De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Is het evangelie naar Mattheüs een Joods geschrift? (1)

Bekijk het origineel

Is het evangelie naar Mattheüs een Joods geschrift? (1)

10 minuten leestijd

Als wij ons deze vraag stellen kunnen wij nagaan in welk opzicht er dan van een Joods evangelie gesproken kan worden. Bijvoorbeeld: is dit evangelie in 't bijzonder voor de Joodse gemeenschap — waartoe ook de Heere Jezus behoorde — geschreven? Is het de Joden — het volk Israël — in bijzondere mate welgezind? Als dit laatste het geval is, zou het zich daarin onderscheiden van het evangelie naar Johannes. Daarin wordt veel gesproken over 'de Joden', die zich wantrouwend en vijandig tegenover Jezus opstellen. Het lijkt er op, dat deze evangelieschrijver zich door een kloof van onbegrip van Israël gescheiden voelt. Dat hierbij evenwel niet van anti-semitisme sprake is, zal hierna wel blijken.
Wat nu het Mattheüs-evangelie aangaat: Dit neemt ten aanzien van het Johannesevangelie, ook in een ander opzicht, een eigen plaats in. Het doet dit samen met de evangeliën naar Markus en Lukas. Deze drie zijn de zgn. synoptische evangeliën. Als de teksten van deze evangeliën in kolommen naast elkaar gezet worden, blijken zij op veel plaatsen met elkaar overeen te stemmen. Zij zijn dan, zoals het Griekse woord sun-opsis zegt, gelijktijdig gezamenlijk te overzien.
Het ontstaan van het Mattheüs-evangelie wordt gezocht in een kring van Joodse christenen, waarin de apostel Mattheüs, de tot Jezus bekeerde tollenaar, een belangrijke plaats vervulde. De ontstaanstijd valt in de jaren 70 na Chr. Plaats van ontstaan, Antiochië of omgeving daarvan.

Geslachtsregister.
Het Mattheüs-evangelie opent met het geslachtsregister van Jezus Christus, de zoon van David, de zoon van Abraham, (1, 1). In het Lukasevangelie wordt Jezus' afstamming teruggeleid tot Adam de zoon van God; dus tot de Schepping. Hier echter wordt Jezus geplaatst binnen de ruimte van het volk Israël. De stamvader van dit volk èn de grote koning van het ongedeelde rijk markeren deze reeks van Israëlgeslachten. De schrijver noemt driemaal veertien geslachten. En deze reeks eindigt met 'Jozef, de man van Maria, uit wie Jezus geboren is, die Christus genoemd wordt' (1, 16).
Dit geslachtsregister is opgesteld als een lijst van verwekkingen. En daarin worden o.a. genoemd: Jakob's zoon, de stamvader Juda. Hij verwekt bij zijn schoondochter Tamar de tweeling Peres en Zerach, (Gen. 38). Verder wordt genoemd koning Salomo, door David verwekt bij de vrouw van Uria, (II Sam. 11 : 3; 12 : 24. Ook wordt in dit Mattheüs-geslachtsregister Rachab, de deerne van Jericho, genoemd als de moeder van Boaz. Uit haar stammen koning David èn Jozef de man van Maria, (Joz. 2 : 1; Ruth 4 : 13-17).
Zo wordt de Heere Jezus getekend als mens, tot ons gekomen in een lijn van Israël-geslachten, waarin niets menselijks vreemd is. Hij is ook daarin één onzer. Zo diep is de Zoon van God in een zondige wereld willen indalen.
Wij lezen, dat aan Jozef een engel des Heeren verschijnt, (1, 20). De Godsbode zegt hem, dat wat in Maria is verwekt, uit de Heilige Geest is. De zoon, die zij zal baren, zal Jezus genoemd worden: 'Want Hij is het. Die Zijn volk redden zal van hun zonden', (1, 21). Wat scheiding brengt tussen God en ons, de zonde, zal door Hem ongedaan gemaakt worden. Zo zal Hij heil brengen. Mattheüs verwijst daarbij naar het Oude Testament en zegt: 'Dit alles is geschiedt, opdat vervuld zou worden hetgeen de Heere door de profeet gesproken heeft, toen Hij zeide: Zie de maagd zal zwanger worden en een zoon baren, en men zal Hem de naam Immanuël geven, hetwelk betekent: God met ons' (Jes. 7, 14).
Dan volgt het verhaal over de wijzen uit het Oosten, die navraag doen naar de geboren Koning der Joden (2, 2). Met deze koningstitel plaatst de evangelist Jezus in het licht van de in Israël levende Messiaanse gedachte van de komende Davidszoon: Een verre zoon van de grote koning zal in Jeruzalem het koningsschap op zich nemen en Israël bevrijden van de Romeinse heerschappij.
Door de komst van de wijzen opgeschrikt, vraagt dan de Romeinse vazalkoning Herodes aan Israëls geestelijke leiders: 'waar de Christus geboren zou worden' (2, 4). Zo wil Mattheüs ons zeggen, dat Jezus de Messias, de door Israël verwachte Davidszoon is. De overpriesters en schriftgeleerden bevestigen dit als zij zeggen: 'Want aldus staat geschreven door de profeet: En gij Bethlehem... uit u zal een Leidsman voortkomen, die mijn volk Israël weiden zal' (Micha 5, 1).
Het evangelie vermeldt vervolgens de vlucht van Jozef en Maria met het Kind Jezus naar Egypte. Zij verblijven daar tot de hun vijandige koning Herodus gestorven is. Dat is, zo zegt de tekst opnieuw: opdat vervuld zou worden hetgeen de Heere door de profeet gesproken heeft, toen Hij zeide: 'Uit Egypte heb ik Mijn Zoon geroepen' (Hos. 11, 1).
Als daarna Jozef zich met Maria en Jezus in Nazareth in Galilea vestigt is dit: 'Opdat in vervulling zou gaan hetgeen door de profeten gesproken is, dat Hij Nazareeër zou heten' (2, 23).
Zo spreekt het Mattheüs-evangelie telkens over gebeurtenissen in het leven van Jezus. De schrijver ziet ze reeds in het Oude Testament voorzegd. En hij citeert de bewijsplaatsen daaruit.
Andere verwijzingswoorden dan het 'opdat vervuld zou worden' zijn: 'er staat geschreven' en gelijk geschreven is'. En niet alleen de evangelieschrijver gebruikt deze bewijsteksten. Ook de Heere Jezus dient Zijn hoorders en wie Hem bestrijden met verwijzingen naar het Oude Testament van antwoord.

Jezus' prediking.
Niet alleen de verwijzingswoorden duiden op een sterke band tussen de Mattheüstekst en het Oude Testament. Ook uit de inhoud van Zijn prediking èn uit het handelen van de Heere Jezus blijkt, dat Hij wil staan in de geloofstraditie van Israël. De prediking van Jezus vinden wij o.a. in de Bergrede, (5 : 1-7, 27). Als Hij het gebergte van Galilea doortrekt, komen velen uit Israël en aangrenzend gebied tot Hem. Zoals eens Mozes, bestijgt Hij de berg. Jezus is daar, ... 'En Hij opende Zijn mond en leerde hen, ...' (5, 2). Eens heeft op de berg Sinaï de Heere aan Mozes de Wet van het Verbond voor het volk Israël gegeven. Hier op de berg geeft de Heere Jezus Christus de Wetsregels voor het Nieuwe Verbond, dat de vervulling is van het Oude. In dit Verbond zullen allen, die in Hem geloven begrepen zijn. Zij zijn het nieuwe Israël.
Op de berg zegt Jezus de Zaligsprekingen. Heil en geluk is er voor armen van geest, voor treurenden, zachtmoedigen, zoekers van gerechtigheid, barmhartigen, vredestichters en voor vervolgden om der gerechtigheid wil. Jezus spreekt hier van het betrachten van de nieuwe gerechtigheid. Die is kenmerk van het leven in de wereld van het Rijk Gods. Van die gerechtigheid moeten de discipelen een voorbeeld geven: Zij moeten zout en licht voor de wereld zijn (5, 13-16).
Ook houdt Jezus aan Zijn hoorders de Wet Gods, de Tien Geboden voor. Hij toetst het gedrag van mensen aan wat de Wet eist. Daarbij laakt Hij de leiders van het volk. Zij prediken de Wet zonder er zelf aan te voldoen, of zij volstaan met een uiterlijk nakomen van de geboden, zonder dat zij er met hun hart bij betrokken zijn. Maar ook Jezus verenigt zich in Zijn oordeel over de Wet geheel met Gods wil: Geen jota of tittel van de geboden mag voorbijgaan. Daarom zegt Hij bij herhaling tot Zijn hoorders, 'Gij hebt gehoord, dat er gezegd is', en dan volgt één der geboden. Doch Jezus sluit daar onmiddellijk bij aan met Zijn: 'Maar Ik zeg u'. En wat dan volgt houdt in: De Wet verbiedt de zondige daad, maar Ik verlang méér. Reeds onze verkeerde gezindheid is overtreding van het gebod. En daarom stelt Hij de eis, dat de geboden uit liefde tot God èn tot de naaste gedaan worden. Dat is wat de Heere van ons vraagt, als wij de Wet overeenkomstig Gods bedoeling willen nakomen. Dan zal onze gerechtigheid overvloediger moeten zijn dan die der Schriftgeleerden en Farizeeën (5, 20). Jezus bevestigt deze uitleg nog eens als Hij de Farizeeën op hun vraag naar het grootste gebod, wijst op de verkondiging in het Oude Testament: God liefhebben met geheel uw hart, ziel en verstand en uw naaste als uzelf, (22, 34-40); zie ook Deut. 6, 5; Lev. 19, 18).
De evangelieën van Markus en Lukas vermelden deze uitleg aangaande het grootste gebod zonder meer. Mattheüs echter voegt er aan toe Jezus' uitspraak: 'Aan deze twee geboden hangt de ganse wet en de ­profeten' (22, 40). De Heere zegt hiermee, dat Hij niet iets nieuws brengt, maar zich aansluit bij het verbondsverdrag door de Heere met Israël gesloten, hetwelk door de profeten het bondsvolk voortdurend wordt voorgehouden.

Werken der gerechtigheid.
In de Bergrede spreekt Jezus ook over werken der gerechtigheid. Hij noemt daarbij: het geven van aalmoezen, het bidden en het vasten, (6, 1-18). Deze werken zullen niet 'voor de mensen' gedaan worden. Die oordelen naar de schijn. Jezus zegt, dat wij ze zullen doen 'in het verborgene'; d.w.z. voor het aangezicht van God, die in het verborgene woont (6, 18). Hij, de Alziende en Alwetende, kent ons. Hij ziet wat wij doen, èn nalaten. Daarom merkt Jezus bij elk van deze werken op. 'Uw Vader, die in het verborgene ziet, zal het u vergelden' (6, 4, 6, 18). Hier valt te denken, aan het eindgericht wanneer de Zoon des mensen komt in Zijn heerlijkheid, (25, 31-46).

Gebed des Heeren.
Eén van de gerechtigheidswerken is bidden. De Heere Jezus laakt bepaalde Joodse gebedspraktijken. Naast het rituele bidden in tempel en synagoge is er ook het vrije, persoonlijke gebed. Het wordt, be­halve in huis en in de synagoge, ook gesproken in het openbaar op straten en pleinen. Hierbij is veel uiterlijk vertoon. Men bidt met vele en plechtige woorden. En soms volgt het ene gebed op het andere. En men denkt dat de Heere God door deze gebedsoverdaad beïnvloed kan worden. Maar Jezus zegt hiervan: 'En wanneer gij bidt, zult gij niet zijn als de huichelaars, want zij staan gaarne in de synagogen en op de hoeken der pleinen te bidden, om zich aan de mensen te vertonen' (6, 5). De Heere Jezus verzet zich hiertegen. Ook daarin staat Hij in de lijn van Israëls profeten. O.a. spreekt hiervan het profetenboek Jesaja. Het noemt Israël een zondig volk, beladen met ongerechtigheid. Het heeft de Heere God verlaten. Jesaja vergelijkt de geestelijke leiders van Israël met de bestuurders van het heidense Sodom. En God laat weten: 'Gaat niet voort met huichelachtige offers te brengen', (Jes. 1, 13). En 'Wanneer gij uw handen uitbreidt, verberg Ik Mijn ogen voor u, zelfs wanneer gij het gebed vermenigvuldigt hoor Ik niet' (Jes. 1, 15). Daarom zegt Jezus, dat Zijn hoorders dit uiterlijk vertoon niet zullen navolgen. Hij voert hen terug naar een leven in Verbondstrouw aan God, als Hij zegt: 'Wordt dan hun niet gelijk; want uw Vader weet wat gij van node hebt, eer gij Hem bidt' (6, 8). En Hij leert hen het 'Onze Vader' (6, 9-13). De Heere Jezus schrijft daarmee geen vaste gebedsformule voor. Hij zegt ons wat wij aan de Heere God dankbaar zullen voorleggen: De verheerlijking van Zijn Naam en de vraag om wat wij geestelijk en lichamelijk nodig hebben. De tekst van het gebed valt in menig opzicht terug op oude Joodse gebeden en op de Psalmen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 februari 1990

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's

Is het evangelie naar Mattheüs een Joods geschrift? (1)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 februari 1990

De Waarheidsvriend | 16 Pagina's