Hoop voor de kerk (1)
Naar het getuigenis van ds. H.O. Roscam Abbing (1874-1939)
Dienst aan de kerk
Herman Otto Roscam Abbing werd op 18 november 1874 te Ginneken bij Breda geboren. Hij overleed op 23 maart 1939 te Arnhem. Hij stamde uit een oud predikantengeslacht, dat vanaf het begin van de achttiende eeuw de vaderlandse kerk diende. Zijn vader Pieter Johan Roscam Abbing was predikant te Ginneken, Hijlaard (Fr.), Strijen, Silvolde (Gld.) en Middelburg. Hoewel zijn vader geen partijman was, werd hij tot de ethische richting gerekend. Zijn moeder heette Julia Caroline van Rhijn. Zij was een heel gelovige vrouw, die uit de kringen van het Réveil kwam. Herman Otto was de derde zoon in het gezin, dat later tien kinderen telde. Hij kreeg de voornamen van zijn oudoom Herman Otto Abbing. Twee broers van hem werden predikant, namelijk Pieter Johan en Willem Jacob, terwijl zijn zuster Catharina Anna trouwde met ds. E.J.H. van Leeuwen, vanaf 1916 zijn collega in Arnhem. In 1909 trad hij in het huwelijk met Geertruida Gravemeyer, dochter van dr. E.C. Gravemeyer en Titia Groen. Zelf behorend tot een predikantengeslacht werd hij zo verbonden met een ander oud predikantengeslacht. Ds. H.E. Gravemeyer (1813-1890), schrijver van het Leesboek over de Gereformeerde Geloofsleer, was de grootvader van de bruid. Ds. H.E. Gravemeyer (1878-1967) uit Amsterdam en dr. K.H.E. Gravemeyer (1883-1970) uit Den Haag waren broers van de bruid. Uit hun huwelijk werden twee dochters en twee zonen geboren.
De lagere school bezocht hij in Silvolde en de Hogere Burgerschool in Middelburg. Op negentienjarige leeftijd vertrok hij naar Nederlands-Indië om daar in de cultures te werken. In november 1897 moest hij om gezondheidsredenen terugkeren. In zijn Indische jaren kreeg de roeping tot predikant zijn beslag. Na zijn terugkeer ging hij naar Doetinchem, waar hij enkele jaren op het gymnasium als gastleerling de lessen Oude Talen volgde. Van 1902 tot 1907 studeerde hij theologie aan de Rijksuniversiteit te Utrecht. Op 2 mei 1907 werd hij door het Provinciaal Kerkbestuur van Overijssel toegelaten tot de Evangeliebediening. Uit een viertal beroepen nam hij het beroep naar Nieuwerkerk aan den IJssel aan. Deze gemeente diende hij van 1907 tot 1915 en de gemeente van Arnhem van 1915 tot aan zijn overlijden in 1939.
De kracht van ds. Roscam Abbing als predikant lag in het gebed en in de bediening van het Woord (Hand. 6:4). Een uitspraak van hem was: ie gelovig bidt, legt de hand op de hefboom van de Godsregering'. Van zijn gebed ging kracht uit; ook van zijn voorbede voor zieken. Hij was een man van gebed. Biddend, met gevouwen handen, stierf hij. De bediening van het Goddelijk Woord stond in zijn predikantenwerk voorop. Hij was herder en leraar, vooral op de kansel. Het was niet zijn gewoonte om zijn preken op schrift te stellen. 'Hoe zorgvuldig de voorbereiding ook was, op schrift kwamen slechts aantekeningen, dikwijls zeer kort'. Hij preekte uit het hoofd. Hij had een mooie stem en was welsprekend. Als hij begon te spreken was er direct aandacht. Op de preekstoel stond hij in het krachtenveld van de Heilige Geest.
Het hart van zijn prediking was de Heere Jezus Christus, de Heere, onze Gerechtigheid. Hij zei eens: Ik heb één hartstocht, namelijk: Christus'. Twee candidaten bevestigde hij in het ambt met Hand. 8 : 5b: En predikte hun Christus'. Deze woorden werden de titel van het boekje met preken, dat na zijn overlijden in kleine kring beschikbaar werd gesteld. Hij bracht 'een zeer bijzondere, rijke, diep in de Schrift inleidende, ontdekkende, en in ruime mate vertroostende prediking'. Zijn prediking had een sterk onderwijzend karakter. Zijn preken waren actueel, ernstig en vermanend. Vanwege het verrassende element in zijn prediking trok hij veel kerkgangers. Eigen accenten in zijn prediking waren: de levensheiliging in en vanuit Christus, het werk van de Heilige Geest in Pinkstervolheid, de verwachting van de Heere Jezus en Zijn rijk voor Israël en de volkeren, en Zijn Koningschap, niet alleen in de kerk maar ook in de staat. Hij predikte de Christus der Schriften in Zijn volheid 'naar Zijn drieërlei ambt, als Priester (zondag 23 HC), als Koning (art. 36 NGB) en als Profeet in Zijn nadering ter wederkomst'. Als een Schriftgeleerde, in het Koninkrijk der hemelen onderwezen, bracht hij uit de schat van het Woord nieuwe en oude dingen voort (Mt. 13 : 52). Van zijn prediking ging een rijke zegen uit voor velen.
In de twintiger jaren brak in de Hervormde Gemeente van Arnhem een richtingenstrijd los. Hierin deed ds. Roscam Abbing zich kennen als een strijder voor de gereformeerde belijdenis van de Nederlandse Hervormde Kerk. Evenals zijn vader was hij geen partijman. Hij rekende zichzelf te behoren tot die gereformeerden in de vaderlandse kerk, 'die vasthouden aan de gehele belijdenis, niet alleen waar het meer betreft het persoonlijk geloofsleven, doch ook in die stukken waarin de belijdenis van onze kerk zich uitspreekt aangaande de Kerk (art. 27-29 NGB) en aangaande de roeping van de overheid (art. 36 NGB)'. 'De gereformeerden, die vasthouden aan de belijdenis, vormen dan ook geen partij in de kerk, omdat de belijdenis gereformeerd is. Doch zij, die min of meer afwijken van de belijdenis, werken het partijwezen in de hand...' Aan ds. Roscam Abbings strijd voor het recht van de belijdenis in de kerk danken wij drie brochures van zijn hand: Het beginsel der evenredige vertegenwoord ging door God geoordeeld, Arnhem, 1921; Open Brief aan de Ned. Herv. (Geref.) Gemeente te Arnhem, Arnhem, 1926 en 'Schrift en belijdenis'. Waarom geen samenwerking Een woord tot de Ned. Herv. (Geref.) Gemee te te Arnhem, Arnhem, 1929.
Ds. Roscam Abbing was zich bewust een bijzondere roeping van God ten aanzien van Nederland te hebben, tegenover kerk en staat. Over deze roeping schreef hij: 'Heere, Heere! Gij weet alle dingen. Indien Gij naar zijn begeerte gedaan hadt, hij was in stilheid gebleven. Doch Gij voerdet hem herwaarts, en Uw Heilige Geest, Die Gij hem beloofd hadt, ving aan bij wijlen hem te drijven en hij getuigde van de toekomst des Heeren, legde de breuk open, tussen Christus en Zijn gemeente, en hij sloeg met het zwaard des Geestes, hetwelk is Gods Woord, omdat een huis dat tegen zichzelf verdeeld is, niet bestaan kan... Wie heeft Uw wil wederstaan en vrede gehad? Wie kan zwijgen als Gij gebiedt te spreken?'
Na zijn overlijden schreef ds. C.A. Lingbeek: 'Spreke deze profetische figuur nog, ook nadat hij gestorven is, tot ons volk van Nederland, tot hetwelk God de Heere hem zo menig woord heeft te spreken gegeven!' De Hervormde Gereformeerde Staatspartij was het orgaan, waardoor hij deze bijzondere roeping in een belangrijke mate volbracht. De brochures De Breuk tussen Christus en Zijn gemeente in onze dagen, Arnhem, 1921 en Het Kerkelijk Vraagstuk (in Nederland) op last van de Allerhoogste, Amsterdam, 1923 met de redes Tempelreiniging, Hervorming, Reorganisatie, (1927) en Opening der tijden, (1934) getuigen van deze bijzondere roeping.
Het leven en de ambtsbediening van ds. Roscam Abbing waren niet gemakkelijk. Dit kwam mee door het profetische element in zijn prediking en optreden. Hij stond in zijn eigen tijd en begeleidde het kerkelijke en politieke leven met zijn getuigenis. Hij plaatste dit alles in het licht van de toekomst van de Heere Jezus Christus. Hij riep voortdurend op tot bekering en waakzaamheid. Niet allen in eigen kring hadden oog voor dit profetische element, met name voor zijn voorzegging van de toekomst. Dankbaar was hij voor 'de gemeente in de gemeente', die hij had. Zijn vijfentwintigjarig ambtsjubileum in 1932 wilde hij niet vieren. Hij schreef: 'Het is mij een groot voorrecht zolang het Evangelie van Gods genade in Christus Jezus te mogen verkondigen en ik heb er nooit voor gevoeld en nu, in verband met de algemene toestand, nog veel minder. Ik voor mij gevoel het zó aan, dat, daar de Naam van de Zender zo veelszins gesmaad wordt en op kerkelijk en op maatschappelijk en op staatkundig gebied, er voor de dienstknecht weinig vrijmoedigheid om te jubileren overblijft'.
In de laatste maanden van zijn leven verkeerde hij in het dal van de ootmoed en ontving hij veel licht en troost. Op 26 februari 1939 leidde hij zijn laatste kerkdienst in de Grote Kerk, waarin hij preekte over Jes. 53 : 1. Op 4 maart trad hij voor het laatst in het openbaar op, toen hij op de jaarvergadering van de H.G.S. in Utrecht sprak over Kerk en Staat in Nederland en het werk van Christus in onze dagen. Zijn laatste woorden waren: Nederland, schik u om uw God te ontmoeten'. Snel kwam het einde; voor allen onverwacht. Getroost door Ps. 23 ging hij naar het ziekenhuis. Een operatie mocht niet meer baten. Hij getuigde: Ik ben ten volle bereid'. Op 23 maart 1939 'ontsliep hij in volle verzekerdheid des geloofs op 64-jarige leeftijd'. Op zijn grafsteen op de algemene begraafplaats 'Moscowa' te Arnhem staat: H.O. Roscam Abbing V.D.M. 18 nov. 1874 23 mrt. 1939. V.D.M, betekent: dienaar van het Goddelijk Woord. Dienaar van het geschreven èn van het vleesgeworden Woord, dat wilde hij zijn en dat was hij. Zo diende hij de gemeenten van Nieuwerkerk aan den IJssel en Arnhem. Zo diende hij de gemeente des Heeren in Nederland. Door zijn getuigenis spreekt hij tot ons, nadat hij gestorven is (Hebr. 11:4). 'De gedachtenis van de rechtvaardige zal tot zegening zijn' (Spreuken 10 : 7a).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 januari 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 januari 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's