hulp die er geboden is en nog zal geboden worden, is het voor ons de grote vraag wat wij aan geestelijke waarde hebben over te dragen. Kunnen wij de kerken ginds vanuit ons vrije bestaan tot jaloersheid verwekken?
Omgang
Deze vraag geldt dan vandaag bijzonder ons als dienaren van het Woord. Hoe gaan wij met het Woord om? Hoe gaan wij met de gemeente om? Hoe gaan wij met elkaar om? Wat deze vragen betreft gaan wij dit decennium niet zonder zorgen in. Zorgen in onze kerk en gemeente. Zorgen, zeg maar, ook in eigen huis. Zorgen die wij hebben mèt elkaar en moeten delen ònder elkaar en moeten hebben vóór elkaar. Met dit laatste, voor elkaar, bedoel ik dan zoals Van Dale het woord 'zorg' aanduidt: voortdurend en toegewijd in de weer zijn voor anderen. Nog beter is het dit te zeggen met Gods Woord: Draag elkanders lasten en vervul alzo de Wet van Christus.
Hoe zien wij elkaar als dienaren van het Woord? Dat is bepalend voor het omgaan met elkaar. Ik denk daarbij dan bijzonder aan diegenen onder ons die nog maar kort in het ambt staan. Weten zij zich onzer één? Doen wij er ook alles aan zodat zij zich onder ons thuis voelen? Geven wij hen een volwaardige plaats in het predikantenbestand?
Het is een traditie geworden bij de opening van onze concio die ambtsbroeders te gedenken die in het afgelopen jaar door de Heere zijn losgemaakt van hun ambt als dienaar van het Woord. Wij achten deze necrologie gepast en ervaren het als een waardevolle traditie hen te gedenken. Zij zijn uitgeschreven uit het predikantenbestand. Maar zou het voor hen, die in het afgelopen jaar zijn bijgeschreven in dat bestand, niet iets kunnen betekenen indien ook hun namen zouden worden genoemd op onze concio? Zij ervaren dan opgenomen te zijn in het midden van medebroeders die kortere of langere tijd in het ambt staan.
Losmaking
Ik kwam tot deze gedachte bij het lezen van Reflexen in Theologia Reformata van december '89. Dr. F. G. Immink, één van de rectoren van het Theologisch Seminarium, uit daarin zijn bezorgdheid die hij heeft voor aanstaande- en pasbegonnen predikanten. Hij wijst ons op het toenemend aantal predikanten uit ons midden die, volgens ord. 13-30 van de kerkorde, moeten worden losgemaakt van hun gemeente. Voor henzelf en de gemeenten die daarbij betrokken zijn, een zeer pijnlijke situatie. Wij vergeten dan wel eens, als wij dit horen of lezen, dat deze, meestal jonge predikanten, onze medebroeders zijn. Broeders die in het besef van hun roeping tot het ambt hun studie hebben voltooid. Broeders die, met evenveel vreugde en dankbaarheid als wij, zich mochten laten bevestigen in het ambt van dienaar van het Woord. Wanneer je dan hoort dat er onder hen zijn die het niet kunnen volhouden, komt toch de zorg op je af. Je kan toch niet zeggen: Ben ik mijn broeders hoeder? Als oudere predikant vraag je je dan af wat er de reden van kan zijn dat dit in toenemende mate voorkomt. Een vraag waar dr. Immink vanuit zijn ervaring op indringende wijze een antwoord zoekt te vinden en ter voorkoming daarvan waardevolle adviezen geeft. Hij doet dit dan zowel naar de kant van de aanstaande predikanten als naar diegenen die moeten beslissen over de toelating tot het ambt.
Wij van onze kant, mogen onszelf daarbij wel eens indringend afvragen wat wij de aanstaande predikanten meegeven vanuit ons staan in het ambt. Hebben wij hen voldoende teerkost meegegeven op weg naar het ambt? Terecht zei onlangs iemand uit ons midden: Het zijn dan toch maar die jonge predikanten die opgegroeid zijn onder onze prediking en ons pastoraat. Wat hebben wij hen daarin meegegeven voor hun ambtelijke bediening en het persoonlijke geloofsleven? Hebben wij te weinig met hen gezeten aan de voeten van de Grote Leraar en Herder, de Heere Jezus Christus? Daar immers leer je af jezelf te overschatten en de gemeente te onderschatten en ook omgekeerd. Christus maakt ons toch zó bescheiden en ootmoedig dat elk idealisme dat tot krampachtigheid leidt overboord gaat. Wij willen dan, bij alle wezenlijke en gemeende kennis. Zijn leerlingen zijn en altijd blijven.
Roeping
Wellicht goed om daarvoor met elkaar enige kanttekeningen te maken bij het schriftgedeelte dat wij hebben gelezen, bijzonder dan bij de eerste verzen van Mattheüs 5. Aan deze geschiedenis, waarmee dit hoofdstuk begint, ligt de roeping van de discipelen ten grondslag. Zij komen als Zijn discipelen hier tot Jezus. Van stonde aan laat de Heere Jezus hen zo noemen. Zo hebben zij ook elkaar te zien en te erkennen. Als God roept tot Zijn dienst geeft Hij niet eerst een proeftijd om te zien of men er wel voor geschikt is. Het gaat niet om dat wat God verwacht van degenen die Hij roept, maar wat zij verwachten en ontvangen zullen van Hem. Daar zijn zij discipelen voor. Dat is met ons toch niet anders. Wij blijven eigenlijk altijd leerlingen van Hem om steeds te ontvangen wat nodig is tot Zijn dienst.
Het tweede wat ons opvalt is dat Jezus Zijn discipelen gaat onderwijzen. Hij leerde hen, staat er. Wanneer doet Hij dat? Ziende de schare. Is dat zo bijzonder? Ik dacht van wel. Dit zien van de schare door Jezus, is meer dan te zien dat er mensen rondom Hem zijn. Anders dan zoals wij mensen voor ons zien in de kerk. Wanneer wij naar de gemeente kijken doen wij dit vanuit onze eigen gedachte, eigen gezichtshoek. Wij delen de gemeente in in hokjes, plakken al snel een etiket op. Zo staan de gemeenteleden ook in de kaartenbak of voor velen tegenwoordig in de P.C. Geboorteleden, doopleden, belijdende leden, trouw meelevenden en minder trouw meelevenden en randkerkelijken, gehandicapten en bejaarden. Een electronisch-gecodeerde gemeente. Soms ook nog aangegeven als rechts en links van het midden.
De Heere Jezus kijkt met andere ogen naar die mensen. Hij ziet dwars door alle etiketten, die wij elkaar opplakken, heen. Hij ziet hen als schepsels van Zijn Vader. Mensen die geschapen zijn om God te eren. Hij ziet wat daarvan terecht is gekomen of juist niet van terecht is gekomen. Er staat nadrukkelijk: En Jezus de schare ziende. Jezus betekent toch: Zaligmaker van zondaren! Zo wil Hij die mensen zien, vanuit Zijn roeping. Wil Hij ons daarin niet leren ook zo naar de gemeente te zien? Mensen die behouden moeten worden. Mensen die zalig gemaakt moeten worden. Verlost ons dit niet van een bepaalde kramp of een keurslijf waarin wij ons menen te moeten wringen om bij de mensen in de smaak te vallen?
En Jezus de schare ziende, deed Zijn mond open en leerde Zijn discipelen. Hier begint hun theologische opleiding voor hun ambtelijke bediening. En Jezus is hun professor in de theologie. Hij zal hen leren hóe zij preken moeten en wàt zij preken moeten. Let nu op hoe Hij dit doet. Waar is Zijn leerstof op afgestemd? Op het zien van de schare. Later zal er van Hem worden gezegd: En Jezus de schare ziende, werd met innerlijke ontferming bewogen.
Zitten wij zo wel eens achter ons bureau als wij ons voorbereiden voor de preek, zoals Jezus hier zit op de glooiing van de berg? Hier leest Hij in de ogen die op Hem zijn gericht wat er leeft in het hart. De honger en dorst naar de gerechtigheid. Het verdriet van de een en de vreugde van de ander. De smart van ouders over hun kinderen die afgedwaald zijn. De vragen van het hedendaagse leven die woelen in het hart van de jongeren. Van ouderen die weten te moeten sterven, maar het nog niet kunnen. Vanuit dat zien gaat Hij nu zeggen hoe en wat Zijn dienaren van het Woord preken moeten.
Preken en bidden
Zo is het toch nog. Het is met preken precies als met bidden. Wij weten niet wat wij preken zullen gelijk het behoort. Als het dan maar zo is: De Geest van Christus preekt door ons. Zo sprak Jezus tot onze discipelen: Die u hoort, hoort Mij, Die u gezonden heeft. Zo heeft Zijn onderwijs gezag over ons en Zijn Woord gezag over de gemeente. Zo is Christus Zelf aan het werk als wij beginnen aan Zijn voeten. Zo ook blijft Hij het middelpunt voor ons, zoals Hij hier zit, lerende Zijn discipelen.
Tenslotte, wat leert Hij hen preken? Ja, wat zouden wij verwachten dat Hij zeggen zou, ziende de wereld van de tijd met al haar onrecht en politiek geweld? Ziende de kerk van deze tijd, met al haar verval? De zweep erover? Zeker, de eerste tekst waarover Christus preekte was: Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen.
Maar hier, als Hij het bestaan ziet van al die mensen die eigenlijk niet kunnen bestaan omdat hun leven mislukt en verloren is, dan kunnen wij onze oren niet geloven als Jezus Zijn mond open doet. Hij begint dan met de zaligsprekingen. Hij begint bij de armen van geest, de treurenden, de zachtmoedigen, de hongerigen, de barmhartigen, de reinen van hart, de vreedzamen en die vervolgd worden om der gerechtigheid wil. Dat is het hart van Zijn leer, de kennis der zaligheid.
Zo deelt de Herder der Schapen de kerk, de mensen in. Niet door ze een etiket op te plakken, maar te zien naar hun hart. Daar spreekt Hij hen op aan.
Indien wij dan de gemeente en de kerk toch willen rubriceren, laten wij het dan doen zoals Jezus deed. Zonder hen bij name te noemen, maar dan toch zó dat zij die het horen zichzelf daarin herkennen en opdat zij weten in Wien zij zalig worden gesproken en waarom zij zalig worden gesproken.
N.a.v. openingswoord op predikantenconcio 1 van de Gereformeerde Bond op woensdag 3 januari te Woudschoten (Zeist).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 januari 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 januari 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's