Boekbespreking
Gesprekken met Frans Breukelman, onder redactie van Ype Bekker, Dussie Hofstra, Chris Mataheru en Annette Melzer, serie Binnenkant deel 2, Uitgeverij Meinema, 's-Gravenhage 1989, 152 blz., ƒ 24,90.
Drs. F.H. Breukelman geldt als één van de belangrijkste vertegenwoordigers van de Amsterdamse school. Daarmee wordt een wijze van uitleggen bedoeld die de Schrift weer neemt als Schrift. Het is een reactie op de historisch-kritische methode waarin de Bijbeltekst uiteengerafeld wordt met de bedoeling de ware toedracht van de gebeurtenissen te reconstrueren. Het resultaat is dan altijd iets anders dan de Bijbelse geschiedenis. Voor de Amsterdamse school ligt de nadruk meer op de geschiedenis die het geschiedverhaal hier en nu oproept dan op de feiten uit het verleden in hun consequentie voor ons. 'Maar evenals er tientallen onderzoeken gedaan zijn naar het leven van Jezus — en geen daarvan bevredigt — zo is er ook niet één studie over de godsdienstgeschiedenis van Israël, die bevredigt. Daar is voor gezorgd, namelijk door onhistorische geschiedenis te laten vertellen' (109).
Uit dit citaat is ook de stijl te proeven waarin dit boek geschreven is. Je hóórt de docent. Hij is blij verrast om wat hij in de Schriften heeft ontdekt. Graag wil hij ons in die vreugde laten delen. Opgevoed in een vrijzinnig milieu is hij onder invloed van Karl Barth tot andere gedachten gekomen. Het lezen van het in 1938 verschenen deel I,2 van de Kirchliche Dogmatik heeft daarbij een belangrijke rol gespeeld. Daar is het Wóórd. Het is het Woord van Gód. God spréékt.
Bekend is Breukelmans kritiek op de Nieuwe Vertaling van het nederlands Bijbel Genootschap uit 1951. Daarover gaat het tweede hoofdstuk. De NBG-vertaling komt bij de Statenvertaling vandáán en is heel duidelijk op weg naar Groot Nieuws (41). Interessant is de achtergrondinformatie die ons hier wordt verstrekt. Evenals Barth en Miskotte wil Breukelman de Schriften lezen van het midden uit, d.i. van Christus uit. Wat Ursinus leert over het natuurverbond beschouwt hij als 'een ongeluk'. Calvijn vervalt z.i. in dezelfde fout. Zijn motivatie om te komen tot het ontwerp van een 'Bijbelse Theologie' heeft haar oorsprong in het afwijzen van de structuur van de oudprotestantse dogmatieken. Uitgangspunt voor zo'n 'Bijbelse Theologie' is het primaat van de tijd. Gods verbondsdaden (alle cursiveringen zijn van Breukelman, H.d.B.) krijg je te horen. Daden zijn een gebeuren-in-de-tijd (119). Daarbij zijn vier kernbegrippen te onderscheiden: de namen, de woorden, de dagen en de aarde. Dat gebeuren is: God is met ons. Zijn daden worden gekenmerkt door twee begrippenparen: recht en gerechtigheid, en goedertierenheid en trouw (125). Het boek sluit af met een hoofdstuk over jodendom, christendom en heidendom. 'Heidendom is geen pril stadium in de mensheidsgeschiedenis, maar een vorm van werkelijkheidsbeleving waar we midden in zitten' (139). Er zijn twee grondvormen van heresie: etnisering en traditionalisering van het getuigenis (143). Bij de eerste vorm wordt het algemeen menselijk kennen en kunnen verzelfstandigd. Barth denkt dan aan het protestantse modernisme. Bij de tweede vorm de kerkelijke traditie. Barth wijst daarbij dan vooral op het rooms-katholicisme (143).
Op een levendige wijze maken wij hier kennis met het theologiseren van Breukelman. De stijl is niet altijd in overeenstemming met wat 'ter sprake' komt. De wijze waarop over Gods raadsbesluit wordt gesproken vind ik jammer (93). Het Barthiaanse christomonisme tast de trinitarische grondstructuur van de Schrift aan. Het werkverbond en het genadeverbond verhouden zich in de gereformeerde geloofsleer op een andere manier tot elkaar dan natuur en genade in de rooms-katholieke scholastiek. Rom. 5 : 12-21 wijst ons hier de weg.
F. van Deursen, Hooglied, Telos-boek 235, 69 blz., ƒ 12,50, Buijten & Schipperheijn, Amsterdam 1988.
De kanttekenaren van de Statenvertaling beginnen hun inleiding op het Hooglied met de woorden: 'De auteur of schrijver van dit boek is Salomo, die het geschreven heeft door ingeven des Heiligen Geestes. Het is een gesprek tussen Christus als Bruidegom en de Bruid, Zijn kerk, onder het voorbeeld van Salomo en zijn bruid; in dier voege als in de vijfenveertigste Psalm'. Zij volgen daarin de christelijke traditie die niet alleen binnen de Rooms-katholieke kerk maar ook door de Reformatie algemeen werd aanvaard. Deze traditie sloot op haar beurt weer aan bij de Targoem op het Hooglied. Targoems zijn vertalingen van bijbelboeken in het Aramees voor die joden uit de periode rondom de geboorte van de Heere Jezus die niet meer Hebreeuws spraken. Reeds in het Oude Testament wordt het verbond tussen de Heere en Zijn volk vergeleken met een bruiloft of een huwelijk. Behalve aan Ps. 45 denken we dan aan de prediking van Hosea, Ezechiël 16 en Jesaja 62: Tot u zal niet meer gezegd worden: De verlatene, en tot uw land zal niet meer gezegd worden: Het verwoeste; maar gij zult genoemd worden: Mijn lust is aan haar, en uw land: Het getrouwde; want de Heere heeft een lust in u, en uw land zal getrouwd worden.
Tegenover deze eeuwenlange traditie staat de verklaring van dit bijbelboek als 'gewone' bruilofts- of liefdesliederen. Ook in orthodoxe kring komt deze wijze van interpreteren steeds meer in zwang. Dit boek is daarvan een voorbeeld. Daaraan liggen bijbellezingen die destijds voor de microfoon van de EO zijn uitgesproken, ten grondslag. De schrijver ziet als de 'hoofdbedoeling' van het boek: 'Wie God dient, mag ook gerust leuke minneliedjes zingen' (185). De eerste bijbedoeling is een 'leerdicht voor verliefden, verloofden en gehuwden' te geven, de tweede bijbedoeling een 'protestlied tegen alle oude en moderne vormen van Kanaänitisme (seksualiteit zonder eerbied voor God) en gnostiek (eerbied voor God, zonder seksualiteit)' (186 v.). Het zijn 'liefdesliederen in de vreze des Heeren. Heilig amusement. Om de wereld te tonen: o kan het ook. Ja, zo mag het en moet het!' (187). En dat leidt dan tot opschriften als 'O, wat ben je mooi' (Hooglied 1 : 9-17 en 4 : 1-7) en 'In geen harem vind je er een zoals de mijne!' (Hooglied 6 : 8-10). Nee, we gaan het 'jokken' (minnekozen) wat Izak met Rebekka deed, Gen. 26 : 8, niet vergeestelijken (190). Maar als de Schrift ons leert dat de liefde van man en vrouw in het huwelijk een weerspiegeling mag zijn van de gemeenschap van Christus met Zijn gemeente, dan heeft dat ook z'n consequenties voor de exegese van het Hooglied. Deze verborgenheid is gróót, Ef. 5 : 32. Zij wordt verstaan in een Schriftuurlijk-bevindelijk geloofsleven. Van enige aanwijzing in die richting vind ik in deze bijbelverklaring geen enkel spoor. Dat is jammer. Daardoor wordt het 'Lied der liederen' gedegradeerd tot christelijk-verantwoorde liefdesliedjes. Hoor ik de stem van mijn Heere: Ik zal u ondertrouwen in eeuwigheid, zal ik dan niet zeggen met de bruid uit het Hooglied: Zulk een is mijn Liefste, ja, zulk een is mijn Vriend, gij dochters van Jeruzalem, 5 : 16?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 februari 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 februari 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's