De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Willibrord (2)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Willibrord (2)

9 minuten leestijd

Wij gaan er nu toe over Willibrords leven te vertellen. Wij doen dat aan de hand van de levensbeschrijving die, zoals wij al meldden, zijn landgenoot, de Engelsman Alcuinus, van hem gegeven heeft. Enkele maanden geleden verscheen een nieuwe Latijnse uitgave, voorzien van een Duitse vertaling van deze levensbeschrijving van de hand van Hans-Joachim Reischmann (Darmstadt 1989) waarvan wij een dankbaar gebruik kunnen maken.

Afkomst
Willibrord was een Engelsman (men zegt ook weleens: een Schot). Hij is geboren in Northumbrië, het noorden van Engeland. De naam van zijn vader kennen wij, die heette Wilgis, de naam van zijn moeder kennen wij niet.
Willibrords ouders waren reeds christenen. Beiden leidden, naar het heet, een zeer christelijk leven. Zijn vader Wilgis heeft na Willibrords geboorte vrouw en kind(eren) in de steek gelaten en is kluizenaar geworden, het canonieke recht liet dat toe. Luther heeft later in felle bewoordingen deze oude roomse bepaling gehekeld. Wilgis zou — dat hoorde er zo bij — volgens Alcuinus als eremiet beroemd zijn geworden door de vele wonderen die hij deed.

Ontvangenis
Ook de ontvangenis van Willibrord zou met een wonder gepaard zijn gegaan. In diezelfde nacht kreeg zijn moeder, nadat de ontvangenis had plaatsgevonden, een visioen. Het was alsof zij de nieuwe maan zag; die begon toe te nemen totdat zij een vòlle maan was. Opeens viel daarna de maan in haar mond; zij slikte de maan door, waarna heel haar binnenste licht begon uit te stralen. De dag erna vertelde zij aan een priester wat zij had gezien. Hij gaf de oplossing: het kind dat zij ontvangen had zou een 'lichtdrager' zijn. Hij zal met het licht der waarheid, zei de priester, de dwalingen der duisternis verdrijven, en overal waar hij heengaat zal hij omstraald zijn door de glans van een hemels licht, overal zal hij zijn volmaaktheid uitstralen, en hij zal veler aandacht op zich vestigen.
Al wie vast is in zijn bijbelkennis hoort hier onmiddellijk bekende klanken. Het is alsof in de figuur van de priester de oude Zacharias aan het woord is en alsof Willibrord een nieuwe Johannes de Doper was. Zo wordt hij trouwens door Alcuinus zelf genoemd. In ieder geval, hij wordt voorgesteld als een 'lichtdrager'. Het is het lichtmotief! Overal in deze Willibrord-biografie komen wij het tegen. Steeds de tegenstelling tussen licht en duisternis. In een duistere wereld bracht Willibrord licht, ja was hij zèlf een licht! Opvallend is ook dat volgens Alcuinus het de vader, Wilgis, is geweest — denk aan Zacharias — die bij de doop zijn zoon een naam gaf. Het werd Willibrord.

Kloosterling
Nog maar nauwelijks was de jonge Willibrord de moedermelk ontgroeid of hij werd naar een klooster gebracht om daar verder opgevoed te worden. Dat wekt bij de bijbellezers een nieuwe associatie; wij denken aan de jonge Samuel. Alcuinus zegt trouwens zelf: Het was alsof er in onze dagen een nieuwe Samuel was geboren! In dit klooster, Ripon, heeft Willibrord toen zijn jonge jaren doorgebracht. Het was een klooster dat behoorde tot de benedictijner orde. Willibrord ontwikkelde zich in de milde geest van Benedictus van Nursia (gest. 547). Nog wel zo belangrijk is echter dat Willibrord te Ripon geleerd heeft te participeren aan twee van elkaar verschillende werelden van spiritualiteit, de Iers-Schotse en de Romeinse. De laatste, de Romeinse was, zoals de naam al zegt, sterk op Rome georiënteerd, háár instellingen, háár liturgie en háár vroomheid. Hier stond de oude Iers-Schotse spiritualiteit tegenover, meer individualistisch, vrijer en meer op de eenzaamheid en het kluizenaarsbestaan gericht.
Toen wij in oktober jl. in Glandalough waren, in Ierland, zagen wij de ruïne van een klooster, maar daaromheen ook de resten van kluizenaarscellen. Dat is typisch voor Ierland. De hoogste mate van heiligheid zocht men in een eremietenbestaan. Men heeft weleens, en wellicht niet ten onrechte een relatie willen leggen tussen het oude woestijnleven van de zgn. woestijnvaders in de oosterse wereld in de vierde en vijfde eeuw èn het heiligheidsstreven in het oude Ierland, dat zijn uitwaaiering heeft gehad naar Schotland en Engeland. In elk geval, Wilgis, Willibrords vader, koos tenslotte, zoals wij al hoorden, ook voor een kluizenaarsbestaan. En Willibrord zelf is nooit geheel losgekomen van dat ideaal. Zijn werk in latere jaren heeft een sterke invloed van de Ierse spiritualiteit vertoond. Met enig recht zou men kunnen zeggen dat hij meer Ier was dan Engelsman.

Naar Ierland
Toen Willibrord 20 jaar was geworden, kwam dat al duidelijk aan het licht. Alcuinus weet te verhalen dat in hem een diep verlangen ontwaakte naar een nog heiliger leven. Tegelijk ontwaakte in hem de amor peregrinationis, de liefde tot het pelgrimeren. Ook dat laatste mag typisch voor de Ierse spiritualiteit worden genoemd. Hij kreeg het bij de kloosterleiding te Ripon gedaan dat hij mocht vertrekken naar Ierland. Hier leefden, zegt Alcuinus, de heiligen ver van alle aardse verplichtingen in volle overgave aan God, zich voedend met zoete meditaties. Twaalf jaar is Willibrord daar gebleven. Hij is er geheel ondergedompeld geweest in wat wij al noemden de Ierse spiritualiteit.

Naar Friesland
Toen kwam de reislust over hem, beter gezegd: de begeerte naar pelgrimage en zending. Hij had gehoord van de Friezen, dat ze nog heidenen waren. Hij begeerde, zegt Alcuinus, het stralende licht van het evangelie aan de verstokte heidenen te brengen. Hij was immers een Lichtdrager! Samen met elf broeders — ook dàt was Iers om er samen op uit te trekken — stak hij de Noordzee over. Ongeveer in de buurt van Katwijk aan Zee moet hij aangekomen zijn. Hij wendde zich nu, en dat was waarschijnlijk meer Romeins dan Iers, tot de koning der Franken, Pippijn, die hem met alle eer ontving. Op verzoek (of bevel) van Pippijn begaf hij zich daarna naar Rome, waar paus Sergius I regeerde. Sergius zou, aldus Alcuinus, al van tevoren, in een droom, door een engel verwittigd zijn van de komst van de man Gods, en de engel zou tegen de paus gezegd hebben, dat hij Willibrord zou moeten geven al wat hij hem vroeg, want, zei de engel, hij is de van God verkorene, de toekomstige verlichter van vele zielen. Zo werd Willibrord aartsbisschop van Friesland. De paus bond Willibrord extra aan Rome, en voorzag hem bovendien van een zeer kostbare schat, nl. een aantal relikwieën. Die relikwieën zou Willibrord volgens de praktijk van die dagen nodig hebben om ze stuk voor stuk op te bergen in de altaren die hij zou oprichten in de kerken die hij zou laten bouwen. Voor deze in onze ogen afgodische praktijk beroept het pausdom, tot op de dag van vandaag, zich op Openbaring 6:9-11, waar wij lezen over de 'zielen onder het altaar'.
Na zijn Romereis begaf Willibrord zich naar zijn werkterrein, Friesland, de noordelijke Nederlanden. Zijn werk verliep echter niet zonder moeite. Hele delen van 'Friesland' waren zeker in de eerste tijd in handen van de heidenen, over wie tot zijn dood in 719 koning Radboud regeerde. Toen Pippijn in 714 overleed, slaagde Radboud erin zelfs Utrecht weer in zijn macht te krijgen. Toch moesten op den duur de Friezen het tegen de Franken afleggen. En daarmee groeiden de mogelijkheden voor Willibrord.
Ook buiten Friesland, tot in Denemarken toe, heeft Willibrord kersteningspogingen ondernomen. De Frankische vorsten zagen dat niet graag, maar Willibrord was, zoals wij al signaleerden, een individualist, een vrijbuiter.
Waar hij mensen tot het christelijk geloof wist te bewegen, kreeg hij geld en goederen, en daarvan liet hij dan kerkjes bouwen en stelde hij priesters aan. Volgens prof A.G. Weiler beschouwde hij die kerken dan als zijn persoonlijk eigendom, weer dat individualisme!

Helgoland

Heel treffend is wat Willibrord, volgens Alcuinus heeft meegemaakt op het eiland Helgoland. In Alcuinus' biografie is het een van de zeldzame momenten dat hij ons iets meedeelt omtrent de inhoud van Willibrords prediking. Wij zullen moeten verdisconteren dat Alcuinus zelf de gebeurtenis niet heeft bijgewoond, en dat hij zijn biografie geschreven heeft minstens 50 jaar na Willibrords dood, maar er staat tegenover dat overleveringen in die tijd, die lang niet zo gecompliceerd was als de onze, een lang leven leidden.

Willibrord zou dan op dat eiland 3 mensen (heidenen) hebben gedoopt, en een aantal heilige koeien, die afgodisch vereerd werden, hebben geslacht. De heidenen die dit aanschouwden, verwachtten niet anders dan dat Willibrord òf stapelgek zou worden òf dood zou neervallen. Maar dat gebeurde niet, noch bij Willibrord zelf, noch bij zijn metgezellen. De heidenen waren stomverbaasd. Een moeie gelegenheid voor Willibrord om hen aan te spreken. Hij zei ongeveer het volgende: De God die door u vereerd wordt is geen God, maar de duivel, die u met een verderfelijk bijgeloof verblind heeft, om op die manier uw ziel over te geven aan het eeuwige vuur. Er is maar één God, de God die hemel en aarde en al wat er in is geschapen heeft. Ik die zijn dienaar ben bezweer u dat gij u afwendt van uw dwalingen, die reeds uw voorouders hebben aangehangen, en dat u gelooft in de enige en almachtige God, dat ge u laat dopen in het water des levens en reinigen van al uw zonden, om dan als een wedergeborene te leven in soberheid, gerechtigheid en heiligheid. Wanneer u dat doet zult u met God en Zijn heiligen eeuwige roem oogsten; maar wanneer u het veracht, dan kunt u ervan verzekerd zijn dat ge in het helse vuur komt, waar ook de duivel is die door u gediend wordt.
Al is deze toespraak niet letterlijk zó door Willibrord gehouden, de tekst ervan biedt ons toch, naar wij menen, enig inzicht in wat Willibrord (en anderen) in die tijd preekten. Opvallend is het accent dat gelegd wordt op de ethiek, de eis van een heilig leven; en opvallend is ook het thema van hel en hemel.
Gelukkig wordt er ook gesproken over de vergeving der zonden. Zij wordt rechtstreeks met de doop verbonden, die het 'water des levens' heet. Wij zullen daarin enig sacramentalisme moeten vermoeden. De ene God die almachtig wordt genoemd, wordt gesteld tegenover de afgoden, die geen 'goden' zijn, maar waar de duivel achter zit. De naam van de Heere Jezus Christus wordt niet genoemd.
Wij willen in aanmerking nemen dat Willibrord tegenover heidenen stond, die naar ik aanneem, totaal onwetend waren omtrent het evangelie. Maar er staat tegenover dat het zware accent op de ethiek, een onberispelijk heilig leven, overal in die tijd, en ook bij Willibrord, afgaande op het weinige dat wij van hem weten, domineerde. Dat wijst op een groot gebrek. Waar blijft Gods onverdiende genade, waar de rechtvaardiging zonder de werken der wet?
Willibrord bracht veel, Willibrord bracht niet alles!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 januari 1990

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Willibrord (2)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 januari 1990

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's