De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Geoefende zinnen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Geoefende zinnen

10 minuten leestijd

Het leven van het geloof kan zonder bepaalde middelen niet worden bewaard en opgebouwd. Wij denken daarbij aan het onderzoek en de prediking van Gods Woord, de voortdurende zelfbeproeving, het gebruik van het Heilig Avondmaal, het leven in het gebed en de verborgen omgang met God, ja, ook het zoeken van de gemeenschap der heiligen. Stuk voor stuk zijn al de genoemde zaken nodig. Het is een goede zaak ze terdege waar te nemen en te onderhouden. Maar het komt er wel op aan dit te doen met een bepaalde geesteshouding. Wij zouden willen wijzen op een bepaalde smaak en keur. Al deze rijke gaven van God zullen hun doel ten dele missen, wanneer wij geen geoefende zinnen bezitten.


Wat bedoelen wij met deze opmerking? De schrijver van de brief aan de Hebreeën gebruikte aan het slot van het vijfde hoofdstuk een eigenaardige zinsnede. Hij handelt daar over de volmaakten of volwassenen in tegenstelling met de kinderkens in de genade, die met melk gevoed worden. 'Want een iegelijk die die melk deelachtig is, die is onervaren in het Woord der gerechtigheid, want hij is een kind. Maar der volmaakten is de vaste spijs, die door de gewoonte de zinnen geoefend hebben tot onderscheiding beide des goeds en des kwaads.' Met het Woord der gerechtigheid bedoelt de apostel het Woord der prediking, dat leert onderscheiden tussen goed en kwaad, wat recht en onrecht is. Een zuigeling kan dat niet vatten en zo staat het met de Hebreeën. Terwijl de volmaakten, de volwassenen, door gewenning zo geoefend zijn, dat ze weten te onderscheiden tussen goed en kwaad, tussen wat ze doen en laten moeten.


Een baby mist vooralsnog het onderscheidingsvermogen tussen het goede en het kwade voedsel. Wordt het kleine kind evenwel groter, dan wordt zijn smaakzin geoefend door de velerlei soort van voeding, die voor hem op tafel komt. Ziet, dan leren de kinderen langzamerhand het smakelijke van het onsmakelijke, het gezonde van het giftige en het bittere van het zoete te onderscheiden. Deze oefening komt elke dag een paar malen terug en zo ontstaat stilaan een smaakzin, een soort van instinct, dat hen waarschuwt voor al wat hen zou kunnen schaden en hen doet grijpen naar datgene wat werkelijk voedzaam is. Het behoeft hun dan niet meer voorgezegd te worden wat goed en kwaad voor hun lichaam is, hun zintuigen zijn door de gewoonte geoefend om het scha­delijke af te stoten en het nuttige tot zich te nemen.


Op elk gebied van het dagelijkse leven ontmoeten wij mensen met zulke geoefende zinnen. De zeeman heeft in de regel een scherp gezicht, omdat hij gewoon is in de wijde ruimte te zien, terwijl de geleerde, die veelal over de boeken gebogen zit, door dit beperkte gezichtsveld zwak van ogen wordt en weldra een bril moet dragen. Er zijn mensen met een fijne neus. Anderen met een zo ontwikkeld gehoor, dat de minste wanklank hen pijnlijk treft. Weer anderen hebben zulke fijne smaakzenuwen, die niet de kleinste fout in de toebereiding van de dagelijkse maaltijd kunnen verdragen. Een jongeman die veel aan sport doet, onderkent u al dadelijk aan een veerkrachtige stap en een gespierde gang. Alles is geoefend en allerminst stijf of houterig. Ook op geestelijk gebied zijn er mensen die zogezegd kunnen onderscheiden wat er in de lucht zit. Wij hebben een muziekcriticus gekend, die bijna feilloos doorzag bij welk uitvoerend kunstenaar talent aanwezig was en bij welke niet. Eveneens weten wij van een schrijver, die gevaarlijke elementen in bepaalde geschriften meesterlijk weet aan te wijzen temidden van goede stukken.


Wij bezitten vermogens of organen, waardoor wij in ons opnemen de indrukken, die van buiten tot ons komen of waardoor wij tot uiting brengen de gewaarwordingen die binnen in ons leven. Wij hebben een verstand om te denken, een hart om lief te hebben, een wil om te handelen. Wij hebben ook een geweten om goed en kwaad te onderscheiden. Ieder mens heeft zulk een geweten, maar het spreekt zuiverder en luider bij de één dan bij de ander. En nu is het voor het goed functioneren van ons geestelijk leven van het allerhoogste belang dit zintuig door gewoontevorming zozeer te oefenen, dat wij instinctief afwijzen wat onze geloofsverdieping zou kunnen belemmeren en ons instinctief aangetrokken gevoelen tot alles wat bij kan dragen tot de opbouw van ons innerlijk leven.


De apostel bedoelt met geoefende zinnen gymnastische oefeningen. Wel te verstaan, hij spreekt hier van christenen, die geestelijk volwassen zijn. Voor deze volwassenen is de vaste spijs, dat wij zeggen, het diepere onderricht, bestemd. Zij worden nog nader omschreven als mensen, wier waarnemingsorganen door gewoonte geoefend zijn. Dit moet men natuurlijk in overdrachtelijke zin verstaan van het ver­standelijk begrip, dat door voortdurende oefening is gescherpt. De woorden 'goed' en 'kwaad' worden soms in zedelijke zin verstaan. De samenhang vordert echter, dat men 'goed' en 'kwaad' verstaat van de heilzame en verderfelijke leer. Het is eigen aan de volwassenen, dat zij daarvoor een scherp onderscheidingsvermogen hebben, dat door langdurige oefening ontstaan is.


Wij kunnen de keuze van het Woord alleen maar bewonderen, want het leven is inderdaad een geweldige arena, een stadion, waarin geworsteld moet worden om straks als overwinnaar uit het strijdperk te voorschijn te komen en de lauwerkrans in ontvangst te nemen. Wij ontmoeten in het leven hindernissen zonder tal. Wij zijn erin blootgesteld aan vele verzoekingen, die zich dikwijls onder schone schijn aandienen en die hun ware aard eerst openbaren, wanneer wij eenmaal jammerlijk zijn bezweken. Wij zijn dan geneigd te klagen en te vragen, waarom die boeiende lichtgestalten, waarin een duivel steekt, juist onze weg moesten kruisen? Deze vraag kan worden beantwoord met de opmerking, dat die verzoekingen mede bestemd zijn om onze geestelijke zinnen te oefenen ter onderscheiding van wat goed en kwaad voor onze innerlijke groei is. Wie nooit een ontmoeting met de vijand gehad heeft, zal nooit een geoefend soldaat worden. Mensen als Simson worden niet geboren, maar in de strijd van het leven gevormd. Wakkerheid van geest, kloekheid van zin, degelijkheid van karakter, afschuw voor de zonde, een begeerte naar het heilige komen ons maar niet aanwaaien. Het zijn levenswaarden, die in de strijd verworven moeten worden. Ze tonen alleszins de moeite van de strijd. Elke overwinning, die wij in de kracht des Heeren mogen behalen, strekt tot verfijning van ons onderscheidingsvermogen. Wij zullen de tweede maal onmiddellijk de satan herkennen onder het kleed van de engel des lichts.


Wanneer wij zo waakzaam leven, dan zullen wij hoe langer hoe minder in de strijd met de zonde worden overrompeld en verrast. Onze zinnen worden door de gewoonte geoefend om het kwade al heel uit de verte te zien naderen. Wij gaan ons er dan biddend tegen wapenen. Ja, ook in ons binnenste onderkennen wij de Boze, die ons besluipt, in zijn nadering. En hoezeer wij ook betoverd dreigen te worden, er werkt in ons een heilig instinct om de zonde op een afstand te houden en deze zelfs niet toe te wuiven of een blik van verstandhouding toe te werpen. Wij weten maar al te goed, dat het om ons gehele bestaan is te doen.


Geoefende zinnen zijn voor de geloofsverdieping vooral onmisbaar, omdat de zonde in de subtielste vormen tot ons komt, soms onmerkbaar en onzichtbaar als giftige gassen, waarvoor alleen een geoefende reukzin ons waarschuwt. Vele gelovigen weten dit zeer goed. Zij vrezen voor allerlei verstikkende dampen, die als een soort boosheden in de lucht hun welzijn voortdurend bedreigen. Deze mensen zijn helaas niet voldoende geoefend om ze terstond in hun ware aard te onderscheiden. Het zou dan gemakkelijk zijn, wanneer Gods Woord een wetboek met voorschriften was, dat zij alleen maar behoefden op te slaan, om te weten wat hun in elk bijzonder geval verboden of toegestaan is.


U ziet het wel eens in de gemeente. Een dodelijke verlegenheid over wat mag en niet mag. De orde wordt erdoor verstoord, de blijdschap trekt weg uit de ziel, de vrijheid van de christenmens verdwijnt. Het komt allemaal omdat wij op een bepaald ogenblik missen de zuiverende werking van het Woord, de heiligende invloed van het gebed, het rustige vertrouwen op de leiding des Heeren en de ervaring in de strijd van het leven opgedaan. Gods kinderen dwalen allen wel eens in zeker opzicht in de duisternis rond. Maar keren zij terug en worden de zinnen geoefend, dan ontvangen ze ook de intuïtie weer om klaar en onderscheiden te zien wat mag en niet mag. Ze onderkennen ook de sfeer van het boze en weten helder wat ze moeten doen.


Wij kunnen van de geoefende zinnen vele voorbeelden geven. Neem nu maar eens de kwestie van de wereldgelijkvormigheid. Er zijn tal van middelmatige zaken of die er althans door de grote massa voor gehouden worden: de kleding, het kapsel, de vakantie, het amusement, en dergelijke. Gods Woord geeft daaromtrent geen beslissing. De geoefende zinnen weten evenwel te zeggen, hoever men in deze dingen met de bestaande mode mee kan gaan. Wij behoeven niet tien modes vóór op het schema te liggen in de gemeente van Christus, maar ook niet vijf achter. Deze dingen laten zich niet altijd precies met de maatstok berekenen. De geestelijke zintuigen stoten echter alles af wat ons neerhaalt en aanvaarden slechts datgene wat in overeenstemming met het christelijk leven is.


Door geoefende zinnen vermijden wij de omgang met allen, die door houding en gesprekken een bedreiging voor het geestelijk leven zijn of er de teerheid van verwoesten. Wij doorzien de voosheid van een betoog, dat de menigte verrukt doet staan. Wij bemerken de zinledigheid en gevaarlijkheid van wat de spreker beweert. U kunt door geoefende zinnen bepaalde eenzijdigheden al dadelijk op het spoor komen. Sommigen verheerlijken het verstand of de kennis. U bemerkt het onmiddellijk in een preek of redevoering. U bent in gesprek met iemand, die overgereformeerd is. U ziet terstond, dat voor hem de Bijbel dan pas het Woord van God is, wanneer bij het lezen of de prediking, in dat moment een inslag komt, zodat God op dat ogenblik spreekt. Elders bemerkt u door de openbaring van iemands levenshouding heen, dat hij de mens van de daad wil zijn, het leven soms boven de leer stelt of los van de leer. Ineens ontdekt u dat hij eigenlijk pleit voor een vrijere levensopvatting en een moraal zoekt, los van Gods Woord.


Al zulke eenzijdigheden komen wij met geoefende zinnen op het spoor. Het leven wordt daardoor niet gemakkelijk, maar wel fijnzinnig. Het diepe Woord van de apostel Paulus wordt voor u een leidraad: En wordt dezer wereld niet gelijkvormig, maar wordt veranderd door de vernieuwing uws gemoeds, opdat gij moogt beproeven, welke de goede, en welbehaaglijke, en volmaakte wil van God zij. Bij het ontstaan van het nieuwe leven is nog niet direkt het oude leven dood en verstorven. Daar zijn en blijven nog strevingen, die uitgaan van het van God afkerige leven. Daar zijn nog overblijfselen van het oude bestaan, die alleen door een gestadig afsterven vernietigd kunnen worden. Waar men inwilligingen en inschikkelijkheden heeft voor het wereldse leven, daar moet wel het geestelijke leven gaan kwijnen. Altijd is het menselijk hart in beweging, hetzij in de ene of in de andere richting. Zo staat daar tegenover het gelijkvormig worden aan de wereld het veranderd worden door de vernieuwing uws gemoeds. Zulk een Woord zou geen zin hebben, wanneer bij de wedergeboorte het nieuwe leven in volle ontwikkeling aanwezig was. Maar reeds het woord wedergeboorte doet iets anders verstaan, en de ervaring van de gelovigen leert ook wel iets anders. Langzamerhand, trapsgewijze ontwikkelt zich het nieuwe beginsel, meer en meer alles doordringend, evenals het zuurdesem de drie maten meel.


Alles wat de geestelijke harmonie verstoort en het evenwicht verbreekt gaan wij vermijden. Alle sensatie, alle luidruchtig­heid schuwen wij, maar wij groeien meer en meer op in de school, die de goede en welbehaaglijke en volmaakte wil van God onderzoekt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 januari 1990

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Geoefende zinnen

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 januari 1990

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's