Augustinus (3)
Diensttijd
Nu de genadetijd in het leven van Augustinus is aangebroken en het licht van Christus de nacht van de zonde verdrijft, kan hij niet langer in dienst van de welsprekendheid. Hij besluit 'de dienst van zijn tong aan de markt der woordenrijkheid te onttrekken' (Confessiones). Vanaf dat moment is zijn hart vervuld van de dienst des Heeren. Zijn diensttijd breekt aan. De tijd, waarin hij door Gods genade zijn leven mag besteden in de dienst van God en van zijn Heere en Zaligmaker Jezus Christus.
Oorlogsgeweld houdt hem nog wat op. In het jaar 388 — Augustinus is dan 33 jaar — keert hij terug naar Afrika. Hij landt in Carthago. In het jaar 391 brengt hij een bezoek aan een staatsambtenaar, die de gelofte gedaan had, dat hij alle begeerlijkheden en verlokkingen van de wereld zou vaarwel zeggen en in een klooster zich terugtrekken, wanneer hij verwaardigd werd uit Augustinus' mond Gods Woord te horen. Deze ambtenaar woont in Hippo Regius, ten westen van Carthago. Valerius is daar de bisschop (dat is voorganger) van de katholieke kerk. Langzamerhand is ook wel tot in Hippo Regius de grote welsprekendheid en zelfopofferende vroomheid van Augustinus doorgedrongen. Bisschop Valerius ziet al enige tijd om naar een presbyter, die hem in zijn arbeid kan bijstaan. Tijdens een kerkdienst komt Valerius met het voorstel aan de gemeente om Augustinus aan te stellen tot presbyter. Dit voorstel krijgt luide bijval van de gemeente. Tegen de gewoonte van zijn tijd in liet Valerius de nieuwe presbyter nog al eens preken. De gemeente van Hippo Regius hoorde hem graag. Ze liet dat blijken in lofprijzing en soms wel in applaus.
Augustinus liet zich dat niet helemaal welgevallen. 'Ik stel', zo sprak hij, 'in het geheel geen prijs op de lof van hen, die naar mijn woorden wel horen, maar er niet naar leven. Te zeggen, dat ik in het geheel geen prijs stel op lof van hen, die zich wel laten gezeggen, zou hen tot ondankbaarheid stemmen en dat wil ik niet.' Dat niet alles Augustinus in dank werd afgenomen, moge blijken uit het volgende voorval.
In de katholieke kerk van Hippo was het zoals ook elders in Afrika de gewoonte om de sterfdagen van de martelaren te gedenken. De sterfdag gold als het begin van het nieuwe leven. Dat moest als een soort verjaardag worden gevierd, 's Morgens kwam de gemeente dan samen in de kerk, maar 's middags en 's avonds ontaardde dat meer dan eens in een dronkemansbende. Augustinus neemt de bestrijding van dit kwaad met kracht ter hand. 'Tegen de ontucht treedt de kerk op, en hen, die zich eraan schuldig maken, sluit ze uit van de gemeenschap der sacramenten. Maar waarom alleen dat? Waarom gaat de kerk niet in tegen brasserijen en dronkenschappen, hoewel de apostel onder degenen, met wie men niet zal eten ook de dronkaards noemt? (1 Kor. 5 : 11). In 393 besluit een concilie, dat geen bisschoppen of geestelijken maaltijden zouden houden, en dat ook de gemeenten zoveel mogelijk van dergelijke maaltijden zouden worden afgehouden.
Op de eerste zondag van de vastentijd wees Augustinus er de gemeente op, dat Jezus met nog veel groter verontwaardiging de dronkemanspartijen uiteengedreven zou hebben, dan hij de verkopers uit de tempel gedreven had. Wat maakt het huis Gods meer tot een moordenaarskuil: ie koophandel of dat brassen? Hij hield de gemeente voor de woorden van Psalm 89. Indien zijn kinderen zijn wet zouden verlaten en in Zijn rechten niet zouden wandelen, dat Hij dan hun overtreding met de roede zou bezoeken en hun ongerechtigheid met plagen. Bij het horen van deze woorden barstte de gemeente in tranen uit. Ook Augustinus weende. De volgende dag zou het feest gevierd worden ter ere van de martelaar Leontius. Augustinus vermaant de gemeente om te horen naar het woord van de apostel Petrus: Dewijl dan Christus voor ons in het vlees geleden heeft, zo wapent gij u ook met dezelfde gedachte, namelijk dat wie in het vlees geleden heeft, die heeft opgehouden van de zonde, om nu niet meer naar de begeerlijkheden der mensen, maar naar de wil van God, de tijd, die overig is in het vlees, te leven. Want het is ons genoeg, dat wij de voorgaande tijd des levens der heidenen wil volbracht hebben, en gewandeld hebben in ontuchtigheden, begeerlijkheden, wijnzuiperijen, brasserijen, drinkerijen en gruwelijke afgoderijen' (1 Petrus 4 : 1-3). Augustinus spoorde de gemeente aan om in plaats van het gebruikelijke feestmaal te gebruiken 's middags weer naar de kerk te komen voor Bijbellezing en psalmgezang.
De gemeente gaf gehoor aan de indringende woorden van haar presbyter, 's Middags was een nog grotere schare aanwezig dan 's morgens.
Hulpbisschop
Met hartelijke instemming van de gemeente wordt Augustinus in het jaar 395 tot hulpbisschop gewijd. In 396 volgt hij Valerius op als bisschop van Hippo Regius. Het is ongelooflijk, wat Augustinus als bisschop allemaal presteerde. En dan te bedenken, dat hij liever een teruggetrokken leven had geleid.
In de eerste plaats is het zijn taak en roeping om het Woord Gods te verkondigen. De preekstoel stond in de katholieke kerken van Noord-Afrika op het hoogste punt van de kerk en zij beheerste van daaruit het hele gebouw. Bediening van het Woord is nummer één. Dat is het ook voor Augustinus. Ik kom daar straks nog op terug en wil met enkele fragmenten uit zijn preken dit artikel besluiten. Behalve prediker was hij uitdeler van de sacramenten. Hij had de kerkelijke tucht te handhaven, en geestelijken te benoemen. Hij had het bestuur over goederen der kerk. Als zodanig was hij de baas van pachters en arbeiders. In bepaalde gevallen was hij ook nog eens rechter. Bij de wereldlijke rechter had hij het recht van tussenkomst.
Hij bezocht de weduwen en wezen van zijn gemeente en op verzoek ook de zieken. Als bisschop van de katholieke kerk was hij ook betrokken bij diverse concilies. Temidden van al deze werkzaamheden vond hij ook nog tijd om boeken te schrijven. Hij schreef 101 werken, waarvan alleen al zijn 'Confessiones' 13 boeken of delen omvat. 'De Civitate Dei' (De stad Gods) omvat 22 delen. Andere titels van zijn werken zijn: 'De Doop', 'De geest en de letter', 'Natuur en genade', 'De predestinatie van de heiligen', 'De leugen', 'Het goed van het huwelijk', 'Het catechetisch onderwijs aan nieuwelingen', 'De christelijke wetenschap', 'Uitlegging van de Psalmen', 'Uitlegging van het Johannes-Evangelie'.
Globaal genomen richt Augustinus zich hierbij tegen 4 soorten tegenstanders: 1) de manicheeërs, 2) de donatisten, 3) de pelagianen en 4) de heidenen. (J. van Oort).
Prediking
Zoals al gezegd, de prediking van het Woord Gods is nummer één. God zelf is, naar de overtuiging van Augustinus, daarin present en maakt het tot een vuur, dat verteert en tot een hamer, die een steenrots verbrijzelt... Het is de gloed van de Heilige Geest. Het Evangelie is de mond van Christus. Hij zit in de hemel, maar houdt niet op op de aarde te spreken. Laat ons niet doof zijn, want Hij roept. Laat ons geen doden zijn, want Hij dondert. (A.D.R. Polman, De theologie bij Augustinus). Op magistrale wijze weet Augustinus in de prediking Christus uit te schilderen. Als een meester, die zich in dienst weet te staan van de Heere, die knecht werd, neemt hij het penseel van het woord om uit te beelden wat niet te bevatten is. 'Mijn mond zal de lof des Heeren spreken, van die Heere door wie alles gemaakt is en die zelfgemaakt is als al het andere. Die Heere, die zijn Vader heeft geopenbaard en zijn moeder heeft geschapen; de Zoon van God, geboren uit de Vader zonder moeder; de Zoon des mensen geboren uit een moeder zonder vader. Hij is de grote dag der engelen, maar Hij is klein in de dagen der mensen. Hij is het Woord, dat God is voor alle tijden; het Woord, dat vlees geworden is, toen Zijn tijd gekomen was. De Schepper van de zon, die zelf onder de zon is geschapen. Hij is het die alle eeuwen hun loop geeft vanuit de schoot des Vaders, maar die de dag van vandaag zijn wijding geeft door geboren te worden uit de schoot van zijn moeder; die daar blijft en hier verschijnt...; die onuitsprekelijk wijs is, maar in zijn wijsheid een sprakeloos kind; die de aarde vervult maar ligt in de kribbe; die de sterren regeert, maar wordt gezoogd aan de borst van zijn moeder; zo groot in de gestalte van God, maar klein in de gestalte van een dienaar; terwijl toch door die kleinheid die grootheid niet verminderd werd, noch door die grootheid aan de kleinheid afbreuk werd gedaan.'
Hier spreekt de hartstocht van de prediker voor Christus, God geopenbaard in het vlees. Geleid door het woord van de apostel over Christus en die gekruisigd verkondigt hij het Woord Gods en dan vooral ook Christus. 'Alleen een prediking, die Christus brengt leidt tot het doel'. Wie Christus niet predikt maar op een andere wijze de schaapskooi van Christus binnendringt is een dief en rover. 'Om bij u,' zo belijdt hij, 'dat is in uw harten ingang te vinden, predik ik Christus... Ik treed door middel van Christus bij u binnen, niet in uw huizen, maar in uw harten.' Een geliefd beeld voor Christus is de geneesheer. Hij zegt in één van zijn preken, dat de wortel van alle ondeugden de hoogmoed is. 'Deze machtige zielsziekte heeft de Almachtige Geneesheer uit de hemel doen dalen; tot de gestalte van een dienstknecht heeft Hij zich vernederd, beledigingen verdragen, aan het hout gehangen, om dit gezwel door het heil van een zo groot medicijn te genezen.'
Middelaar
Behalve Geneesheer is Christus voor Augustinus ook de Middelaar, die voor ons zijn bloed heeft vergoten, het handschrift dat tegen ons was, heeft uitgewist en het tussen ons en God in orde brengt. Sprekend over Psalm 130 zegt hij: 'Wat is die verzoening anders dan het offer?... Het onschuldig vergoten bloed heeft alle zonden van schuldigen weggenomen en het geven van zo grote prijs kocht alle gevangenen vrij van de hand van de vijand, die hen gevangen hield.' Jezus Christus kwam tot ons met het Woord der genade. In Psalm 45 staat: Genade is op Zijn lippen uitgestort. Daarom mogen we ook zeggen: Jezus Christus kwam tot ons met de kus der genade. 'Wat is zoeter dan deze genade. Hij eiste niet wat verschuldigd was, maar betaalde, wat Hij niet schuldig was. Was soms de zondaar niet des doods schuldig? Of was u, zondaar iets anders schuldig dan de straf? Hij vergaf uw schulden en betaalde, wat Hij niet schuldig was. Een grote genade. Waarom genade? Hij vond u toen u verloren was en toen Hij u gevonden had, riep Hij u terug.'
Zo predikt Augustinus Christus. In aansluiting daarop verkondigt hij ook gaarne de weldaden van Christus. De vergeving der zonden, genezing van onze zonden in het hotel van de kerk en straks opname in het Vaderhuis, bevrijding van het bederf en van de begeerlijkheid. Verder noemt hij als weldaad: de praedestinatie. De verkiezing wordt ons met Christus geschonken. Is deze weldaad geen medicijn tegen de kwaal van het verkiezingsfatalisme? De verkiezing als weldaad gaat in de prediking en in de toepassing van het heil niet aan Christus vooraf, maar volgt uit Hem, die de Middelaar is.
Ondertussen weet Augustinus zeer wel, dat het Woord Gods ook een tweesnijdend scherp zwaard is, dat scheiding brengt.
'Het scheidt hem, die het treft van de wereld. Is dit het zwaard niet, waarvan de Heere zegt: Ik ben niet gekomen om vrede te brengen maar het zwaard? Hoor hoe het gekomen is om onderscheid en scheiding te maken. Het zondert de heiligen en goddelozen af en scheidt u van wat u hindert. Een zoon wil God dienen, maar de vader wil het niet; het zwaard, dat is het Woord Gods, komt. De zoon scheidt het van de vader. Een dochter wil, de moeder niet; door het zwaard worden zij van elkaar gescheiden... Overal waar dit tweesnijdend zwaard gehanteerd wordt, wordt Gods volk getroffen om op te staan, gescheiden om vergaderd te worden, gewond om genezen te worden, gedood om te leven.' Zo spreekt de grote kerkvader Augustinus nog nadat hij gestorven is.
Het einde
Terwijl de stad Hippo door de Vandalen belegerd werd, werd hij ernstig ziek. Hij gevoelde, dat zijn einde naderde. Hij had de boetepsalmen van David laten overschrijven op grote vellen en aan de muren van zijn kamer laten ophangen. De laatste 10 dagen van zijn leven wilde hij alleen zijn. Alleen met zijn God, die hij 35 jaar als bisschop had mogen dienen, tot Wie hij alleen kon naderen als een boetvaardige zondaar. 'Wees mij genadig o God naar Uw goedertierenheid; delg mijn overtreding uit, naar de grootheid van Uw barmhartigheden' (Psalm 51 : 3). Hij had geleerd om van genade te leven. Hij wist, dat hij ook alleen door genade kon sterven en ingaan in de vreugde van zijn Heere. Zijn diensttijd zat er op. De man, die een vreemdeling op aarde geworden was en die de pelgrimsreis naar het hemelse vaderland had afgelegd, mocht ingaan in de eeuwige rust. Daarvan had hij op de laatste bladzij van 'De stad Gods' geschreven: Dat... zal onze sabbat zijn; en het einde daarvan zal geen avond zijn, maar de dag des Heeren, om zo te zeggen een eeuwigdurende achtste dag, geheiligd door de verrijzenis van Christus, die de voorafbeelding is van de eeuwige rust, niet alleen van de geest, maar ook van het lichaam. Daar zullen wij rusten en zien, zullen zij zien en liefhebben, zullen wij liefhebben en lofprijzen. Dat is het wat er op het einde zonder einde zal zijn. Want welk ander einde is er voor ons dan het bereiken van dat koninkrijk, dat nooit een einde vindt.'
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 februari 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 februari 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's