Van stap tot stap
De landbouwer uit de gelijkenis, zie het vorige artikel, wierp heel gewoon het zaad in de aarde, daarna leidde hij het dagelijks leven van slapen en opstaan, het zaad kwam inmiddels òp en werd lang, dat hij zelf niet wist hoe. De aarde bracht vanzelf vrucht voort. Automatisch. En dan volgt een tweede bijzonderheid, die ons de aard van de groei nog iets beter doet verstaan. Eerst het kruid, daarna de aar en daarna het volle koren in de aar. Daar hebben wij nu het geleidelijk karakter van de groei. Dat heeft onze aandacht vandaag.
Wanneer wij over de geestelijke ontwikkeling nadenken, moeten wij nooit vergeten, dat wij daarbij te maken hebben met een langzaam voortgaand groeiproces. Het stelt ons geduld soms op een zware proef. Door velen wordt deze waarheid niet begrepen. Vooral in de gemeente leeft men vaak bij het alles of niets. Er zijn een menigte overigens welmenende mensen, die van oordeel zijn, dat men klaar is, wanneer men in Christus heeft leren geloven en van de duisternis tot Gods wonderbare licht is bekeerd. Er heerst in menige gemeente een uitgesproken voorkeur voor de plotselinge, krachtdadige bekering. Vele gemeenteleden trekken een scherpe grenslijn tussen bekeerd en onbekeerd, gelovig en ongelovig en daarmee is alles afgedaan. Ze beseffen ternauwernood, dat de innerlijke vernieuwing, die bij de bekering ook uitwendig openbaar wordt, geen eindpunt, maar het beginpunt is van een ontwikkeling, die van stap tot stap voortgaat. Menigeen heeft er eenvoudig geen oog voor, dat er onder de gelovigen minder en meer gevorderden zijn en dat het geloofsleven niet enkel rust, maar tevens een leven van de hoogste spanning is, om voort te gaan van kracht tot kracht! Men is er of men is er niet.
Denk nu eens aan Jona's wonderboom. Dat was geen gewone boom. Die boom in zijn groei viel buiten de natuurlijke orde van de schepping. Wilt u nu de ontwikkeling van het geestelijk leven leren kennen, dan moet u niet op wonderbomen staren, maar kijken naar de gewone orde in de schepping. Jezus vergelijkt de ontwikkeling immers bij het ontkiemende zaad, dat de landbouwer in de aarde werpt.
Geniale, volgroeide persoonlijkheden worden ook aan hun geestelijke kant niet in één dag en nacht als in een broeikas klaargestoofd. Er is een algemene wet van de groei, die bij alle leven van plant, dier, lichaam en geest dezelfde is. Wij kunnen haar misschien het best formuleren, als wij zeggen, dat de groei gebeurt langs lijnen van geleidelijkheid. Al wat leeft, wordt niet volwassen en volgroeid geboren. Welneen, er zijn altijd trappen in de groei. En het zou toch wel zeer zonderling zijn, als dat wel bij het geestelijk leven zo was. Elk onredelijk dringen en haasten leidt op dwaalwegen. Ja, wij moeten zelfs weten, dat onze herschepping nooit loskomt van het in onze schepping door God aan ons gegevene. Nooit los dus van onze aanleg, van verstand, ons lichaamsgestel. Welnu, zo menen wij dat er ook in dit opzicht minstens drie fasen zijn te onderscheiden. Eerst het kruid, dan de aar en tenslotte het volle koren in de aar.
Wat is het mooi, wanneer de landbouwer het tere, groene waas over de grauwe akker ziet gespreid. Voordat hij er iets van zag, was God al met zijn zaad bezig. Daar was het ontkiemingsproces. Onder de grond. De sprieten komen naar boven. Klein en teer, een zweem van veelbelovend leven. Dat is een mooi beeld van het ontkiemende geloofsleven in de discipelen van Jezus. In gewone omstandigheden bij een christelijke opvoeding zal deze eerste opkomst of dit naar buiten treden van het zaad van het Woord, meestel samenvallen met de kinderleeftijd. Het lichamelijke leven verkeert eveneens in de fase van het prilgroene kruid. Wat hebben wij het vaak gezien bij kinderen. Grote ernst in de kerkdienst. Diepe ernst bij een begrafenis. Soms doen kinderen met alle plechtigheid een kerkdienst na. Ze spelen kerkje. Nooit vergeten wij dat kindertal van de eerste gemeente. De grootste jongen was de dominee. De kleinste speelde op het orgel - of liever: het was de mondharmonica. De derde sloeg met de stok van de bezem op de teil, die aan de spijker van de muur hing. Dat was de klok. Ze zongen aldoor maar één psalm: Opent uwe mond! Eindeloos opnieuw. Lach niet om die kinderspelen. Er kunnen heilige verrassingen in schuilen van de hand des Heeren. Er komt een aanvoelen van de heilige sfeer. Later duiken diepe vragen omhoog. Zwakke kentekenen der genade, die in jonge harten bezig is: vragen komen òp over God, de hemel, de engelen en vooral de dood. Sommige godvrezende mensen bewaren hun indrukken van de eerste hand hun levenlang. Soms is het de ontmoeting met een grootvader of vrome tante. Je ziet ze soms in de kerk zitten, van dat kleine grut, schijnbaar friemelend met een tasje, maar ze weten alles. Ze kunnen u vragen stellen, die u nooit, nooit beantwoorden kunt. Soms is het een kindergebed van ontroerende diepte, dat verraadt wat er alzo in dat kind omgaat.
U hebt scherpe ogen nodig om die eerste tekenen in het kinderleven op te merken. Hebt u ze eenmaal ontdekt, denk er dan aan, dat dit tere begin o zo gauw bedorven kan worden. Een enkele snauw, een bits woord kan volkomen doen terugdeinzen voor altijd. Het is veel teerder om die vragende kinderen vóórt te helpen door te luisteren met groot geduld. Buig u over naar de kinderen. Wat kan een enkele vertelling, met bezieling voorgedragen een wereld van moeilijkheden oplossen! Ware grootheid van ziel komt ook openbaar in de gave der vertolking. Eenvoud is het kenmerk van het ware. Iemand heeft eens terecht gezegd: eenvoud van karakter is het natuurlijk gevolg van diep denken. Grootmoeders hebben hier een pracht taak en... ongetrouwde tantes.
De tweede fase is die van de aar. Gewoonlijk valt die tweede fase samen met die leeftijd, die wij de opgroeiende jeugd noemen. Dan stormt en waait het niet weinig. Het is een periode vol gisting en onrust. U moet ze maar eens zien: de meisjes eindeloos giechelend, de jongens vol stoere streken vaak onuitstaanbaar vervelend. Modewoorden vliegen door de lucht; gemeenschappen van vrienden en vriendinnen komen samen en spatten ook onmiddellijk uiteen. Het is de meest beslissende periode in het gehele menselijke leven. De levensrichting voor de toekomst wordt gemeenlijk in die jaren bepaald. Het geestelijk leven ondergaat er de invloed van. Het is doorgaans een periode van innerlijke onevenwichtigheid. Men zoekt naar een punt van rust, maar het gebeurt dikwijls op eigenzinnige manier. Men steigert op tegen het gezag van God Woord. Er is wel de overtuiging dat dit Woord beslag op de consciëntie wil leggen. Het openbaart zich daarin juist als de Waarheid vol van majesteit.
Vele ouders zijn juist in die periode vreemdelingen in het hart en de ziel van hun jongens en meisjes. Het is te begrijpen, want de jongeren gedragen zich juist dan als bunkers. Ze gaan helemaal in zichzelf op. De liefde blijft ook dan toch altijd de sleutel, die het hart kan openen. Probeer althans het vertrouwen van de jongeren te winnen. Luisteren en nog eens luisteren is dan geboden. Wij moeten ook wel eens door al hun malligheden heenzien. Een begrijpend woord doet soms wonderen. Laat ze maar rustig uitvertellen wat hen beklemt. De begaafdsten onder hen hebben het vaak zo moeilijk. Jezus luisterde ook wel met aandacht naar de bezwaren van de Emmaüsgangers en hoe heeft Hij niet veel verdragen van de onstuimigheid van Petrus! Vergeet bovenal het gebed niet. Een gemeentelid vertelde eens van een onderwijzer, die in de nagedachtenis van zijn leerlingen bewaard bleef - juist om zijn gebeden. Tientallen jaren na zijn dood oefende hij nog een geestelijke invloed uit. Zijn leerlingen gevoelden nòg de band.
Wanneer de Heere het dan geeft, dat er van lieverlede meerdere heilige vastheid in de gang van de jongens en meisjes komt op de weg van het eeuwige leven, dan zijn ze natuurlijk nog niet aan het einddoel, maar de aar groeit dan toch vast aan het kruid en die aar, al is ze nog geen goed brood, ze is toch een belofte. Voor sommigen onder de jongeren is er reeds een vroegtijdig rijpen. Ze blijven na op de catechisatie, ze vertellen u ook wel eens erg dolle dingen. Het is allemaal waar. Maar die ogen, die ogen vertellen u dat het Woord meer dan ooit zijn hemels gezag laat gevoelen.
Tenslotte komt het koren in de aar. Daarop loopt het groeiproces uit. Wij bedoelen daarmee de rijpheid van het geestelijk leven, voor zover deze op aarde te bereiken is. Volkomen rijp wordt niemand aan deze zijde van het graf. Eerst wanneer wij de grens der eeuwigheid gepasseerd zijn, wordt tenietgedaan wat hier maar ten dele was. Maar in verhouding van de twee voorgaande fasen is de derde fase toch wel een periode van rijpheid. Er is een hervonden evenwicht in het innerlijk leven. Een stil rusten in God de Heere, inplaats van door duizend vragen te worden geslingerd. Wij worden meer en meer in de gemeenschap met Christus bevestigd. Het is die genade, die de echt gelovige duurzaam behoedt althans voor een zodanige afwijking, waardoor zijn persoonlijke gemeenschap met Christus geheel vernietigd zou worden. U zou dit kunnen noemen de zedelijke overmacht der genade.
Er is een gefundeerde overtuiging in de geloofszaken, een gerijpte kennis van Gods Waarheid en van het geestelijke leven. Een bemoedigende ervaring van een eerbiedige wandel met God. Er is een gebedsleven dat een diepe ervaring heeft voor de omgang met God. Deze fase staat het hoogst. U zoudt ze kunnen noemen de tijd van de bezonken godsvrucht. Het is dan goed om wat afstand te nemen van de ideeën van de rijpende jeugd. Die heeft tegenwoordig het hoofdaccent in alle dingen. De ouderen worden al gauw voor antiek verklaard. Natuurlijk, de groene aar heeft een volle belofte. Maar de vervulling van de belofte is toch het koren in de aar. Dan buigen zich de halmen op het korenveld. Er komt meer en meer ootmoed. Meer verwachting van de drieënige God. Wij staan wat gereserveerder tegenover het activisme van onze tijd. Er wordt zo ontzaglijk veel gedaan in de gemeente. Er is een overvloed van jeugdwerk, van bijbelwerk, van bijbelkringen zonder tal. Een stortzee van gepraat, van actie voor dit en voor dat. Maar de kennis en het inzicht wordt al minder. De gedachte komt meer en meer bij ons omhoog: storten wij de gemeente niet in een vloed van werkdadigheden en vergeten wij niet Itet voornaamste? Natuurlijk, men versta ons niet verkeerd. Er moet gewerkt worden. Maar veel actie kan evengoed niet gedaan worden, omdat het geen enkele vrucht in bovengenoemde zin teweegbrengt.
Het wemelt ook onder ons van raden, commissies, kernen, teams, kringen en cursussen. Het winterwerk in de gehele organisatie van de gemeente doet op veel plaatsen denken aan een machine, die draait om te draaien. Het lijkt wel, of men bang is om puur stil te zitten en na te denken zonder meer. Men oversteunt met die drukke activiteit eigen geestelijke onzekerheid. Intussen holt de gemeente leeg. Beter is veel ongedaan te laten, om het ene nodige te doen. Geestelijke babbelzucht is zeer gevaarlijk. Het is precies hetzelfde als de kip, die zo hard kakelde maar alleen windeieren legde. Lieve vrienden, het geestelijke leven is ten eerste diep, dan is het ook zeer stil en bovenal: het wordt zeer ootmoedig. Wuivende korenhalmen op de akker. Die staan nooit als masten rechtop. Neen, neen - ze buigen naar beneden. Het zijn deemoedige schepselen. Vat u het?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 februari 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 februari 1990
De Waarheidsvriend | 16 Pagina's