De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De werkdruk van predikanten (2)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De werkdruk van predikanten (2)

10 minuten leestijd

Predikanten die een lange werkweek maken kiezen daar blijkbaar niet voor, maar worden er door de omstandigheden toe genoopt. De keuzevrijheid om een korte of lange werkweek te maken lijkt uiteindelijk af te hangen van de eigen instelling tegenover de taak die men heeft te verrichten (taakidentiteit).
Het ziet er naar uit, zo concludeert Keizer, dat het niet in de eerste plaats de omstandigheden zijn die bepalen hoe vrij een predikant zich voelt in zijn werk, maar de mate waarin hij zelf vrij staat ten opzichte van het eigen werk. De predikant die een duidelijke taakidentiteit ervaart heeft weinig distantie tot zijn werk. Dat geeft een gevoel van onvrijheid. Niet zozeer de werkomstandigheden zijn bepalend voor de tijdsbesteding van de predikanten, veeleer hun eigen gedragsintentie.

Voldoening
Tenslotte is ook onderzocht onder welke condities in de werksituatie predikanten hun arbeid met voldoening verrichten. Ook wat betreft de arbeidssatisfactie bij predikanten is tot nu toe weinig specifiek onderzoek gedaan.
Wel is bekend dat predikanten steeds vaker problemen ondervinden in hun werk o.a. door functieverandering van de kerk in de maatschappij. Het blijkt dat een toenemend aantal predikanten het ambt vaarwel zegt, steeds meer predikanten de hulp inroepen van daartoe aangestelde begeleiders, predikanten steeds vaker vervroegd hun taak neerleggen vanwege fysieke en mentale vermoeidheid, en predikanten in hun gemeente dreigen vast te lopen in frustraties en conflicten en nauwelijks de kans krijgen elders opnieuw te beginnen. Het verrichte onderzoek van Keizer wijst uit dat er geen aanwijzing is dat predikanten meer of minder tevreden zijn met hun werk en arbeidssituatie naarmate zij langer in een gemeente werkzaam zijn of naarmate hun gemeente groter is. Wel blijken leeftijd en zelfwaardering met satisfactie samen te hangen.
Oudere predikanten zijn op een aantal punten meer tevreden dan jongere. Zij overwegen minder vaak van functie te veranderen. Zij zijn tevredener met de omvang van hun werktijd, de inzet die zij moeten leveren, en met hun functioneren op het gebied van het pastoraat, de verkondiging en de bezinning.
De grotere dissatisfactie bij jongere predikanten kan in verband worden gebracht met de kloof die zij ervaren tussen het academische milieu dat zij verlaten hebben en de weerbarstige werkelijkheid in de gemeente die zij zijn gaan dienen.
Dat oudere predikanten meer tevreden zijn dan jongere kan te maken hebben met het feit dat zij meer greep gekregen hebben op de situatie, hun eigen verwachtingen meer afgestemd hebben op de concrete mogelijkheden (aanpassing). Maar ook is de verklaring mogelijk dat er sprake is van generatieverschil. Jongere predikanten kijken anders aan tegen roeping, beschikbaarheid en verantwoordelijkheid. Deze normen spreken de jongeren minder aan. In dit geval neemt de dissatisfactie niet af naarmate jongere predikanten ouder worden.

Positief verband
Wat de zelfwaardering in verband met de tevredenheid in het werk betreft, er blijkt over het geheel genomen een positief verband te zijn tussen zelfwaardering en arbeidssatisfactie. Zelfwaardering blijkt samen te hangen met de volgende eigenschappen van de persoon: actief, dynamisch, energiek, opgewekt, onafhankelijk, rustig en zelfbeheerst. Gebleken is dat mensen met een hoge mate van zelfwaardering vrede hebben met hun werk, geen onderscheid maken tussen wat zij zijn en wat zij graag zouden willen zijn, en te kennen geven dat zij optimistisch van aard zijn. Mensen met een geringe zelfwaardering hebben deze gevoelens niet. Bij predikanten wordt dan dikwijls een schuldgevoel gesignaleerd. Dat komt voort uit de continue spanning tussen wat de predikant in staat en bereid is te doen èn wat hij ervaart als verwachtingen vanuit de gemeente, die vaak ook nog tegenstrijdig zijn. Predikanten vallen wat de scores op de schaal van zelfwaardering betreft binnen de marge van het gemiddelde, zij het aan de onderkant daarvan.
Het blijkt dat de zelfwaardering van predikanten wordt beïnvloed door satisfactie en dissatisfactie-ervaringen. De uitkomsten van het onderzoek wijzen in de richting van een duidelijke geïnvolveerdheid van predikanten in hun werk.
De positieve kant daarvan is dat het ervaren van satisfactie in het werk kan bijdragen tot een positief zelfbeeld van de predikant. Er is echter ook een problematische kant aan, nl. dat zij niet in staat zijn hun zelfwaardering te beschermen tegen de teleurstellingen en de tegenslagen die zij in hun werk ondervinden.
Predikanten met een sterk normatief gekleurde motivatie hebben, zo wordt gesteld, in toenemende mate te maken met een kerkelijke werksituatie waarin zij niet of nauwelijks kunnen terugvallen op een in ruime kring geaccepteerde manier om de eigen taak te vervullen. Dat geeft onzekerheid en die onzekerheid maakt kwetsbaar.

Omvang
De omvang van de dissatisfactie blijkt uit het feit dat een aanzienlijk deel van de predikanten in de drie noordelijke provincies overweegt om van gemeente te veranderen, of om te zien naar een ambtelijke functie buiten de gemeente. Eén op de tien blijkt er regelmatig over te denken het ambt te verwisselen voor een seculiere betrekking.
Predikanten die overwegen een beroep naar een andere gemeente aan te nemen doen dat naarmate zij
- minder steun vanuit de kerkeraad ervaren
- het werk meer als een belasting beleven
|- meer conflicten en tegenstellingen ervaren.
Predikanten die op zoek gaan naar een functie buiten de gemeente zijn daartoe sterker geneigd als zij
- minder steun uit de kerkeraad ervaren
- een minder duidelijke visie op hun taak hebben
- een grotere belasting ervaren
- minder steun van huisgenoten ervaren
- meer met conflicten en tegenstellingen te maken hebben
- jonger zijn
- een lagere waardering hebben voor het doel: versterken van het geloof
- een sterkere veranderingsgezindheid aan de dag leggen.
Predikanten die hun ambt willen neerleggen doen dat op grond van dezelfde ervaringen. Alleen moet er nog een geringere zelfwaardering aan toegevoegd worden. De onvrede manifesteert zich verhoudingsgewijs het sterkst onder Gereformeerde predikanten.
Een van de redenen waarom predikanten geneigd zijn naar een andere functie in de kerk of in een seculier beroep is een sterkere veranderingsgezindheid, zo vernamen we. De veranderingen die deze predikanten willen, hebben te maken met groeiende kerkverlating, afnemend kerkbezoek, toenemende moeite om gemeenteleden bereid te vinden bepaalde taken op zich te nemen. Kerk en gemeente moeten naar hun mening inhoudelijk en structureel veranderen willen zij adequaat kunnen reageren op zich wijzigende omstandigheden. Zij krijgen daarvoor geen ruimte wegens heersend conservatisme in de gemeente, of zij zien de mogelijkheden daar niet toe.
Betrekken we bij de arbeidssatisfactie de tijdsbesteding dan blijkt de tijdsbesteding alleen met tevredenheid samen te hangen als het activiteiten betreft, waaraan de predikanten meer tijd kunnen geven en als zij deze activiteiten belangrijk en bevredigend vinden.
Verder valt op dat de taakidentiteit van belang is met betrekking tot de satisfactie. Hoe duidelijker predikanten zelf weten wat hun taak in de gemeente is, en wat hun eigen bijdrage kan zijn in het functioneren van de gemeente, des te tevredener zij zijn met hun werk.
De uitkomsten van dit onderdeel van het onderzoek doen vermoeden dat voor predikanten die een vrij traditionele opstelling in hun werk hebben de voorwaarden voor het ervaren van tevredenheid gunstiger zijn dan voor predikanten die meer op verandering en vernieuwing gericht zijn. Voor de satisfactiebeleving lijkt het van belang een duidelijke taakidentiteit te hebben. De vraag is op welke wijze daar invulling aan gegeven wordt. Nu is men nog geneigd om hierover te denken in termen van roeping en verantwoordelijkheid. Nadenken over de mogelijkheden voor een bevredigender functioneren van predikanten betekent, zo stelt Keizer, nadenken over de vraag of een andere taakidentiteit mogelijk is, passend bij de veranderde en veranderende situatie waarin predikanten verkeren, een taakidentiteit die als geloofwaardig en als authentiek kan worden beleefd en houvast geeft bij het maken van keuzen, waar predikanten in hun werk voortdurend voor staan.

Taakidentiteit
In het laatste, het zevende hoofdstuk geeft Keizer een soort nabeschouwing. Hij komt terug op de vraag of een wijziging van de taakidentiteit van de predikant mogelijk is. Hij doet de suggestie dat predikanten en gemeente hun eigen identiteit als zodanig op papier zetten. Zij kunnen dan nagaan of zij als contractpartners een overeenkomst kunnen sluiten waarin wordt vastgelegd wat men van elkaar verwacht en verlangt, en waartoe men zichzelf en de ander verplicht. Dat lijkt hem een betere methode dan de bestaande beroepingsmethode om te bewerkstelligen dat predikant en gemeente goed bij elkaar passen.
De predikant dient te zeggen hoe hij de rol van de predikant in de gemeente ziet, welke visie hij op de gemeente heeft, en hoe hij de verhouding predikant-gemeente ziet. Hierbij kan ook een psychologisch onderzoek overwogen worden, hoewel dat niet zonder problemen is.
De gemeente dient een analyse van de eigen situatie en vooruitzichten te maken. De gebruikelijke profielschets is ontoereikend. De vraag moet worden beantwoord: Hoe willen wij nu en in de toekomst als gemeente functioneren? Dat bepaalt de invulling van de rol en de taak van de predikant, en niet de wijze waarop deze de voor de hand liggende predikantstaken zal moeten verrichten.

De dagelijkse ervaring
Tot zover de beknopte weergave van de resultaten van het onderzoek dat dr. Keizer heeft verricht en de conclusies die hij eruit getrokken heeft. Het leek mij gewenst u deze weergave te bieden.
Wij geven ons doorgaans wel rekenschap van de theologische aspecten van het ambt dat wij vervullen, en denken na over de roeping tot het ambt en de inhoudelijke eisen die daar naar Bijbelse normen aan worden gesteld, maar wij zijn veel minder bezinnend bezig met de empirie van het predikantswerk, dat toch zijn zeer menselijke kanten heeft.
Sommigen zullen zich door deze empirische analyse en de daarop gebaseerde conclusies niet zo aangesproken voelen. Anderen zullen toch wel het een en ander herkennen.
Het zou van belang kunnen zijn na te gaan in hoeverre wij in onze kring onze winst zouden kunnen doen met deze studie, teneinde disfunctioneren en dissatisfactie te voorkomen, of op te heffen.
Dr. Keizer zou wellicht ons rekenen tot de predikanten met een traditionele opstelling in het werk en dus met gunstiger conditites voor het ervaren van tevredenheid met het werk en de werkomstandigheden, vermoedelijk. Maar dat wil niet zeggen dat het in de empirie altijd zo geweldig gaat. Wie heeft niet te maken met spanningen en teleurstellingen in het werk? Ook ons en onze gemeenten raakt de veranderde positie van de kerk in de maatschappij. De gevolgen daarvan gaan ons niet voorbij. Ik denk dat het goed is als ook wij ons bezinnen op de vraag of de gebruikelijke traditionele opstelling in het werk onder alle omstandigheden het meest bevorderlijk is om onze door God gegeven roeping te vervullen. Al zie ik het in onze sector van de kerk niet gebeuren dat de onder ons gangbare beroepingsprocedure vervangen gaat worden door die van het contractpartnerschap, dat wil niet zeggen dat bezinning op de praktijk van het beroepingswerk overbodig zou zijn onder ons. Wordt altijd wel zorgvuldig nagegaan of predikant en gemeente bij elkaar passen? Als dat niet zo is, betekent dat voor beide partijen frustratie en verdriet.
Het zal u opgevallen zijn dat het woord werkdruk tot nu toe niet is gebruikt. Ik heb het in het boek van Keizer nauwelijks aangetroffen. Maar de zaak waar het om gaat kwam wel aan de orde.
Het woord werkdruk suggereert dat een zodanige druk door het werk wordt uitgeoefend, dat degene die het moet doen eronder dreigt te bezwijken. We denken al gauw aan overvolle agenda's en mensen die het werk nauwelijks aankunnen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 januari 1990

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

De werkdruk van predikanten (2)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 januari 1990

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's