De werkdruk van predikanten (3)
'Aan tijd gebonden' is de titel die Keizer aan zijn publicatie gaf. Toch is de druk die het werk op de predikant uitoefent niet alleen bepaald door de hoeveelheid werk die in een bepaalde tijd gebeuren moet. Het is waar dat wij door de verscheidenheid van taken en de hoeveelheid van het werk het gevoel kunnen geven dat wij tijd tekort komen. We horen het elkaar nog al eens zeggen.
Toch valt het op dat er ondanks het hoge gemiddelde van een 58-urige werkweek bij de predikanten in de drie noordelijke provincies toch zulke grote verschillen zijn dat sommige predikanten maar de helft van het aantal uren maken die anderen aan hun werk besteden.
Wil dat nu zeggen dat b.v. de werkdruk voor de predikant die 36 uur per week werkt veel geringer is dan voor zijn collega die 84 uur opgeeft? Dat is de vraag. Ik kan me zelfs voorstellen dat de predikant, die naar verhouding zo weinig uren maakt, de werkdruk als even zwaar ondervindt als de collega die meer dan tweemaal zo lang bezig is.
Die laatste kan een zeer gemotiveerde predikant zijn, een energiek en dynamisch persoon, borrelend van dadendrang, fysiek en mentaal sterk, wie het werk als het ware op het lijf geschreven staat, en bovendien zich verheugen mag in gunstige arbeidsomstandigheden in de gemeente, die zijn werk met voldoening en vreugde verricht. Hij ervaart de werkdruk niet als belastend, maar veeleer als een middel om fijn aan de gang te zijn.
De predikant met de 36-urige werkweek zou, gegeven een heel andere persoon, die in totaal andere omstandigheden verkeert, de werkdruk wel als belastend kunnen ervaren. Er behoeft geen sprake te zijn van een mindere motivatie. Maar er kunnen psychisch remmende factoren zijn, waardoor hij nauwelijks tot bepaalde werkzaamheden komen kan, b.v. communicatiemoeilijkheden, die hem verhinderen veel aan het pastoraat te doen en zich in te zetten voor kringwerk of bestuurlijke arbeid. Het is denkbaar dat iemands fysieke krachten niet toereikend zijn om langdurig bezig te zijn. Gezinsomstandigheden kunnen meer dan gemiddeld tijd en energie opeisen.
Niet zo eenvoudig
Ik geef toe dat dit extreme voorbeelden zijn. Ik gebruik ze om duidelijk te maken dat werkdruk in de belastende zin van het woord niet zo eenvoudig te bepalen is. Er spelen allerlei factoren een rol. Het is nu eenmaal een feit dat de een meer aan kan dan de ander en dat niet ieders omstandigheden gelijk zijn. Wij zullen daar rekening mee moeten houden.
Dit neemt niet weg dat we ons ook af mogen vragen of predikanten die werkweken maken het ook niet anders zouden kunnen doen. Een stuk bezinning op een goede taakidentiteit en een schifting tussen noodzakelijke en minder noodzakelijke activiteiten kan de arbeidstijd tot redelijker proporties terugbrengen, zodat er ook tijd overblijft voor de noodzakelijke aandacht waar de huisgenoten recht op hebben. Het is niet ten onrechte dat die soms de gemeente als rivaal beschouwen.
De vraag is ook of het van een goede taakidentiteit getuigt, wanneer men zich als slaaf van de gemeente gedraagt. Is er dan vooral niet het gevoel van onvrijheid dat Keizer in verband brengt met te weinig distantie tot het werk?
Jaren geleden is het de predikanten voorgeschreven om elk jaar een verslag te maken en dat met hun kerkeraad te bespreken. Wanneer dat gebeurt is dat de gelegenheid om zich samen te bezinnen op de taken van predikant en kerkeraad. De kerkeraad laat het erbij zitten als hij alleen maar onder de indruk is van de enorme hoeveelheid werk die de predikant opsomt, en nalaat kritische vragen te stellen en mogelijkheden te opperen om de werkdruk voor de predikant te verlichten.
Zeker als de predikant triomfantelijk zou opsommen wat hij allemaal heeft gepresteerd, mag gevraagd worden of hij niet bezig is te werken om het werken zelf en of het zelfbeeld waarom hij verlegen schijnt niet ziekelijke trekken vertoont.
In sommige gevallen kan een pastoraal gesprek van de kerkeraad met de predikant over zijn werk noodzakelijk zijn. Ook in het geval dat de predikant zijn beschikbaarheid in het pastoraat te sterk laat prevaleren boven de noodzakelijke studie en voorbereiding voor de prediking.
Andere kant
We hebben echter gehoord dat er ook een andere kant aan is. Ik denk aan de geringe zelfwaardering die er is als predikanten schuldgevoelens hebben omdat zij niet in staat of bereid zijn te voldoen aan de nogal tegenstrijdige verwachtingen, die in de gemeente leven. Ik denk dat het vooral de jongere predikanten zijn die daaronder lijden. Het getuigt ervan dat zij door ervaring wijs geworden zijn als zij, zonder verlies van hun motivatie, geleerd hebben te handelen naar het gezegde: Niet het vele is goed, maar het goede is veel. Ook in deze leert men al doende.
De consumptieve instelling van de gemeenteleden is in Hervormde gemeenten nog sterk aanwezig en mede verantwoordelijk voor de werkdruk die predikanten ervaren. Hoe moeilijk die houding ook te doorbreken is, toch is het van belang dat gemeenteleden leren ook zelf bepaalde taken op zich te nemen. Het kan de mentale en fysieke werkdruk van de predikant aanmerkelijk verlichten. Soms beschouwt men de predikant werkelijk als een manus van alles en moet hij z'n kostbare tijd besteden aan dingen die hem verhinderen voldoende aandacht en tijd te besteden aan kerntaken zoals predilang, onderricht en pastoraat.
In déze tijd
Aan tijd gebonden betekent niet alleen dat een dag maar 24 uur heeft, maar ook dat wij leven in déze tijd.
Keizer heeft het in zijn boek over het predikantschap als een beroep dat in deze tijd op de tocht staat. Dat wordt veroorzaakt doordat de kerk naar de rand van de samenleving verdwijnt. Door de mondigheid van de gemeenteleden en het individualiseringsproces, dat ook in de gemeente aan de gang is, lijkt het steeds moeilijker zich als predikant de herder van de gemeente te voelen. Ik zou wel willen weten of wat Keizer signaleert ook geldt voor ons en onze gemeenten, die als behoudend kunnen worden getypeerd. Als het zo is dat predikanten hun taak als herder van de gemeente minder duidelijk ervaren, geeft dat spanning t.a.v. onze roeping. Dat doet zich ook voor als het gezaghebbend spreken als dienaar van het Woord, het leerambt, vanwege de mondigheid van de gemeenteleden niet meer zo wordt aanvaard. Het verhoogt de druk waaronder men werken moet.
Gezegd wordt dat de predikant ook als zielzorger niet meer zo uit de voeten kan, omdat hij voor echte hulpverlening vaak onvoldoende is opgeleid en toegerust. En het is waar dat gemeenteleden die problemen hebben tegenwoordig eerder naar de psychiater of de maatschappelijk werker gaan dan dat zij hulp bij de pastor zoeken. Als de predikant in het crisispastoraat in aanraking komt met psychische en sociale problematiek dan wordt wel verwacht dat hij ook daarin meehelpt om oplossingen te vinden. Maar hij is daarvoor niet gekwalificeerd. Hij kan derhalve niet meer de generalist zijn die de predikant vroeger was. Hij voelt zich eerder een dilettant. Dat geeft gevoelens van frustratie en onzekerheid. Ongetwijfeld verhoogt ook dit de werkdruk.
Daar komt bij dat de secularisatie geen halt houdt bij de grenzen van onze gemeente. De geest van deze tijd dringt overal door en de gevolgen daarvan zijn merkbaar, al komen die in de ene gemeente eerder en duidelijker voor de dag dan in de andere. Predikanten die zich inzetten om de gemeente te bewaren bij het Woord werken onder een zware druk, daar zij merken hoe sterk de tegenstroom is waartegen zij moeten oproeien.
Afronding
Wanneer ik nu tot een afronding kom van wat ik u in dit referaat wil voorleggen, dan herhaal ik dat het goed is van het empirisch onderzoek dat Keizer verrichtte kennis te nemen.
Het zal voor ieder van ons duidelijk zijn dat voor de predikant die gemotiveerd zijn werk verricht de werkdruk aanzienlijk is te noemen. Men kan stellen dat dit altijd al zo is geweest. En dan heeft men gelijk. Dat neemt echter niet weg dat die werkdruk door alle veranderingen in kerk en maatschappij is toegenomen en mee bepaald wordt door de problemen waar we als kerk in deze tijd mee worstelen.
De indruk kan zijn gewekt, dat er niets anders te rapporteren is dan kommer en kwel. Dat die indruk wordt gewekt brengt het onderwerp met zich mee.
Daar staat tegenover dat tal van predikanten hun werk ondanks de gevoelens van onvrede en stress die zij soms hebben toch met grote trouw en inzet hun arbeid in de gemeente verrichten; gemotiveerd door de roeping waarmee de Heere hen tot het ambt geroepen heeft verkondigen zij het Woord, geven zij onderricht uit de Schriften, en behartigen zij het pastoraat, dankbaar dat zij dit werk mogen doen.
Zonder spanningen en werkdruk verloopt het niet in het predikantswerk. Maar dat is geen reden om ons daarover te beklagen. Veeleer een reden tot intens gebed, tot versterking van de omgang met God.
Hij is het, Die moed en kracht geeft. In het volgen van Christus schenkt Hij Zijn Geest. De Heilige Geest geeft ons de wijsheid die wij nodig hebben om in deze tijd ons ambt adequaat te vervullen, ook de gaven om in een periode vol veranderingen ons in te zetten zoals de situatie vereist.
Het belangrijkste is dat wij onze motivatie, die verankerd is in onze roeping van Godswege, niet verliezen, en blijven vertrouwen op Hem, Die gezegd heeft: 'Hij die u roept is getrouw, die het ook doen zal'.
Ik zeg dat niet om een stichtelijk slot te hebben, maar uit overtuiging. Het laat onverlet wat ik gezegd heb over de bezinning op de praktijk van het werk in onze aan deze tijd gebonden situatie.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 februari 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 februari 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's