Wie zal mij verlossen?
Romeinen 7 : 24 en 25
'Toean, het lijkt wel of ik twee harten heb,' zei een bekeerde Papoea tegen de zendeling die hem gedoopt had. Hij was zichzelf tegengevallen. Hij had gedacht: nu zal ik God altijd dienen! Dat was de keus van zijn hart. Maar na verloop van tijd bleek: er was ook nog de zuigkracht van het heidendom, daar waren ook nog zijn karakterfouten en verzoekingen tot zonde. En daarom die vraag: Kan dat nu? Klopt dat wel? Ben ik dan wel een echte christen geworden? Wat een schrik: toean, het lijkt wel of ik twee harten heb.
De toean schrok niet, had juist een schok van herkenning. Dit klopt. Dat had de apostel Paulus ook. In Romeinen 7 — lees maar na — schrijft hij: Het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik. En Paulus was toch wel echt bekeerd, nietwaar? Of — vragen sommige theologen — sprak hij hier over zijn verleden, zijn 'eertijds' of over 'de mens' in het algemeen? Nee, hij spreekt over 'ik'... 'ben'. En hij wil wel anders! 'Het willen is wel bij mij', zegt hij. 'Het goede dat ik wil...' Dat kan toch geen onherboren mens hem zo nazeggen. Er is bij hem een innerlijke distantie tot het kwaad. Ja, hij heeft een vermaak in de wet van God naar de inwendige mens! Dat is toch wel iemand die een nieuw hart heeft gekregen! Maar hij heeft toch — juist daarom! — zoveel last van zijn oude hart.
Hij voelt zich zelfs een gevangene. En roept dan uit: 'Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen van het lichaam der zonde en des doods?! Ik dank God door Jezus Christus!' (vs. 24). Hier bereikt het drama zijn climax.
Ellende-verlossing-dankbaarheid. U herkent de drieslag. Het lijkt op de driedeling van de hele Romeinenbrief. In Romeinen 3 zei Paulus al van heidenen en joden: vernieling en ellendigheid is in hun wegen'. Daarna sprak hij echter over 'de verlossing die in Christus Jezus is'. En op de rechtvaardiging volgde de heiliging: Gode zij dank, dat gij — nu van harte gehoorzaam geworden zijt: (6 : 17). Vrijgesproken en vrijgemaakt! Vrijgemaakt van de zonde en vrijgemaakt van de wet!
Deze driedeling van de Romeinenbrief komt in de Reformatie telkens weer terug. Melanchton hanteerde de driedeling als sleutel in de dogmatiek. In het Doop- en Avondmaalsformulier vindt u de driedeling weer terug. Het water van de doop wijst ons op ellende, verlossing en dankbaarheid. Op deze drie zaken moeten wij ons beproeven voor wij ten Avondmaal gaan. Voor de Reformatie is deze driedeling dus eigenlijk de sleutel tot het verstaan van de hele Schrift en voor de hele benadering van de gemeente.
Maar komt dan nu in Romeinen 7 die oude driedeling weer terug? Ellende, verlossing, dankbaarheid? Zegt Paulus dan nu nog en nu weer: 'Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen...?'
Kom je dan nooit verder? Keert die ellende dan altijd weer terug? Van je doop tot je dood? Moeten wij dan altijd weer in deze mallemolen? Is er dan niets gebeurd op Golgotha — en met Pinksteren?
Is er dan niets gebeurd met Paulus op de weg naar Damaskus en in de Rechte Straat? Kan zo'n machtige apostel van Jezus Christus dan toch ineens weer uitroepen: wie zal mij verlossen? Alsof er niets gebeurd is, niets ontvangen, niets gezegd! Romeinen 7 lijkt wel een terugval! Heeft de apostel soms ook last van 'regressie' bij vermoeidheid?
Let op. Wat is 'ellendig'? Talaiporos, staat er. Dat woord komt zelden voor in het Nieuwe Testament. Wat heet 'verlossen'? Ruomai, staat er. Dat is voor het eerst in deze brief. Zoals een soldaat zijn gevangen genomen kameraad verlost! Waarvan verlossen? Van het lichaam-des-doods, staat er. Niet van de zonde of de schuld. Calvijn zegt: dit is het verlangen naar de 'uiteindelijke' verlossing! En van de hele ellende!
Dit is het verlangen van Gods kind om eens de hele strijd te boven te zijn. Paulus gaat hier niet terug achter de grote thema's van zijn brief: rechtvaardiging en heiliging. Hij ontkent niet wat God voor ons en in ons gedaan heeft. Dat moeten wij ook niet ontkennen als het waar is. Dat mogen wij nooit vergeten. Maar juist daarom is de tweespalt zo groot. Verzoend — maar niet verlost. Ik tobber, ik zwoeger, ik verscheurd mens, wie zal mij definitief verlossen van de macht der zonde? Jezus Christus! Romeinen 7 : 24 en 25 is een 'eschatologische' tekst! Hij, die onze schuld wegdroeg aan het kruis, zal ons eens geheel verlossen als Hij komt in heerlijkheid!
Deze tekst lijkt wel een doodsverlangen: verlost te mogen worden van het lichaam-der-zonde! Is dat zo? Zit het kwaad in ons lijf? En is de dood fijn? Nee nee. Elders noemt de apostel ons lichaam een tempel, een tempel van de Heilige Geest. En weer elders prijst hij God, die hem verlost heeft van... het doodsgevaar. De dood is de laatste vijand. Maar Paulus heeft hier zoveel last van zijn 'vlees' en hij kan soms zo verlangen om altijd bij Christus te wezen. Dat wel!
Kun jij ook zo verlangen naar het volmaakte, omdat je ook zo lijdt onder het onvolmaakte? Zeg het dan de apostel maar na: ik ellendig mens, wie zal mij verlossen van het lichaam der zonde en des doods? Ik dank God door Jezus Christus!
In die zin komen ellende, verlossing en dankbaarheid telkens weer terug. De mensen zeggen: je moet er mee leren leven. Maar er is niet mee te leven. Leven? Bij deze dingen leeft men. En in dit alles is het leven van mijn geest!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 februari 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 februari 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's