Uit de pers
Terugblik op de tachtiger jaren
Elk zichzelf respecterend dagblad en weekblad kon er de afgelopen weken niet omheen: hoe waren de jaren tachtig? Hoe waren ze ook voor kerk en theologie? Woorden als kerkverlating, Godsverduistering, marginalisering van het instituut kerk maakten meer dan ooit tevoren opgang. De feiten logen er ook niet om: meer dan de helft van de Nederlandse bevolking kent geen band meer aan een kerk en bezoekt nimmer meer een kerkdienst. Deze ontwikkelingen gaan ook allerminst aan de Gereformeerde Gezindte voorbij. De 90-er jaren zullen, naar de mens gesproken, vooral ook in onze eigen kring duidelijk maken hoever de secularisatie ook onder ons is opgerukt. Ik kom tot deze inleidende opmerkingen naar aanleiding van zo'n bedoeld overzicht van de hand van prof. dr. C. Graafland in het Reformatorisch opinieweekblad Koers van 22 december 1989. Prof Graafland besteedt eigenlijk zijn hele terugblik op de 80-er jaren aan de gevolgen van de secularisatie over de hele breedte van de kerk. Hij geeft aan hoe er in het midden van de kerk op is gereageerd: De Godsverduistering wordt hier vooral als een soort noodlot ervaren dat over ons heen komt zonder dat die ontwikkeling valt te keren. De reactie is met name pragmatisch. Hij verwijst daartoe op de bijna ongeestelijke manier waarop Samen op Weg gestalte wordt gegeven. Eerder een economische oecumene dan een werkelijke vernieuwing van de kerk. De agenda van de wereld gaat de theologie in deze hoek van de kerk bepalen: het conciliair proces acht prof. Graafland daarvan een teken, ook al betekent dit voor hem niet dat de in dit proces aan de orde komende vragen niet van belang zouden zijn. Kennelijk voelen velen in het midden van de kerk de geestelijke armoede aan en ontstaat er daarom een toenemende roep om spiritualiteit. Maar jammer acht prof. Graafland het dat dan velen deze spiritualiteit dan weer zoeken in wat hij noemt: een immanente scheppingsmystiek. Anders gezegd: men zoekt God te beleven in de natuur. In het verlengde hiervan is het te verstaan dat theologen een lijn trachten te leggen naar de beweging van New Age. Prof. Graafland acht echter ook deze weg een doodlopende weg te zijn.
Verrechtsing
Hoe is er binnen eigen kring gereageerd op genoemde ontwikkelingen? Prof. Graafland onderkent drie reacties. De eerste is die van wat we wel noemen de reactie van de 'verrechtsing'. Hij schrijft dan:
'Zo hebben we in de voorbijgaande jaren zien gebeuren, dat vele kerken en gemeenten uit de (rechterflank van de) Gereformeerde Gezindte in een steeds rechtser en behoudender vaarwater zijn terechtgekomen. Meestal begon het bij de samenstelling van de kerkeraden. Ze werden traditioneler dan voorheen. Natuurlijk beriepen zij predikanten die aan hun verlangens voldeden. En zo kwamen ook de gemeenten steeds meer onder deze invloed te staan. Eigenlijk een opmerkelijke gang van zaken. Een wereld, die zich steeds sneller ontwikkelt tot een moderne, post-christelijke wereld. Een gemeente, die uiteraard deel uitmaakt van deze wereld. Een jeugd, die in deze wereld groot wordt en op talloze wijzen de invloed ervan ondervindt. En dan: haaks op dit alles een predikant, een kerkeraad, een prediking en catechese, die al maar traditioneler wordt en terugvalt op het verleden. Hoe is dit te verklaren?
Dit is heel goed te verklaren. Het is te verklaren als zijnde een reactie op wat er gebeurt. En reactie voert altijd tot tegenovergestelde posities. Dat zien we volop gebeuren binnen de (rechterflank van de) Gereformeerde Gezindte, en dat op allerlei wijze. We zien het in de vormen van de prediking, maar ook in de inhoud. We zien het in de toerusting van de gemeente, in catechese en pastoraat. We zien het in de manier, waarop predikanten bezig zijn in hun studie en in hun theologische overwegingen. We zien het in de manier, waarop de kerkeraadsvergaderingen plaatsvinden, en hoe het gemeentelijke leven wordt georganiseerd of niet georganiseerd. Kortom, er is een terugkeer naar het verleden, de traditie. Dat proces van wat wij noemen "verrechtsing" is in de tachtiger jaren duidelijk naar voren gekomen.
Nogmaals, hoe moet dat beoordeeld worden? Het bovenstaande gelezen hebbend, verwacht u van mij niet een "hoera", denk ik. Daar hebt u gelijk in. Maar alleen maar afwijzen, zal ik ook niet doen. De reactie is op zijn minst begrijpelijk. Maar dan vooral menselijk, psychologisch begrijpelijk, d.w.z. als een wereldgelijkvormige reactie. Want wereldgelijkvormig is ze wel, zoals elke reactie-houding een typisch menselijke, wereldgelijkvormige houding is.
Maar dat onderstreept het begrijpelijke ervan. Ook ons gereformeerden is kennelijk niets menselijks vreemd. Wie zou zich boven deze menselijkheid durven te verheffen?
Ik zou er alleen aan willen toevoegen: als die terugkeer tot het "oude vertrouwde" plaatsvindt, laat het dan goed gebeuren. Want onze gereformeerde traditie is inderdaad niet alleen een rijke en rijk geschakeerde, maar ook een levende traditie, die ook voor ons nu nog waardevolle schatten bevat. Maar dan moeten we wel zo met die traditie omgaan, dat we de schatten eruit opdelven en niet een massa gruis dat meestal om de schatten heen ligt. En dat kan alleen als we goed overdacht te werk gaan. Niet zonder meer overnemen, en ook niet zonder meer ervan uitgaan, dat wat de traditie ons te bieden heeft natuurlijk goed is, omdat het oud is. Nee, de traditie zal ons dan werkelijk kunnen helpen, ook vandaag, als we haar toetsend in dienst nemen voor het heden. Toetsend aan de Schrift allereerst, en dan ook aan wat in onze tijd nodig is te weten en te zeggen en te doen.
Maar als ik dit zo neerschrijf, kan ik niet het wat ontmoedigende gevoel onderdrukken, dat er wel veel traditioneel gepreekt en gedacht wordt, maar weinig de traditie vruchtbaar gemaakt wordt voor een werkelijk eigentijds gereformeerd belijden en beleven. Dat komt vanwege een historisch fundamentalisme, dat zich van veel calvinisten onder onder ons heeft meester gemaakt. Men roemt de vaderen, en men meent, dat het daarbij maar moet blijven. Dat zal, dunkt mij, steeds meer een onvruchtbare bezigheid blijken te zijn.'
Ik stem geheel in met prof. Graaflands constatering dat deze reactie zeer onvruchtbaar zal blijken te zijn, zeker ook naar de opkomende generatie. Een ontwikkeling die me overigens nog veel dreigender overkomt dan hier wordt gesteld. Louter traditionalisme is even onvrucht baar als een modernistisch reageren op de vragen van onze tijd.
Evangelische invloed
Prof. Graafland acht de come-back van de evangelische stroming een geschenk aan het orthodox-reformatorische deel van de kerk. Hij schrijft:
'Het meest opvallend is die reactie, waarin binnen het gereformeerde belijden verbindingen zijn gezocht en gevonden met wat we zijn gaan noemen de evangelische wijze van geloven, beleven en getuigen. Als ik hier spreek van "gezocht en gevonden" is dat eigenlijk te veel gezegd. Die verbindingen zijn namelijk wel "gevonden", niet zozeer "gezocht". De opkomst van het evangelisch getuigen in onze tijd heeft zich eigenlijk zomaar aan ons voorgedaan. Het kwam tot ons, zonder dat wij ernaar zochten. Het heeft iets van een geschenk aan het orthodox-reformatorische deel van de kerk.
Niet, dat het iets nieuws is. De evangelische stroming is al bijna even oud als de gereformeerde stroming. Ze is er zelfs een onderdeel van. Maar ze is alleen een tijdlang buiten het gezichtsveld geraakt, om allerlei kerkelijke en dogmatische redenen. Nu is er weer een "come back". Daar mogen we blij om zijn. Althans, ik ben er blij en dankbaar voor. Omdat naast allerlei deraillementen, die evenals onder ons ook onder de evangelicalen zich voordoen, wij daar een samengaan van geloofsernst en geloofsblijdschap ontdekken, die ons jaloers maakt en aanstekelijk werkt. Ik mag de ontmoeting tussen evangelischen en gereformeerden zien als een bewijs, dat Gods goede hand nog over onze gereformeerde kerken is. En ik hoop daarom ook vurig, dat die handreiking zal worden verstaan en aanvaard. Ik weet wel, dat nog velen tegensputteren, ook al zijn er steeds meerderen, met name jongeren, die in die richting gaan. Maar ik ben ervan overtuigd, dat hoe meer er wordt tegengesputterd, o.a. door van de evangelicalen zwarte karikaturen op te hangen en telkens tegen hen te waarschuwen, des te groter de drang wordt om uit het gereformeerde ("reformatorische") traditionalisme te worden bevrijd tot een vernieuwend en toch authentiek reformatorisch geloven en beleven. Er zijn echter gaandeweg meer predikanten, en hier en daar ook een ambtsdrager of zelfs een kerkeraad, die het positieve van deze uitdaging gaan inzien. Dan komt het erop aan, om tot een goede, echt reformatorische integratie te komen, die werkelijk verrijkend en vernieuwend, tegelijk ook verdiepend werkt. Daarmee bezig zijn in de komende jaren, lijkt me één van de belangrijkste opdrachten van de Gereformeerde Gezindte.'
Ik weet niet goed aan wie prof. Graafland allemaal denkt als hij spreekt over de evangelische stroming. Even verdeeld als de kerken van reformatorische snit zijn, zijn immers ook de evangelische christenen helaas verdeeld. Ik erken met hem dat er raakvlakken zijn tussen reformatorischen en evangelicalen. Maar theologisch en niet minder geestelijk zijn er toch ook veel grotere verschillen dan hij hier aangeeft. Wij kunnen van elkaar leren, zeker. Maar willen we dat ook werkelijk en dan denk ik aan beide stromingen? En ik ben er niet zo zeker van of evangelicalen wel zo staan te springen om te komen tot een, zoals prof. Graafland het noemt, reformatorische integratie. Ligt niet juist in het reformatorische geloofsgoed het echte breekpunt tussen beide stromingen?
Gereformeerd belijden-nú
Als derde reactie op de vragen van onze tijd geeft prof. Graafland die aan welke tracht, vanuit het gereformeerd belijden, in te gaan op de vragen en uitdagingen van onze tijd. Ik citeer hem tenslotte nogmaals:
'Ik zie in eigen kring, en waarschijnlijk komt dit ook elders voor, dat er een besef leeft om de gemeente concreet te richten op en toe te rusten voor de grote vragen van de wereld in deze tijd. Men wil dat doen vanuit het gereformeerd belijden en staande in de gereformeerde traditie, maar dat laatste blijkt niet zo eenvoudig te zijn. Althans vraagt dit om een opnieuw doordenken van het erfgoed in het licht van de Schrift en tegelijkertijd in het licht van de vragen van deze tijd. Dit accent op "gereformeerd belijden nu" komt dus vooral tot uiting in een nadruk op bijbelse heractualisering van de traditie, die tegelijk wil luisteren naar wat de eigentijdse theologische en culturele vragen aan de orde stellen. Dit is overigens een tamelijk riskante onderneming, die het gevaar van uitglijding en zelfs afglijding niet bij voorbaat uitsluit. Ze is echter wel een noodzakelijke onderneming, ja een opdracht, die wij niet naast ons neer kunnen leggen of alleen aan anderen kunnen overlaten.
Het is wel te begrijpen, dat degenen, die zich aan deze opdracht wijden, zich soms ernstig ertoe geroepen weten, door andere geloofs- en gezindtegenoten met de nodige argwaan worden beschouwd. Ze wagen zich op glad ijs, maar dat niet alleen. Er wordt ook getwijfeld aan hun motieven. Willen ze de zaak dienen of willen ze de zaak ondermijnen? Het is soms niet onduidelijk, dat men vooral denkt in de laatstgenoemde richting. Maar daarom is het des te meer te respecteren, dat ze niettemin voortgaan. Hopelijk niet lang meer als degenen, die steeds het risico lopen te ver vooruit te lopen, maar als voortrekkers, die in de rug worden gesteund en gedekt door de achterhoede, tot wie ze zich graag en van harte willen blijven rekenen.
In deze stroming zien we een intens ingaan op de vragen, die wij aan het begin van dit verhaal al noemden. Het verschil is, dat ze worden geïntegreerd in een gereformeerd denkkader. Daarnaast wordt ook geluisterd naar de antwoorden, die nu worden gegeven. Ze worden echter dan wel getoetst aan Schrift en belijdenis. Maar het omgekeerde vindt ook plaats. Men is ook bereid de vraag onder ogen te zien, waar de huidige theologische bezinning aanleiding geeft die ons ertoe noopt om eigen bestaande gedachtengangen en opvattingen te toetsen en zonodig te corrigeren, aan te vullen of te verbreden. Deze tamelijk recente vorm van gereformeerde theologiebeoefening begint de laatste jaren haar vruchten af te werpen. Zo zien wij, dat er naast de aandacht voor het persoonlijk heil ook een bezinning komt over de kosmische, sociale en politieke omtrekken van ditzelfde heil. Ook merken we op, dat naast de ethische vragen en moeiten in het persoonlijk-menselijke vlak ook doordenking op gang gaat komen over de makroethische vragen. Apostolaat wordt niet meer beperkt tot het winnen van mensen voor Jezus, hoe onmisbaar en wezenlijk dit ook is en blijft. Maar het apostolaat krijgt ook het hele wereldgebeuren op zijn agenda en men beseft, dat als het God om Zijn wereld en schepping en mensheid te doen is, het ook ons daarom te doen moet zijn. We merken op, dat deze denkrichting in de Gereformeerde Gezindte vooral onder de jongeren steeds meer aandacht en betrokkenheid ontvangt en dat komt ons voor als een hoopgevend teken. Een teken ook van de blijvende kracht van het Gereformeerde belijden.'
Prof. Graafland heeft gelijk als hij hier één van de meest boeiende denkvelden ziet liggen voor de gereformeerde theologie. Tegelijk beseffen we dat we ons op een veld vol valkuilen begeven. Waarlijk gereformeerde theologie is compleet uit de theologische mode. Trouwens, wie het zelf werkelijk is en wil blijven, om zo te zeggen tot in z'n botten toe, weet er niet van er steeds opnieuw voor te moeten worden ingewonnen? Ge-re-formeerd zijn en steeds ge-re-formeerd worden is werk van de Geest. Het is je van Boven geboren weten. Gereformeerde theologie verheerlijkt God en zet de mens, ook de denkende mens, steeds in de laagste klas. En wie wil dat die uit Adam is geboren? Hoop voor de kerk hebben we, ook voor de 90-er jaren, vanuit de God van de kerk. Hij heeft ons de Bron voor het geloof geschonken in Zijn openbaring en wel de Heilige Schrift. Laat het ons een op het hart gebonden noodzaak zijn èn blijven jongeren en ouderen de Schrift te laten verstaan. Zo we niet spreken naar dit Woord, we zullen ook als Gereformeerde Gezindte geen dageraad hebben.
J. M.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 januari 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 januari 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's