De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Boekbespreking

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Boekbespreking

6 minuten leestijd

ds. J. Hanegraaff, Met de Torah is het begonnen II, De voortgang van het Woord in Tenach en Septuagint, 354 blz., ƒ47,50, Uitgeverij G.F. Callenbach B.V., Nijkerk, 1989.
Dit in zijn opzet originele werk bestaat uit drie delen. Het eerste deel verscheen in 1988 en droeg als ondertitel Oecumenische inleiding in het Oude Testament. Ik heb het toen getypeerd als een integratie van rooms-katholieke en (kritisch)-protestantse opvattingen over de Heilige Schrift op basis van elementen uit de traditie van het synagogale jodendom. Wat de schrijver beoogt komt in dit tweede deel pas goed uit de verf. Hij ziet de opbaring als een voortgaand proces. Dat proces is reeds aanwijsbaar in de totstandkoming van Tenach (de Hebreeuwse Bijbel).
De uitstraling van de hegeliaanse filosofie werkt door in de inleidingswetenschap van het O.T. Dat is duidelijk te zien bij Johann Karl Wilhelm Vatke. Uit een stamreligie heeft zich onder invloed van Mozes een nationale religie ontwikkeld, uit deze nationale religie onder invloed van de profeten een ethische religie en uit die ethische religie is dan de Pentateuch ontstaan. Het is de lijn natuurgodsdienstigheid-profetisme-nomisme. Julius Wellhausen past dit schema dan weer toe op de Pentateuch: de wellhausiaanse wending. Aan de Pentateuch liggen vier bronnen ten grondslag: J, E, D en P: de Jahwist, Elohist, Deuteronomium en de Priestercodex. Daardoor wordt ten dele chronologisch maar vooral theologisch de volgorde Tora-Nebiim-Ketoebim omgekeerd. Uitgangspunt is de natuurgodsdienstigheid die door Hanegraaff min of meer wordt gelijkgesteld met 'de wijsheid der volken'. Hij meent dat door dit schema het openbaringskarakter van Tenach en de Septuaginta (de Griekse vertaling van de Hebreeuwse Bijbel, ontstaan in de derde en tweede eeuw v. Chr. in Alexandrië) niet wordt aangetast maar veeleer wordt verbreed en verdiept tot een aanvaardbaar perspectief (36). De Ketoeba vormt een indirect-geïnspireerd en uitzuiverend midden tussen enerzijds de 'hoogcanon' van de Tora en Nebiim en anderzijds de Chokma gojim (wijsheid der volkeren). Daarin herkent en begroet het Woord het Woord.
Behalve de eerste Ketoeba die haar weerslag heeft in de Ketoebim is er een tweede Ketoeba. Dit is de traditie, de mondelinge overlevering, de publieke opinie, de pietas fidelium. Deze pietas fidelium of het algemeen geloofsgevoelen is ook een belangrijke factor in de ontwikkeling van de kerkleer in het Rooms-Katholicisme. Door gebruik te maken van het criterium van de concensus kan men de pietas fidelium onderscheiden van de pietas infidelium. Er moet namelijk overeenstemming bestaan met enerzijds de Wet en de Profeten en anderzijds met het algemeen gevoelen van de gemeenschap. Wat het hart is van het Evangelie, de opstanding, wordt door de mondelinge overlevering via de Ketoeba teruggelezen in de Wet en Profeten. 'Wie derhalve met een beroep op het Sola Scriptura van het Oude en het Nieuwe Testament tezamen, de mondelinge traditie verwerpt, die zaagt — zij het halverwege — de tak door waarop hij of zij zit' (89 v., zie ook 99). Het schisma tussen kerk en synagoge moet op dit punt te overbruggen zijn. Het gaat terug op een interjoods conflict: de tegenstelling Sadduceeën-Farizeeën.
De Septuaginta is niet slechts te zien als een vertaling maar ook als een voortzetting van Tenach. Er vindt een zekere herkenning plaats van het Woord van God uit de Tora in de Wijsheid van God in de voorstellingswereld van het hellenistische Alexandrië. In dit verband komt ook Philo ter sprake.
Op basis van de citaten uit Tenach in het N.T., verdeeld over de drie onderdelen': Tenach, Nebiim en Ketoebim, onderscheidt Hanegraaff nu ook in het N.T. een soortgelijke indeling: Besora (Evangelie), Sjelichim (Apostelen) en Ketoebim (Efeziërs, de pastorale en algemene brieven en Openbaring). Hij bedenkt daarvoor het kunstwoord Sjebach (186). Tussen de eerste en tweede Ketoeba van het N.T. bestaat eenzelfde relatie als tussen de eerste en tweede Ketoeba van Israël. Het evangelie van Lucas is het midden van de Besora wanneer men ook de Handelingen bij de vier evangeliën telt. Evenzo is het boek Leviticus het midden van de Tora. Zowel in Tenach als Sjebach staat de verzoening centraal.
Leest men Jes. 7 : 14b (Ziet, een maagd zal zwanger worden en zij zal een Zoon baren en zij zal Zijn naam heten Immanuël) bij het licht van de Ketoeba die aan het woord komt in de vertaling van de Septuaginta en de Ketoeba van de kerk, dan zal men instemmen met de belijdenis van het Maria semper virgo (Maria-altijd-maagd). De broers en zusters van Jezus zijn dan ook Zijn halfbroers en -zusters. Er zou een kern van waarheid kunnen schuilen in het Protevangelie van Jacobus. Jozef zegt daar: zonen heb ik (reeds) en ik ben een oud man' (233).
Zonder volledig te willen zijn plaats ik bij dit tweede deel de volgende kanttekeningen:
1. Door zo breedvoerig in te gaan op de invloed van de filosofie op de bestudering van het O.T. is nog weer eens opnieuw aangetoond dat de beoefening van de bijbelwetenschap niet waardevrij is. Wellhausen wilde per se geen hegeliaan zijn (28). Toch was hij niet slechts als mens maar ook als vakgeleerde in de ban van 'de geest van de eeuw'. Het materiaal dat Hanegraaff aandraagt noodzaakt ons tot een hernieuwde bezinning op de wijze waarop de bijbelwetenschap beoefend wordt en beoefend moet worden.
2. De opvatting van Hanegraaff over de traditie lijkt mij bij het licht van het N.T. niet houdbaar. Jezus zet niet de Ketoeba voort maar pelt juist het evangelie uit de overlevering der ouden: Meent niet, dat Ik gekomen ben om de Wet en de Profeten te ontbinden. Ik ben niet gekomen om die te ontbinden maar te vervullen. Mat. 5 : 17.
3. Er zijn ook historische argumenten tegen deze visie op de traditie aan te voeren. Simon de rechtvaardige was geen hogepriester omstreeks 270 maar 200 v. Chr. In zijn loflied op de vaderen prijst Jezus Sirach hem als zijn tijdgenoot. Uit de gegevens van Flavius Josephus, enkele Pseudepigrafen (o.m. uit de Henoch-traditie) en Qumran blijkt dat er in deze periode verschillende, elkaar uitsluitende tradities hebben bestaan. Telt alleen de joodssynagogale traditie?
4. Het lijkt me dat we met het gebruik van kunstwoorden erg voorzichtig moeten zijn. 'Ketoeba' als aanduiding van de Geschriften is wel een Aramees woord maar eindigt op een alef. Het zou dus geschreven moeten worden met een hoge komma als slotletter en niet met een 'h', dus 'Ketoeba" en niet 'Ketoebah'. Het Hebreeuws kent ook wel het woord 'Ketoebah' maar dat betekent 'document' en dan vooral het document dat je tekent bij het huwelijk, de bruidsschat.
5. De visie op Maria doet afbreuk aan het evangelie: Het Woord is vléés geworden..., Joh. 1 : 14.
Conclusie: Bestudering van dit boek dat enorm veel materiaal aandraagt, overtuigt ons nogmaals van de verwevenheid van bijbelwetenschap en geloof. Men leze wat Hanegraaff schrijft over Hegel, Feuerbach, Marx, en ... Abraham Kuyper. Met de inleidingswetenschap van het O.T. zit je al midden in de dogmatiek.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 februari 1990

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Boekbespreking

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 februari 1990

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's