De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Augustinus (2)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Augustinus (2)

9 minuten leestijd

Genadetijd
Monnica maande haar zoon om toch een wettig huwelijk aan te gaan. Hij zond zijn concubine terug naar Afrika, zij het met een bloedend hart. 'Mijn wonde, die door deze scheiding was geslagen, genas niet, maar na het heftigste gloeien en de hevigste pijn begon zij te ontsteken.' Op een dag krijgt Augustinus bezoek van een zekere Ponticianus. Deze vertelde hem van de bekering van twee jonge mannen. Ze hadden hun vermogen en hun wereldse leven eraan gegeven om zich geheel te wijden aan de dienst van God. Deze woorden maken diepe indruk op Augustinus. Hij zegt tegen zijn vriend Alypius: de ongeleerden staan op en nemen de hemel, en wij met onze geleerdheid, zie hoe wij ons wentelen in vlees en bloed. Daarop loopt Augustinus de tuin in en Alypius volgt hem. Augustinus' gemoed schiet vol. Hij werpt zich onder een vijgeboom neer en laat zijn tranen de vrije loop. Hij roept in grote nood tot zijn God: 'Hoe lang Heere, zult Gij eeuwig toornen? Gedenk ons de vorige misdaden niet.' Hij ziet uit naar de tijd van Gods genade. Daarop hoort hij een stem, die tot hem spreekt: tolle lege, tolle lege, dat wil zeggen: neem en lees, neem en lees.
Hij houdt het ervoor, dat hem bevolen wordt het boek, dat hij meenam in de tuin te openen en het eerste het beste vers, waarop zijn oog valt, te lezen. Hij geeft gehoor aan het woord, dat als het ware door God zelf tot hem gericht is. Hij loopt haastig terug naar Alypius, neemt het boek en leest: Niet in brasserijenen dronkenschappen, niet in slaapkameren en ontuchtigheden, niet in twist en nijdigheid; maar doet aan de Heere Jezus Christus en verzorgt het vlees niet tot begeerlijkheden' (Romeinen 13 : 13, 14).
Dit Woord was voor Augustinus de kracht Gods tot zaligheid. Het Woord, dat zijn leven vernieuwt. Hij schrijft erover in zijn 'Belijdenissen'. 'Terstond toen ik deze woorden ten einde gelezen had, stroomde als het ware het licht der gemoedsrust mijn hart binnen en alle duisternis van twijfel vlood heen.' De genadetijd breekt door.
Met vreugde deelt hij deze diep in zijn ziel grijpende gebeurtenis mee. Het is als de blijmare over de geboorte van een kind. Hij verwoordt het als volgt: 'Wij verhalen, hoe het zich heeft toegedragen: zij springt op van vreugde en triumfeert en prees U, die machtig is te doen boven al wat wij bidden of denken... Want Gij had mij tot U bekeerd...'
Wat is ondertussen de zonde hem tot een last geworden en daartegenover het dienen van de Heere een vreugde. 'Wie was ik en hoedanig was ik? Wat voor kwaad is er, dat ik niet gedaan heb, of zo niet gedaan dan toch gezegd heb, of zo niet gezegd dan toch gewild heb? Maar Gij, Heere, zijt goed en barmhartig...' De Heere deed hem buigen onder Zijn zachte juk en Zijn lichte last. 'Christus Jezus, mijn Helper en mijn Verlosser... Hoe liefelijk was het mij plotseling geworden, de liefelijkheid der ijdele genietingen te ontberen, en terwijl ik vroeger gevreesd had ze te verliezen, was het me nu een vreugde ze te laten varen.'
Het is voor hem geen vraag waar dit alles vandaan komt. Hij heeft niet zelf gedaan. De Heere kwam tot hem in het gewaad van Zijn genade-woord. Hij opende de vergrendelde deur van zijn hart. Hij trad binnen in de beslotenheid van zijn ziel. Hij nam de rommel van de zonde weg uit de kamers van zijn hart. Hij noemt in dit verband de Heere de ware en hoogste Liefelijkheid. 'Gij wierp de ijdele genietingen uit en trad in hun plaats binnen, zoeter dan ieder genot, maar niet voor vlees en bloed, stralender dan ieder licht.'
Wie denkt bij het lezen van deze regels niet aan de woorden van Psalm 73 : Wie heb ik nevens U in de hemel, nevens U lust mij ook niets op deze aarde.
Deze ontmoeting met de levende God doet hem uitzien naar weer nieuwe blijken van Zijn gunst door het lezen en onderzoeken van Zijn Woord. Omgekeerd drijft het Woord hem uit tot God.
'Hoe riep ik tot U, mijn God, toen ik de Psalmen van David las, liederen van geloof, klanken van vroomheid... Hoe riep ik tot U bij het lezen van die Psalmen en hoe ontvlamde ik door hen tot U en hoe werd ik aangevuurd om hen, als ik had gekund, te zingen voor de gehele wereld tegen de trots der mensheid...'

'Belijdenissen'
Nu weten we door welke diepte Augustinus is heengegaan en tot welke vreugde in God hij gekomen is, gaat het begin van zijn 'Belijdenissen' nog meer voor ons betekenen. Het hele boek is een gebed, dat hij 11 jaar na zijn bekering heeft opgeschreven.
Hij begint met de lof van God, vanwege Zijn genade.
'Groot zijt Gij, o Heere, en zeer te prijzen; groot is Uw kracht van Uw verstand is geen getal. En de mens wil U prijzen... Gij wekt hem ertoe op, dat het zijn lust is U te loven, want Gij hebt ons geschapen tot U en ons hart is onrustig tot het rust vindt in U.'
Dat zegt Augustinus 11 jaar na zijn beke­ring. Hij is dan ondertussen geen bekeerde geworden. Nee een ellendig schepsel, dat ook na al de bewijzen van genade moet en mag zeggen: 'Zo Gij Heere de ongerechtigheden gadeslaat, Heere wie zal bestaan?'
Daarom smeekt hij de Heere, die hem de goddeloosheden van zijn hart vergeven heeft, om de betoning van Zijn gunst, om de bevestiging van Zijn barmhartigheid. 'Zeg mij om Uw barmhartigheden, o Heere, mijn God, wat Gij mij zijt. Zeg tot mijn ziel: Ik ben Uw heil. Ja zeg dat, opdat ik het hore... Verberg Uw aangezicht niet van mij: laat mij sterven, opdat ik niet sterve, maar Uw aangezicht aanschouw.'
Voor Augustinus ligt het leven dus in het aanschouwen van Gods vriendelijk aangezicht. Dat gaat voor hem verre uit boven het aardse bestaan. Dat wil bepaald niet zeggen, dat Augustinus zich aan al het aards gedruis heeft onttrokken. Nee zo heeft hij geleefd en gewerkt. En zo heeft hij veel voor anderen en veel voor de opbouw van Christus' Kerk in deze wereld mogen betekenen. Zo heeft hij veel voor de toenmalige wereld mogen betekenen. We komen daar in het vervolg nog op terug. Het gaat hier om de waardering van God en het leven met God. Wie is Hij voor ons? Augustinus bidt: 'Te eng is het huis van mijn ziel, dan dat Gij daarin tot haar zou komen: verruim Gij het. Bouwvallig is het, vernieuw het. Er zijn dingen aan, die Uw ogen kwetsen... Reinig mij van mijn verborgen afdwalingen.'

Psalm 4
Mediterend over Psalm 4 schrijft hij nog eens over zijn bekering: 'Want daar, waar ik op mij zelf vertoornd was geworden, in mijn binnenste vertrek, waar ik getroffen was, waar ik getroffen was, waar ik mijn oude mens geslacht en geofferd had, en, toen ik over mijn vernieuwing begon na te denken, hoopte op U, daar waart Gij begonnen mij liefelijk te worden en had vreugde in mijn hart gegeven. En ik schreeuwde het uit, toen ik uiterlijk las en innerlijk aanvaardde.'
Omdat God voor hem liefelijk was geworden. Wie is deze God anders dan God in Christus. Hij spreekt God aan met: Christus Jezus, mijn Helper en mijn Verlosser. Dat is de Naam, die zijn moeder hem reeds met de moedermelk had ingegoten. Dat is de Naam, die bisschop Ambrosius hem had verkondigd. 'Langs al die figuren was Christus hem steeds nader gekomen, zodat hij later kan zeggen, dat hij het - Evangelie niet zou hebben geloofd, als het gezag der Kerk hem er niet toe had bewogen. En toch zou hij zijn nek niet gebogen hebben onder het zachte juk van Christus, zo er niet het goddelijke bevel: neem en lees! was geweest. Maar dan valt de beslissing en overschrijdt hij de drempel van het oppervlakkige Arianisme en het bloedarme Platonisme.' (W. Aalders).
Augustinus mocht omhelzen 'de Middelaar Gods en der mensen, de mens Christus Jezus, dewelke is God boven allen te prijzen in der eeuwigheid, die roept en zegt: Ik ben de weg, en de waarheid en het leven, en die spijs, welke ik niet in staat was tot mij te nemen, in verbinding bracht met het vlees, want het Woord is vlees geworden.'
Jarenlang had Monnica voor haar zoon gebeden. Jarenlang had zij ernaar uitgezien, dat hij tot bekering mocht komen. Eens had ze de hulp ingeroepen van bisschop Ambrosius en hem gevraagd om met haar zoon te spreken. Toen hij weigerde en zij bleef aandringen wierp Ambrosius haar toe: ga weg van mij, zo waar als gij leeft, is het onmogelijk, dat een zoon van zulke tranen verloren gaat. Monnica had deze woorden gehoord alsof ze van de hemel tot haar geklonken hadden.
Welnu, de Heere heeft deze woorden van Ambrosius in het leven van Augustinus willen vervullen. Uit genade alleen.
In hetzelfde jaar 387 wordt Augustinus tesamen met zijn zoon Adeodatus in Milaan door Ambrosius gedoopt.
Kort daarop keert Augustinus terug naar Afrika. Onderweg sterft zijn moeder.
Monnica's levenstaak is ten einde. Enkele dagen voor zij mocht ingaan in de vreugde van haar Heere sprak zij tot Augustinus: 'Mijn zoon, wat mij aangaat, niets in dit leven bekoort mij nog. Wat ik hier nog moet doen en waarom ik hier ben, weet ik niet; want van deze wereld verwacht ik niets meer. Eén ding was er, waarom ik nog enige tijd in dit leven wenste te blijven, namelijk, dat ik u mocht zien als een katholiek christen vóór mijn sterven. Meer dan mijn verlangen heeft God mij geschonken, zodat ik zelfs mag zien, dat u met verachting van aards geluk Zijn dienaar bent. Wat doe ik hier nog?'
Zij had de plaats, waar zij begraven zou worden aan haar zoon overgelaten. Al eerder had ze gezegd: 'Niets is ver van God, en ik behoef niet te vrezen, dat Hij in het einde der eeuwen de plaats niet zou kennen, waar Hij mij zal opwekken.'
Op de leeftijd van 56 jaar in het jaar 387 stierf zij en zo zegt Augustinus, 'stierf zij in het geheel niet'... 'Wie zal Hem Zijn onschuldig bloed teruggeven? Wie zal Hem de prijs terugbetalen, waarvoor Hij ons gekocht heeft, om ons aan Hem te ontrukken?'

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 februari 1990

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Augustinus (2)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 februari 1990

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's