Het functioneren van de gemeente (2)
Waartoe is de gemeente geroepen?
De vraag is nu waartoe de gemeente van Christus is geroepen. Ze is door Woord en Geest uitgeroepen uit de wereld, maar ze is ook geroepen tot. Ze is allereerst geroepen tot heiligheid. De heiligheid is het sieraad van Gods huis, zegt de Schrift. En Petrus wekt de gelovigen op met het woord: 'Hoedanigen behoort gij te zijn in heilige wandel en Godzaligheid' (2 Petr. 3 : 11). Ook richt Petrus het vermaan tot de gemeente: Wees heilig, want Ik ben heilig' (1 Petr. 1 : 16).
Het gaat in de christelijke gemeente om de eenheid van leer en leven. Leven in de christelijke gemeente is dan allereerst gééstelijk leven. We doorleven de dingen, die we belijden. De Nederlandse Geloofsbelijdenis vangt telkens aan met: 'Wij geloven met het hart en we belijden met de mond'. Het geestelijke leven betekent geloven met het hart. Het gaat niet om een louter leerstellig leven, maar om leven gewekt door de Heilige Geest, dat een plaats heeft in het hart van de mens. We worden immers geroepen om God lief te hebben met ons gehele hart alsook met gevoel, kracht en verstand.
Wie aangeraakt is door de Heilige Geest weet, dat vanuit het hart de uitgangen zijn van het leven. Daarover te spreken is gave en opgave binnen de gemeente. Hoe verrijkend en verruimend kan het zijn om de vragen van het geestelijke leven te bespreken met anderen en anderen op te wekken tot het leven naar en in de Geest.
Graaf Ludwig von Zinzendorf zei: 'Ik ken maar één hartstocht. Dat is Hij, slechts Hij'.
De heiligheid in de gemeente komt dan vooral daarin openbaar, dat beseft wordt, dat het lichaam verbonden is met het hoofd Christus, de Heilige, de Smetteloze, de Reine. Het gaat dan ook om concrete levensheiliging, die ons door Christus geschonken wordt.
Getuigenis
Dit brengt me tot het tweede. De gemeente is geroepen tot getuigenis. Er moet van de Naam getuigd worden. De gemeente staat in de estafetteloop van de geslachten. Als kinderen aan hun ouders vroegen in het Oude Testament: Wat hebt ge daar voor een dienst' ten aanzien van het Pascha, was het antwoord: Dit is de Heere een Paasoffer' (Ex. 12 : 27). We mogen de rijkdom van de Naam des Heeren en Zijn dienst doorgeven aan volgende geslachten. Jongeren mogen zo bij ouderen bemerken, wat het betekent wezenlijk tot de gemeente te behoren, deel te hebben aan de kruisverdienste van Christus en daarvan getuigennis te geven in de opgang onder het Woord en in het deelnemen aan de Sacramenten.
'Wat hebt gij daar voor een dienst?' Dat getuigenis mag worden uitgezegd rondom de Doop. Het mag ook worden uitgezegd rondom het Avondmaal. Ouderen hebben de roeping om jongeren in de gemeente jaloers te maken ten aanzien van de dienst des Heeren. Maar verder heeft de gemeente de roeping om naar buiten toe getuigenis te geven van de Naam. 'Gaat dan heen, onderwijst alle volken, ze dopende in de Naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes onderhoudende al wat ik u geboden heb.'
Een levende gemeente is een missionaire gemeente. Vanuit het belijden komt het apostolaat op. Een in zichzelf gekeerde gemeente mist wezenlijke aspecten van het gemeente-zijn zoals die ons in het Woord getekend worden.
Gemeenschap
Vervolgens is de gemeente geroepen tot gemeenschap. De kerk is als gemeente het Lichaam van Christus. De hand kan niet zeggen tegen de voet: ik heb u niet nodig. Wij zijn been van Zijn been en vlees van Zijn vlees (Ef. 5 : 30). Deze gemeenschap, gemeenschap der heiligen wordt beleefd in de eredienst en rondom de sacramenten. Die gemeenschap kan ook worden beleefd in concrete ontmoetingen met andere leden van de gemeente op zondag en in de week. Er mag sprake zijn van gemeenschap in lijden en verdrukking. Maar in Handelingen 20 : 28 treffen we ook de vermaning: Zo heb dan acht op uzelf en op de gehele kudde waarover u de Heilige Geest tot opzieners gesteld heeft om de gemeente Gods te weiden, welke Hij verkregen heeft door Zijn heilig bloed.' Hier ligt een directe roeping voor de ambtsdragers. Maar zijn we in de christelijke gemeente ook niet geroepen om als afzonderlijke leden acht te hebben op elkaar en zo de gemeenschap der heiligen te betrachten? Het is niet goed als een gemeente alleen maar functioneert in de ambten. Een gemeente met enkele duizenden leden heeft het opzicht van de ambten nodig. Maar een klein aantal ambtsdragers is niet in staat om de gemeenschap der heiligen binnen de gemeente te laten functioneren. We zullen ook ruimte moeten scheppen voor het gemeenschappelijk verkeer in de gemeente. In onze tijd denken we dan aan bijbelkringen, gesprekskringen, kringen van belijdeniscatechisanten, werkgroepen ten aanzien van een bepaalde taak in de gemeente.
Dienst
De gemeente is verder geroepen tot dienst. We denken hier in het bijzonder aan het diakonaat. We denken aan het onderhoud der armen. Moeten we in eigen samenleving constateren, dat de armen, zoals die er vroeger waren, in die schrijnende vorm niet meer voorkomen, dan hebben we in deze tijd te denken aan de armoede in de wereld. Het dienstbetoon van de gemeente zal dan allereerst op de gemeente elders in de wereld zijn gericht. 'Doe wel aan alle mensen, maar meest aan de huisgenoten des geloofs'. We denken hier aan het Avondmaalsformulier, waarin gezegd wordt, dat, als wij Christus door een waarachtig geloof zijn ingelijfd, wij door broederlijke liefde, om Christus onzes lieven Zaligmakers wil, die ons tevoren zo uitnemend heeft liefgehad, allen te zamen één lichaam zijn, en zulks niet alleen met woorden, maar ook met de daad jegens elkander bewijzen.
Het diakonaat mag zo een functie van de gemeente zijn om de helpende hand te bieden naar binnen en naar buiten. Maar het is niet voldoende om de dienst van de gemeente alleen te institutionaliseren binnen het ambt van de diaken. Het gaat ook om onderling dienstbetoon. Dat element zijn we misschien in de gemeente wel eens teveel kwijtgeraakt. Van de gemeente van Macedonië gold echter, dat ze 'zich eerst aan de Heere gaven en daarna aan ons' (2 Cor. 8 : 1-9).
Het Réveil in de vorige eeuw heeft daarop zicht gehad. Ouderen en jongeren hebben een taak ten opzichte van elkaar. Dat dienstbetoon kan ook tot uitdrukking komen in onderling pastoraat binnen de gemeente. We zijn zozeer een domineeskerk geworden, dat wanneer het om pastorale bearbeiding gaat in de gemeente, we uitsluitend denken aan de dominee. Diens mogelijkheden binnen een grote gemeente zijn echter ook beperkt. Wat is het dan heilzaam, wanneer ook leden van de gemeente hun taak ten opzichte van elkaar verstaan. Nabijheid practiseren in tijden van nood, ziekte en pijn! Zo kan het ambt aller gelovigen tot uitdrukking worden gebracht. Al neemt één lid van de gemeente maar de noden van één ander lid van de gemeente op zich. Zo kunnen lasten in de gemeente worden gedragen en gedeeld. Draagt elkanders lasten en vervult alzo de wet van Christus.
Lofprijzing
Verder wil ik aandacht vragen voor de lofprijzing. De gemeente is geroepen tot lofprijzing van God. Wanneer de lof Gods niet meer vanuit de gemeente opklinkt, zal ze nergens meer opklinken of het moet zijn dat ook de vogels zingen tot Gods eer en de ganse schepping juicht voor het Aangezicht des Heeren. Opschriften op grafstenen getuigen echter van stille hoop òp en lof áán de Schepper. Toen Christus Zijn lijden inging zong Hij de lofzang, het Hallel uit Psalm 118. Zo wordt ook de gemeente tot de lofzegging geroepen. Soms zingt de gemeente vanuit de diepte. Als zij namelijk onder het kruis is. Maar zij zingt nochtans over Christus als haar enige hoop. Hem zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Christus heeft de Zijnen aangenomen tot heerlijkheid van God, lezen we in Rom. 15 : 8. Zal de gemeente dan de lof Gods daaarom niet uitzeggen?
Juist in haar lofzegging beoefent de gemeente overigens de vreemdelingschap. Deze vreemdelingschap behoort tot het wezenlijke van het christen-zijn. De christen en daarin ook de gemeente is niet in de gebruikelijke zin van het wóórd wereldvreemd, maar ze is wel vreemd aan elementen die tot de wereld, tot het patroon van de wereld behoren. De gemeente is wel in de wereld maar niet van de wereld.
Ze ontleent haar normen niet aan de wereld. Ze leeft ook in de verborgen omgang van Psalm 25. In die verborgen omgang is er het gebed. De omgang met God functioneert in het lezen van de Schriften. In de binnenkamer wordt het geloof geoefend en de lofprijzing beoefend. Die lofprijzing wordt gewerkt door de Heilige Geest. Niemand kan zeggen dat Jezus Heere is dan door de Heilige Geest.
Vruchten
Waar de Geest des Heeren werkt, zullen intussen ook vruchten van de Geest openbaar komen.
In Galaten 5 worden de vruchten van de Geest gesteld tegenover de vruchten van het vlees. De werken van het vlees zijn openbaar: overspel, hoererij, onreinigheid, ontuchtigheid, afgoderij, venijngeving, vijandschap en twisten, afgunstigheden, toom, gekijf, tweedracht, ketterij, nijd, moord, dronkenschap en brasserijen. Maar de vruchten van de Geest zijn: liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, matigheid.
Als Jacobus in het vijfde hoofdstuk van zijn brief zegt: 'Toon mij uw geloof uit uw werken en ik zal u uit mijn werken mijn geloof tonen', dan mogen we hier wel denken aan de vruchten van de Geest, die in Galaten 5 worden genoemd. Wat is godsvrucht een mooi woord. In godsvrucht gaat het om de vrucht van de Heilige Geest. We mogen ons afvragen of deze vruchten wel voldoende kenbaar worden in de gemeente. Is er niet vaak liefdeloosheid in plaats van liefde? En dan denken we aan wat we in het Hooglied der liefde lezen, nl. 1 Cor. 13: 'Al ware het, dat ik de talen van mensen en engelen sprak, maar had de liefde niet, ik was een klinkend cimbaal, schallend koper'. De Schrift meldt ons evenwel, dat de liefde van velen in de eindtijd zal verkouden, verkoelen.
En wordt blijdschap allerwegen gezien in de gemeente, of vrede, of goedheid?
En is geloof niet vaak een verdacht woord geworden?
De goede boom brengt goede vruchten voort, zoals de kwade boom kwade vruchten voortbrengt. En al is het dat we maar een klein beginsel van de volkomen gehoorzaamheid hebben, wanneer de Geest des Heeren werkt, zal er sprake zijn van het leven des Geestes in de heiliging, openbaar komend in de vruchten. Ds. C. den Boer schrijft dat het een grote belemmering is, wanneer dienaren van het Woord zelf nooit toekomen aan de volle maat van Pinksteren. 'Dat wil zeggen, dat hij wel door de kracht van de Geest uit de zondedienst getrokken is, een strijd kent tegen de zonde, een uitzien naar de Heere Jezus ook, maar niet de radicale, ongereserveerde en onmiddellijke overgave, waardoor de Geest met de volle stroom van gaven vanuit de hemelse Christus in ons komt wonen. Gepreekt wordt dan vaak de toeleidende weg, meer dan het rijke geestesleven, meer dan het 'zo heerlijke leven des geloofs in de verborgen omgang met God met al zijn diepten en hoogten, meer dan het stuk van de heiliging, de dienst van onze gezegende Koning in de praktijk van het dagelijkse leven'. (Geijkte woorden). Geldt dit alles ook niet voor de leden der gemeente?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 februari 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 februari 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's