Een heilig geduld gevraagd
Wij hebben tot nu toe de verschillende middelen besproken, die ten dienste staan aan onze innerlijke levensgroei. Voor een deel zijn dat de gewone genademiddelen, die wij niet zozeer hebben aangestipt. Wij hebben op deze plaats meer gewezen op Gods gewone en buitengewone leidingen in ons uitwendige leven, waarvan een vormende kracht op ons innerlijk uitgaat. Het is ook niet het doel van deze reeks beschouwingen om volledig te zijn. Veeleer hebben wij op het oog te prikkelen tot nadenken en opmerken. Welnu, dan wordt het nu ook tijd een onderzoek in te stellen naar de aard van de geestelijke groei. Hoe hebben wij ons de ontwikkeling en de groei van het geestelijk leven eigenlijk voor te stellen? Wij kunnen niet tevreden zijn met het antwoord dat het een genadewerk des Heeren is. Wij gevoelen er juist behoefte aan dit genadewerk beter te leren kennen en het in zijn gang na te speuren, voor zover dit mogelijk is.
De Heilige Schrift komt uitnemend aan deze behoefte tegemoet. Jezus vervult haar door zijn onderwijs. Wij brengen u daartoe de gelijkenis van het vanzelf groeiende zaad. U kunt die vinden in Markus 4 : 26-29. Het gaat daar over het groeiproces op de akker van een landbouwer. Jezus stelt, dit als voorbeeld van het groeiproces, dat het Koninkrijk Gods in het groot, maar óók in het klein in de menselijke ziel doormaakt. Het één loopt parallel met het ander. U hebt daar in kort bestek het gehele proces dat een zaadkorrel doormaakt van het eerste zaaien tot de rijpe oogst. Overeenkomstig daarmee zal er licht opgaan over de groei van het geestelijk leven. U weet, dat dit leven door de werking van de Heere ook voortkomt uit een kiemkrachtig zaad, namelijk het uit Woord van God, dat leven in zich draagt. Het eerst noodzakelijke is daarom, dat het Woord der genade niet alleen mild en bedachtzaam over de akker van het hart wordt uitgestrooid, maar dat het ook in die grond wegzinkt en opgenomen wordt. In een andere gelijkenis heeft Jezus ons geleerd, dat er geen rijpingsproces kan plaatsvinden, indien het zaad op een platgetreden pad valt zonder erin door te dringen; evenmin, wanneer het wel in de open aarde valt, maar een rotsachtige ondergrond ontmoet, waarin de wortelvezels niet kunnen hechten. Ook niet, wanneer het tussen de doornen moet groeien, omdat het dan al gauw verstikt wordt. Komt het zaad evenwel te vallen in de goede aarde, in een open, heilbegerig hart, dan wast het zowel naar de diepte, als naar de hoogte. Het komt zowel in het verborgene der ziel, waarin het wortelleven heerst, als in het zichtbare en controleerbare. Kruid, halm en aar schieten uit de aarde op en zijn waarneembaar voor aller oog.
Jezus tekent de natuur van deze groei in een drievoud van lijnen. Wij zullen ze één voor één nader bezien. Op dit moment kijken wij alleen naar de eerste trek, die in deze zinsnede van de gelijkenis tot uiting komt. Er staat namelijk in de gelijkenis, dat de aarde vanzelf vrucht voortbrengt. Er staat in de Griekse taal letterlijk 'automatisch'. Maar hoe dat precies in zijn werk gaat, blijft voor de zaaier een geheim. Laten wij voor beter inzicht wel onderscheiden tussen 'zelf' en 'vanzelf', anders gaan wij de mist in. De aarde zelf brengt niets voort. Zelfs geen doornen en distelen. De kiem van alle kruid of plant moet er natuurlijk eens ingelegd worden, opzettelijk door de landbouwer of geheel willekeurig door een windvlaag, die de zaden meeneemt door de lucht en ergens weer neer laat vallen. Wanneer wij evenwel lezen, dat de aarde vanzelf vrucht voortbrengt, is er in de gelijkenis eerst aan voorafgegaan, dat een mens het zaad in de akker geworpen had. En nu gaat het groeien vanzelf. Het gaat automatisch; de boer behoeft er zich geen zorg over te maken. Wanneer hij het zaad eenmaal aan de aarde heeft toevertrouwd, is zijn werk eenmaal voorlopig gedaan. Gods werk begint dan onder de grond. Pas als de oogst rijp is, is er weer iets voor de boer te doen. Dan moet het gereedschap voor de dag komen om het rijpe koren te maaien. Maar in die lange tussentijd kan de boer er geen hand naar uitsteken om de wasdom van het graan te bevorderen. Hij moet alles aan zijn God overlaten. God moet het door zijn zon, regen, hitte en dauw alleen in orde brengen. De boer moet maar rustig zijn gewone levensloop vervolgen. Slapen en opstaan, nacht en dag. Goed, wij mogen af en toe eens het land opgaan om te zien of er al wat te zien is. Nog herinneren wij ons hoe wij als kind op een mooie middag mee mochten. De conversatie van de visite was weggeëbd en dan, ineens zei oom, de oudste broer van moeder: Kom, laten wij eens op het land gaan kijken! Met langzame stap, de zwarte pet scheef op het hoofd, de handen op de rug, gingen wij de dam af naar het land. Achter elkaar liepen wij dan over het akkerpad. Hier stonden wij eens stil, daar gluurden wij naar de aarde. Uitleg werd gegeven met schaarse woorden. En nooit kunnen wij die diep warme blik vergeten, waarmee oom de akker bezag. Nooit vergeten wij die stille woorden, die hij in het begin van de oorlog toen sprak. Jans, zo heette zijn zuster, één mens brengt de hele wereld in de war. Die Hitler gooit alles ondersteboven. Maar hier — en zijn gespierde hand wees naar de akker — kan zelfs hij niets beginnen. Hier is God alleen de baas!
Dit automatisch groeien schenkt ons een grote rust. Als er een beginsel van geestelijk leven in onze ziel aanwezig is en wij blijven in Gods weg door de genademiddelen trouw te gebruiken, dan hebben wij ons niet overbezorgd voor onze geestelijke groei te maken. Het gaat helemaal vanzelf. Natuurlijk zien wij met verlangen ernaar uit, dat het levensbeginsel zich bij ons ontwikkelt. Wij zijn niet voldaan met hetgeen wij tot dusver hebben bereikt, maar wij hunkeren naar toeneming. De boer gaat ook wel eens naar het land om te zien hoe de akker er bij ligt, maar hij weet wel, dat alles zijn tijd nodig heeft. Al ziet hij niets groeien, de bodem kent daarom wel werking. Hij laat zich door de aanblik van de lege akker niet in verwarring brengen, maar troost zich met de gedachte, dat alles zijn bestemde tijd heeft. God alleen is de baas.
Het is een pastorale ervaring, dat heel wat stillen in den lande vaak bekommerd zijn over hun voortgang op de weg van het eeuwige leven. Ze hebben geen geduld om de oogst af te wachte, néén, zij zouden al wel populieren willen zijn, die van verre zichtbaar zijn in het polderlandschap, maar ze zijn alleen nog maar trillende grassprieten. Dwaas is de boer die het zaad uit de bodem zou willen lospeuteren om te zien hoever het al is. Even dwaas is het peuteren aan uw eigen ziel om te onderzoeken hoe ver u nu wel in de geestelijke kennis van de waarheid gevorderd bent en er in het uitwendige leven de sporen van draagt. Er is niets aan te doen. Dat is de weg om te groeien. God in alle stilte in het verborgene onder de grond laten werken. Groeien gebeurt nu eenmaal automatisch. Leid een onbezorgd leven. Dat is wat anders dan een zorgeloos leven. Doe eenvoudig uw werk. Blijf vooral in de weg van de middelen der genade. Er is ook stilte en eenzaamheid voor nodig. Wij menen, dat er in onze tijd veel te veel vergaderd wordt. Ieder laat daar zijn geestelijke luchtballon op, die op den duur uit elkaar spat en er verandert niets. Groei moet u aan de Heere alleen overlaten. Daar is het in de beste handen.
In deze lijn van onze gedachten ontdekken wij een veroordeling van alle werkheiligheid. Het christendom heeft in alle eeuwen stromingen gehad, waarin een zekere geestelijke overspanning niet te miskennen valt. Men zoekt door allerlei zelfgekozen middelen tot hoger plan op te klimmen. Wij denken aan de toepassing van geweld, van zelfkastijding, van wereldontvluchting; wij bedoelen ook de weg van boetedoening, bedevaarten en allerlei moderne radicalismen. U zoudt daarbij ook kunnen denken aan het methodisme, het activisme en zelfs het traditionalisme. Wij gaan hier ter plaatse nu niet breder op in. Het gaat er ons alleen om te betogen dat op de bodem van al deze elementen een vroom zelfbehagen zit. Groei laat zich door deze middelen niet afdwingen, hoezeer wij ook beklemtonen, dat het werk der genade in de zondaar wordt volbracht, niet zonder, maar door het gebruik van bepaalde genademiddelen.
Neen, groei sluit dwang en klopjacht uit. Het koninkrijk der hemelen is geen rumoerige timmermanswerkplaats. Het is een stille tuin. Groei in genade openbaart zichzelf in diepe eenvoud. Een groter natuurlijkheid, minder lawaai. Meer tederheid van geweten, minder angstvalligheid. Meer vrede, meer nederigheid. Wanneer het koren rijp is, gaan de halmen zich vanzelf buigen. Kijk, dat is een trek in het rijk der genade. Wij verwachten het almeer van onze God en alminder van onszelf. Zo worden wij rijp voor de eeuwigheid.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 februari 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 februari 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's